Scipio wil Gil Blas laten trouwen en stelt hem de dochter van een
rijken en beroemden goudsmid voor. De stappen, die daartoe worden
gedaan.
Op een avond dat het gezelschap, dat bij mij gesoupeerd had, was
vertrokken, bevond ik mij alleen met Scipio. Ik vroeg hem wat hij
dien dag had gedaan. "Een meesterwerk," antwoordde hij. "Ik wil u rijk
laten trouwen met de eenige dochter van een goudsmid, dien ik ken."
"De dochter van een goudsmid!" riep ik op minachtenden toon. "Ben
je gek geworden, dat je me zulk een burgerlijk meisje durft voor te
stellen? Wanneer men zijn verdiensten heeft en men heeft aan het hof
een zekere positie, dan heeft men het recht zijn blikken verder te
doen reiken."
"Nu mijnheer, sla maar zoo'n toon niet aan! Denk er aan, dat het
de man is, die den adel bepaalt en weet wel, dat het een partij
is van minstens honderd duizend ducaten! Is dat niet een mooi stuk
goudsmidswerk?"
Toen ik van die groote som hoorde, werd ik meer handelbaar en
zei tegen mijn secretaris: "Ik geef mij over. De bruidschat doet
me beslissen! Wanneer kan ik dat geld opnemen?" "Zachtjes aan,
mijnheer! Een beetje geduld. Eerst moet ik de zaak nog aan den vader
meedeelen."
Lachend riep ik: "dat huwelijk is dus nog niet ver gevorderd!" Hij
antwoordde mij: "Verder dan ge denkt. Als ik maar een uur met den
goudsmid heb gesproken, sta ik u voor zijn toestemming in. Maar
voor wij verder gaan, moeten wij eerst iets afspreken. Onderstel,
dat u die honderdduizend ducaten krijgt, hoeveel geeft u er mij dan
van?" "Twintig duizend," antwoordde ik. "De hemel zij geprezen!" riep
hij. "Ik had gedacht, dat uw edelmoedigheid zich tot tien duizend
zou bepalen. Ik zal morgen die zaak ter hand nemen en ge kunt er
verzekerd van zijn, dat ze zal gelukken."
Werkelijk zei hij twee dagen later: "Ik heb gesproken met mijnheer
Gabriel de Salers--zoo heet mijn goudsmid--en ik heb hem zooveel
verdienstelijks van u verteld, dat hij een willig oor heeft geleend
aan mijn voorstel, om u tot schoonzoon te nemen. Ge zult zijn dochter
hebben, met honderd duizend ducaten, mits ge hem duidelijk aantoont,
dat gij in de gunst staat bij den minister."
"Als het daarvan afhangt," zei ik, "zal ik wel spoedig getrouwd
zijn. Maar zeg mij eens: heb je het meisje gezien? Hoe is zij?"
"Niet zoo mooi als haar bruidschat. Maar daar zult ge u zeker wel
niet om bekommeren?"
"Wel neen, mijn vriend. Wij heeren van het hof trouwen alleen om
getrouwd te zijn. Wij zoeken de schoonheid alleen bij de vrouwen van
onze vrienden en wanneer bij toeval de onze ze bezit, den schenken
wij daar zoo weinig aandacht aan, dat zij groot gelijk hebben,
wanneer zij ons ervoor straffen."
Scipio vervolgde: "Mijnheer Gabriel geeft vanavond een souper. Wij
zijn overeengekomen, dat ge niet over het voorgenomen huwelijk zult
spreken. Hij noodigt verschillende vrienden uit en gij zult als
een gewone gast zijn. Morgenavond geeft gij op dezelfde wijze een
souper. Ge ziet, dat het een man is, die u eerst wil bestudeeren,
voordat de zaak wordt beklonken. Het zal dus goed zijn, dat ge u een
weinig in acht neemt."
"Wel voor den duivel!" riep ik vol zelfvertrouwen, "laat hij mij maar
bestudeeren zooveel hij wil; ik kan bij dat onderzoek slechts winnen."
Het gebeurde zooals was afgesproken. Ik ging naar den goudsmid,
die mij zoo familiaar ontving, alsof wij elkaar reeds verscheiden
malen hadden ontmoet. Hij scheen mij een goede man en stelde mij
dadelijk voor aan senora Egénia, zijn vrouw, en de jonge Gabriella,
zijn dochter. Ik maakte eenige complimentjes en sprak in zeer fraaie
woorden over allerlei nietigheden.
