De zeden van Gil Blas bederven aan het hof geheel. Van de opdracht
die de graaf de Lemos hem gaf en in welke intrige die heer en hij
zich wikkelden.
Toen het bekend werd, dat ik zoo in de gunst stond bij den hertog
de Lerme, had ik spoedig een soort hofhouding. Alle morgens bevonden
zich in mijn antichambre veel menschen. Twee soorten kwamen er bij me:
personen, die mij betaalden om voor hen gunsten aan den minister te
vragen en anderen, die mij kwamen smeeken en voor wie ik gratis doen
moest wat zij vroegen. De eersten waren zeker aangehoord en geholpen
te worden, de tweeden werden meestal dadelijk afgescheept, ofwel ik
liet hen zoolang wachten, dat ze hun geduld verloren. Voor ik aan
het hof kwam, was ik goedhartig en medelijdend, maar daar kent men
geen medegevoel en ik werd hard als een keisteen. Van genegenheid
voor mijn vrienden was geen sprake meer. De wijze, waarop ik Joseph
Navarro behandelde, is daar een bewijs van.
Deze Navarro, aan wien ik zooveel verplichting had en die eigenlijk de
eerste oorzaak was van mijn fortuin, kwam op zekeren dag bij mij. Na
vele vriendschapsbetuigingen, die ik gewoonlijk van hem hoorde wanneer
wij elkaar aantroffen, verzocht hij mij aan den hertog de Lerme zekere
betrekking te vragen voor een vriend van hem, iemand die zeer bekwaam
was en goed, maar een betrekking moest hebben om te bestaan. Joseph
voegde er aan toe: "Daar ik uw goedhartigheid ken, twijfel ik er niet
aan, of ge zult met genoegen dien man helpen; hij zal u er steeds
dankbaar voor blijven." Dat wilde dus met andere woorden zeggen, dat
ik er niets voor zou krijgen. Hoewel ik weinig zin in de zaak had,
liet ik dat niet blijken, en ik beloofde hem, dat ik mijn best zou
doen en dat zijn vriend op die betrekking kon rekenen.
Met die verzekering ging Joseph voldaan naar huis. Maar de man, dien
hij had aanbevolen, kreeg die betrekking niet. Ik gaf haar aan een
ander, die mij duizend ducaten daarvoor had geboden. Aan die som gaf
ik de voorkeur boven alle dankbaarheid en betuigingen daarvan. Toen ik
Joseph later zag zei ik: "Wel Navarro, wat is het jammer, dat ge te
laat zijt gekomen, om mij over die betrekking te spreken. Calderone
is mij voor geweest en heeft die plaats al begeven. Het spijt mij
buitengewoon, dat ik u geen beter nieuws kan meedeelen." Joseph
geloofde mij en wij scheidden als vrienden, maar ik geloof, dat hij
later de waarheid ontdekte, want hij kwam niet meer bij mij. Inplaats
van er berouw over te hebben, dat ik op zulk een wijze een goeden
vriend had bedrogen, deed het mij genoegen. Behalve dat de diensten,
die hij me vroeger had bewezen mij hinderden, vond ik, dat het voor
iemand van mijn positie aan het hof eigenlijk niet paste, om met een
hofmeester om te gaan.
Het is lang geleden, dat ik het laatst over den graaf de Lemos heb
gesproken; laat ons thans tot dien heer terugkeeren. Nu en dan zag ik
hem; ik had hem de duizend pistolen gebracht, waarvan ik hierboven
vertelde. Later bracht ik hem op bevel van zijn oom den hertog nog
duizend. De graaf de Lemos wilde dien dag een lang onderhoud met mij
hebben. Hij zei mij, dat hij zijn doel volkomen had bereikt en dat
hij de eenige vertrouweling was geworden van den prins. Vervolgens
belastte hij mij met een zeer eervolle taak, waarop hij mij reeds
eenigszins had voorbereid. "Vriend Santillano, er moet nu gehandeld
worden. Spaar niets om een jeugdige schoonheid te zoeken, die waardig
is om den prins te amuseeren. Gij hebt verstand en ik behoef u er
niets meer van te zeggen. Span al uw krachten in en wanneer ge een
gelukkige ontdekking zult gedaan hebben, kom mij dan waarschuwen."
Ik beloofde den graaf mijn best te zullen doen; ik was wel niet op de
hoogte van dit soort werk maar het kon niet zoo moeilijk zijn waar het
immers door zoo veel menschen gedaan wordt. Ik had weinig routine in
die zaken, maar twijfelde niet, of Scipio zou mij kunnen helpen. Dus
liet ik hem bij mij komen en zei: "Mijn vriend, ik heb je iets op
te dragen. Weet je wel, dat te midden van de gunsten van de fortuin,
ik voel, dat mij iets ontbreekt." Hij viel mij in de rede. "Ik raad
gemakkelijk wat het is, ge hebt behoefte aan een schoone nimf, die u
verstrooiïng geeft. Het is te verwonderen, dat gij in de kracht van
uw leven er niet een hebt."
