Van het geheime bezoek en van de geschenken, die de prins aan
Catalina gaf.
Dadelijk ging ik vijfhonderd dubbele pistolen brengen aan den
graaf de Lemos. Deze zei: "Ge komt, of ge geroepen waart; ik heb
met den prins gesproken en deze brandt van verlangen om Catalina te
zien. Reeds vannacht zal hij in stilte het paleis verlaten en haar
bezoeken. Die zaak is beklonken en mijn maatregelen zijn daarvoor
reeds genomen. Waarschuw dus de dames en geef haar het geld. Ze moeten
weten, dat het geen gewone minnaar is, dien ze zullen ontvangen. Daar
gij hem met mij zult vergezellen, moet ge maken, dat ge vanavond in
zijn slaapkamer zijt. Ik oordeel het 't beste, dat wij uw rijtuig
nemen. Zorg dus, dat het omstreeks twaalf uur in de omgeving van het
paleis gereed staat."
Na dit gesprek ging ik naar de dames. Ik zag Catalina niet; men zei,
dat zij rustte.
Dus sprak ik alleen met senora Mencia. "Mevrouw, neem mij als 't u
blieft niet kwalijk, dat ik in uw huis verschijn, maar ik kon het
onmogelijk vermijden. Ik moet u meedeelen, dat de prins vannacht zal
komen en hier heb ik een offerande, die hij naar den tempel zendt,
opdat de godheid hem gunstig gezind zal zijn. Zooals u ziet heb ik
u niet in een slechte zaak betrokken."
Zij bedankte mij daarvoor en vroeg mij vervolgens, of de prins ook
van muziek hield, waarop ik haar antwoordde, dat hij daar dol op was.
"Des te beter! Het doet mij een zeer groot genoegen, dat ge mij
dit zegt, want mijn nicht heeft een stem als een nachtegaal, speelt
verrukkelijk luit en danst prachtig."
"Almachtig!" riep ik uit. "Wat een volmaaktheid! Een enkel van die
talenten is voldoende voor een meisje, om haar fortuin te maken."
Nadat aldus de weg was bereid, wachtte ik tot het uur, waarop ik
naar den prins moest gaan. Ik gaf mijn koetsier bevel om in te
spannen en reed eerst naar den graaf de Lemos, die me zei, dat de
prins om zich gemakkelijker van elk gezelschap te kunnen ontdoen,
een lichte ongesteldheid had voorgewend. De graaf liet mij bij het
paleis achter. Ik moest zoolang wachten, dat ik begon te gelooven,
dat onze minnaar een anderen weg had gekozen of den lust verloren had,
Catalina te zien; alsof prinsen ooit dit soort verlangens verloren
voordat ze bevredigd waren! Eindelijk verschenen twee mannen, die
mij aanspraken. Toen ik hen herkend had namen beiden in het rijtuig
plaats en ik ging op den bok zitten bij den koetsier, om hem den weg
te wijzen. Op vijftig pas afstand van het huis liet ik stilhouden en
wij liepen naar de deur, die bij onze nadering werd geopend en achter
ons gesloten.
Wij bevonden ons eerst in dezelfde duisternis, waarin ik den eersten
keer was geweest; wel had men nu aan een van de muren een kleine
lamp gehangen, maar die gaf bijna geen licht. Dat alles diende om
het avontuur aantrekkelijker te maken voor onzen held, die levendig
getroffen werd door het zien van de dames in de zaal, waar het heldere
licht van een zeer groot aantal kaarsen een scherpe tegenstelling
vormde met de duisternis daarbuiten. De dames waren zeer smaakvol
gekleed.
"Welnu, prins!" zei de graaf de Lemos, "zou men u wel het
genoegen kunnen verschaffen twee bevalliger dames te zien dan deze
twee?" "Inderdaad", was het antwoord, "ik behoef niet te denken,
dat ik mijn hart weer zal meenemen bij mijn vertrek. Ik zou het aan
de tante verliezen, als de nicht er niet was."
Na deze voor een tante zoo vleiende woorden, maakte hij allerlei
complimentjes aan de nicht, die hem zeer geestige antwoorden gaf.
Daar het aan personen, die bij een onderhoud van geliefden een rol
spelen, zooals ik bij die gelegenheid deed, geoorloofd is zich in
het gesprek te mengen mits het is om het vuur aan te wakkeren, zei ik
tegen den galant, dat zijn nimf verrukkelijk zong en luit speelde. Het
deed hem buitengewoon veel genoegen te vernemen, dat zij die talenten
bezat en hij verzocht haar daarvan een proeve te willen geven. Ze gaf
daaraan gevolg en zong werkelijk treffend mooi, zoodat de prins zich
op de knieën liet vallen, vervoerd door liefde en genot. Maar genoeg
over deze samenkomst; laat ons enkel zeggen, dat het noodig was den
prins aan te manen het huis te verlaten, omdat de dag aanbrak.
Ik vertelde den volgenden morgen het avontuur aan den hertog de Lerme,
want hij wilde alles weten. Juist had ik mijn verhaal geëindigd,
toen de graaf de Lemos aankwam en ons zei: "De prins is zoo vervuld
van Catalina, dat hij zich voorneemt haar dikwijls te bezoeken. Hij
wil haar heden voor tweeduizend pistolen aan edelgesteenten zenden,
maar bezit niets. Hij heeft mij gezegd, dat hij mij eeuwig dankbaar
zal zijn, indien ik hem dat geld wist te verschaffen en ik heb
hem geantwoord dat hij gerust kon zijn, want dat ik vrienden heb
en crediet."
De hertog zei, dat aan dit verlangen zou worden voldaan. De graaf
de Lemos ging daarna met mij naar een juwelier, waar wij kostbare
sieraden kochten, die ik naar Catalina bracht.
Men behoeft niet te vragen, of ik gunstig werd ontvangen door de dames,
toen ik 's nachts de geschenken bracht. Verrukt over de liefde en de
mildheid van den prins bedankten ze mij, dat ik haar een zoo goede
kennismaking had verschaft.
Opgewonden door de vreugde, ontsnapten haar eenige woorden, die deden
vermoeden, dat het een kleine bedriegster was, die ik aan den zoon
van onzen grooten monarch had geleverd. Om het fijne van de zaak te
weten, ging ik naar huis, met het voornemen een onderhoud met Scipio
te hebben.