Wat mijn secretaris mij ook van haar had gezegd, scheen Gabriella
mij toch niet leelijk, misschien wel omdat ze zoo mooi was gekleed,
of mogelijk bekeek ik haar wel door haar bruidschat heen. Een goed
huis, dat van mijnheer Gabriel! Er was daarin geloof ik meer zilver
dan in de mijnen van Peru. Overal zag men dat metaal, onder duizend
verschillende vormen. Elke kamer, en vooral die, waar wij aan tafel
gingen, was een schat. Welk een gezicht voor een schoonzoon. De
schoonvader had vijf of zes kooplieden gevraagd, allen ernstige
en vervelende personen. Zij spraken alleen over den handel en hun
conversatie was meer een gesprek over zaken, dan een gezellig onderhoud
van vrienden, die met elkaar soupeeren.
Den volgenden avond ontving ik den goudsmid. Daar ik niet kon
schitteren door mijn zilverwerk, had ik iets anders uitgevonden. Ik
noodigde aan het souper diegenen van mijn vrienden, die een goed
figuur maakten aan het hof, eerzuchtig waren en geen grenzen stelden
aan hunne begeerten. Mijn gasten spraken slechts over grootheid
en schitterende en voordeelige posten, die ze najoegen. Dat miste
zijn uitwerking niet. Gabriel, de burgerman, zeer onder den indruk
van al hunne groote ideeën, gevoelde zich niettegenstaande al zijn
rijkdom klein tegenover al die groote heeren. Wat mij betreft, ik
deed alsof ik matig was in mijn wenschen en mij tevreden stelde met
een middelmatig fortuin van twintigduizend pistolen rente, waarop
mijn vrienden uitriepen, dat ik dwaas was en dat ik bemind als ik
was bij den eersten minister, met zoo weinig niet tevreden behoefde
te zijn. De schoonvader verloor geen enkel van die woorden en ik kon
merken, dat hij zeer voldaan was, toen hij heenging.
Scipio zocht hem den volgenden morgen op om hem te vragen of
hij tevreden was. Hij kreeg ten antwoord: "Uw meester bevalt mij
buitengewoon goed, maar wij zijn oude kennissen, laten we dus eerlijk
met elkaar spreken. Wij hebben zooals ge weet, allen ons zwak. Zeg
mij die van mijnheer de Santillano. Speelt hij, of houdt hij veel
van galante avonturen? Welke slechte neigingen heeft hij? Verberg
mij niets." Scipio zei: "Ge beleedigt mij, mijnheer Gabriel, door
mij die vragen te doen. Ik werk meer in uw belang, dan in dat van
mijn meester. Indien hij slechte eigenschappen bezat, geschikt om uw
dochter ongelukkig te maken, dan zou ik het nooit gewaagd hebben hem
als uw schoonzoon voor te stellen. Ik kan bij hem geen andere fout
vinden, dan dat hij geen fouten heeft. Hij is te verstandig voor een
jongen man." "Zooveel te beter," hernam de goudsmid, "dat doet mij
genoegen. Nu mijn vriend, ge kunt hem verzekeren, dat hij mijn dochter
zal hebben, zelfs al stond hij niet in de gunst bij den minister."
Zoodra mijn secretaris mij dit onderhoud had meegedeeld, ging ik
naar de Salero, om hem te bedanken voor de gunstige beschikking,
die hij ten opzichte van mij had genomen. Zijn vrouw en dochter
had hij reeds van de zaak gesproken en dat zij geen bezwaar hadden
gemaakt, merkte ik aan de houding, die zij tegenover mij aannamen. Ik
stelde nog dienzelfden dag mijn aanstaanden schoonvader voor aan den
hertog de Lerme, die ik den vorigen avond had ingelicht. De minister
ontving hem zeer vriendelijk en betuigde zijn vreugde, dat hij tot
schoonzoon iemand had gekozen, van wien hij zooveel hield en dien hij
zou vooruithelpen. Verder zei hij nog zooveel goeds van mij, dat de
goede Gabriel meende, dat hij in heel Spanje voor zijn dochter geen
betere partij zou hebben kunnen vinden. Hij was er zoo door geroerd,
dat hij tranen in de oogen kreeg. Hartelijk nam hij afscheid van
mij toen wij scheidden en zei: "Mijn zoon, ik verlang er zoo naar,
u als de echtgenoot van Gabriella te zien, dat ge het binnen acht
dagen zijn zult."