Glimlachend zei ik: "Mijn vriend, ik bewonder je vlugheid van
verstand. Ja, ik wil een maîtresse hebben en jij moet die voor mij
zoeken. Maar ik waarschuw je vooruit, dat ik zeer moeilijk ben te
voldoen in dat opzicht. Ik moet een mooi en aardig meisje hebben,
dat niet van slechte zeden is."
"Wat ge wenscht is wel een weinig zeldzaam, maar wij zijn hier in een
stad waar alles te vinden is, en dus heb ik hoop spoedig te slagen."
Werkelijk zei hij me na drie dagen: "Ik heb een schat ontdekt,
een jonge dame, genaamd Catalina, van goede familie en verrukkelijk
schoon. Ze woont samen met een tante, in een kleine woning, waar ze
zeer netjes leven van hare inkomsten, die niet groot zijn. Zij hebben
een soubrette in dienst, die mij bekend is en mij verzekerd heeft,
dat hoewel haar deur voor iedereen gesloten is, ze die wel zou willen
openen voor een rijken en beleefden galant, mits die, om schandaal
te vermijden, bereid is, om alleen 's nachts te komen. Ik heb met de
soubrette over u gesproken, ze zou dat aan de dames overbrengen en
mij morgen het antwoord brengen op een afgesproken plaats."
"Dat is goed. Als die vrouw met wie je gesproken hebt je maar niets
heeft wijs gemaakt!" "Neen, neen, ik heb bij de buren gevraagd en
naar alles wat ik hoorde is senora Catalina precies wat gij verlangt,
d.w.z. een Danaë bij wie gij den Jupiter moogt gaan spelen ten koste
van een gouden regen van pistolen.
Den volgenden dag kwam de dienstbode aan Scipio zeggen, dat haar
meesteres mij 's nachts wilde ontvangen. Tusschen elf en twaalf uur
ging ik er heen. De soubrette ontving mij zonder licht en nam mij
bij de hand, om mij naar een nette zaal te geleiden, waar de dames
keurig gekleed mij afwachtten. Ze stonden op en groetten mij beleefd,
ik meende dames van deftigen stand te zien. De tante, die senora Mencia
heette, trok hoewel zij nog schoon was, minder mijn aandacht. Men kon
alleen maar haar nicht aanzien, die me een godin toescheen. Indien
men haar nauwkeurig bekeek, had men misschien kunnen zeggen, dat zij
geen volmaakte schoonheid was, maar ze was zoo gracieus en zoo pikant
dat mannenoogen in haar geen gebreken konden zien.
Het was of mijn zinnen verstoord waren. Ik vergat, dat ik daar
slechts gekomen was als tusschenpersoon en sprak namens mijzelf,
als hartstochtelijk verliefd man.
Om mij te doen bedaren, zei de tante: "Mijnheer de Santillano, ik
zal eerlijk met u spreken; na het goeds, dat ik van u heb gehoord,
heb ik besloten u te ontvangen maar bedenk wel, tot nu toe heb ik mijn
nicht in afzondering opgevoed. Gij zijt om zoo te zeggen de eerste,
aan wiens blikken ik haar blootstel. Indien gij haar waardig oordeelt
om uw echtgenoote te worden, dan zal ons dat een eer zijn. Gij moet
beslissen of ge haar dien prijs waardig keurt, goedkooper krijgt
ge haar niet." Dit onverhoedsche schot verschrikte het liefdegodje,
dat juist een pijl zou afzenden.
Dat voorstel van een huwelijk bracht mij weer tot mijn volle
bewustzijn. Ik werd plotseling weer de trouwe agent van den graaf de
Lemos en veranderend van toon, antwoordde ik senora Mencia: "Mevrouw,
uw oprechtheid bevalt mij en ik wil die navolgen. Welke positie ik ook
aan het hof bekleed, ik ben toch de onvergelijkelijke Catalina niet
waardig. Ik heb voor haar een schitterende partij ter beschikking en
bestem den prins van Spanje voor haar."
De tante zei op koelen toon: "Het is voldoende, indien gij de hand
van mijn nicht weigert. Het is niet noodig daaraan een ongepaste
aardigheid toe te voegen."
"Mevrouw!" riep ik uit, "het is geen aardigheid, ik ben zeer ernstig,
ik heb in opdracht een dame te zoeken, die waard is met geheime
bezoeken van den prins te worden vereerd en ik vind die in uw huis."
Senora Mencia was zeer verwonderd die woorden te vernemen en ik merkte,
dat ze haar goed bevielen. Ze meende echter eenigszins terughoudend
te moeten zijn, en antwoordde dus: "Wanneer ik u goed heb begrepen,
ben ik verplicht u te zeggen, dat ik het volstrekt niet zou toejuichen,
indien mijn nicht de maîtresse werd van een prins. Mijn deugd verzet
zich tegen dat denkbeeld."
Ik viel haar in de rede: "Ge praat van deugd als een burgervrouw. Men
moet die zaken niet beschouwen van een moreel standpunt. Dat is al
het schoone eraan ontnemen. Men moet ze bezien met verrukking:
aanschouw den erfgenaam der monarchie aan de voeten van de
gelukkige Catalina. Stel u voor, dat hij haar aanbidt en overlaadt
met geschenken. Bedenk, dat hij haar misschien een held zal doen
geboren worden, die den naam zijner moeder onsterfelijk zal maken
met den zijne."
Hoewel de tante niets liever wilde dan wat ik voorstelde, veinsde zij
nog niet te kunnen besluiten en Catalina, die niets liever wilde dan
den prins reeds bij zich te hebben, wendde onverschilligheid voor. Dat
gaf mij aanleiding om mijn batterijen opnieuw te openen, totdat
senora Mencia zich bereid verklaarde tot overgave van de vesting op
de volgende voorwaarden: _primo_, dat, wanneer de prins van Spanje na
mijn rapport een nachtelijk bezoek zou brengen, ik daarvan aan de dames
mededeeling zou komen doen beneven van den nacht, welken hij daarvoor
zou uitkiezen. _Secundo_, dat de prins de dames zou bezoeken als een
gewone galant en slechts vergezeld door den graaf de Lemos en mij.
Na die overeenkomst waren de dames zoo vriendelijk mogelijk tegen
mij. Ik waagde zelfs eenige kleine familiariteiten, die niet al te
slecht werden ontvangen en toen ik afscheid nam omhelsde zij mij
uit eigen beweging met alle mogelijke liefkoozingen. Het is iets
merkwaardigs, de gemakkelijke intimiteit tusschen bewerkers van
liaisons en de vrouwen, die ze noodig hebben; men zou hebben gezegd,
als men mij weg had zien gaan, dat ik gelukkiger was geweest dan
inderdaad het geval was.
De graaf de Lemos was buitengewoon verheugd, toen ik hem vertelde,
dat ik een ontdekking had gedaan, zoo goed als hij maar wenschen
kon. Ik vertelde hem zooveel van Catalina, dat hij lust kreeg haar
te zien. Ik bracht hem bij haar den volgenden nacht en hij moest
toestemmen, dat ik zeer gelukkig was geweest. Hij zei de dames, dat
hij er niet aan twijfelde, of de prins zou zeer voldaan zijn over de
schoone, die voor hem was bestemd en dat zij van haar kant reden had
om tevreden te zijn met zulk een minnaar, dat de prins edelmoedig was,
goedhartig en zacht. Eindelijk verzekerde hij, dat hij daar verschijnen
zou zooals zij het wenschte, zonder opzien en zonder gevolg.
Wij gingen daarop terug naar het huis van den graaf en hij verzocht
mij den volgenden dag zijn oom op de hoogte te brengen van dit avontuur
en hem nog duizend pistolen te vragen.
Den volgenden dag gaf ik den hertog de Lerme een nauwkeurig verslag
van wat er gebeurd was. Ik verborg hem slechts ééne zaak, ik sprak hem
niet van Scipio; ik gaf mijzelf de eer van de ontdekking van Catalina,
want men geeft zichzelf graag van alles de eer bij groote heeren.
De minister maakte mij zijn compliment en zei op schertsenden toon:
"Het verheugt mij waarlijk, mijnheer Gil Blas, dat ge bij al uw andere
talenten ook nog dat bezit, om schoonheden te ontdekken. Wanneer ik
er soms eens een mocht noodig hebben, zult ge zeker wel goed vinden,
dat ik mij tot u wend." "Excellentie, ik bedank u voor uw woorden,
maar u zult mij toestaan te zeggen, dat ik er eenig bezwaar tegen
zou maken, om u dergelijke genoegens te verschaffen. Don Rodrigo is
al zoolang daarmee belast, dat het onrechtvaardig zou zijn hem dat
voorrecht te ontnemen." De hertog glimlachte om mijn antwoord en vroeg
of zijn neef geen geld noodig had voor deze zaak. Ik deelde hem mee,
dat ik in opdracht had hem daarvoor duizend pistolen te vragen. De
minister antwoordde: "Ge kunt ze hem brengen, zeg hem dat hij ze niet
moet sparen en dat hij tegemoet komt aan alle onkosten, die de prins
zou willen maken."