Door welke middelen Gil Blas in korten tijd een aanzienlijk fortuin
maakte en welke airs hij aannam.
Die zaak had mij smaak erin gegeven en ik gaf Scipio tien pistolen,
om hem aan te moedigen tot nieuwe opsporingen. Zijn talenten in dit
opzicht heb ik reeds geroemd. De tweede klant, die hij mij aanbracht,
was een boekdrukker, die een werk van een confrater had nagedrukt en
op wiens uitgave beslag was gelegd. Voor driehonderd ducaten wist ik
hem te helpen, het beslag te doen opheffen en hem te vrijwaren voor
een zeer groote boete. Na den boekdrukker kreeg ik met een koopman te
doen. Een Portugeesch schip was in handen gevallen van een zeeroover
uit Barbarije en vervolgens weer genomen door een oorlogsschip uit
Cadix. Het twee derde gedeelte van de koopwaren, waarmee het beladen
was geweest, behoorde aan een koopman uit Lissabon, die ze opeischte en
nu aan het hof te Madrid een beschermer kwam zoeken. Ik interesseerde
mij voor die zaak en ontving vierhonderd pistolen.
Daarna hielp ik een drogist, die het privilege wilde hebben, om
gedurende tien jaren zekere drankjes in alle steden van Spanje te
verkoopen, met uitsluiting van alle anderen d. w. z. dat anderen die
in deze plaatsen niet zouden mogen verkoopen. Voor tweehonderd pistolen
kreeg hij uitsluitend recht om de wereld met zijn waar te bedriegen.
Ik ondervond de waarheid van het gezegde, dat de eetlust al etende
komt. Van den minister had ik zoo gemakkelijk de vier gunsten
verkregen, waarvan ik hierboven sprak, dat ik niet aarzelde hem een
vijfde te vragen. Een ridder uit Calatrava bood mij duizend pistolen
aan, indien ik hem gouverneur kon maken van de stad Vera, bij Granada.
De minister begon te lachen, toen ik met die zaak bij hem aankwam en
zei: "Mijn vriend Gil Blas, het schijnt dat de lust om uw naasten te
helpen zeer groot bij u is. Zoolang het slechts kleinigheden betrof,
heb ik daar niet zoo op gelet, maar wanneer het om grootere zaken gaat,
zult ge u in 't vervolg moeten tevreden stellen met de helft van het
profijt en mij de andere moeten geven. Ge kunt u niet voorstellen,
welk een kosten ik moet maken en wat ik noodig heb om mijn stand
met waardigheid op te houden. Niettegenstaande mijn belangeloosheid,
waarvoor ik overal bekend ben, kan ik toch niet zoo onvoorzichtig zijn,
om mijn persoonlijke belangen over het hoofd te zien".
Dit gesprek zette mij nog meer aan om op den ingeslagen weg voort te
gaan. Indien het mogelijk was geweest, zou ik graag overal hebben
laten publiceeren, dat zij die gunsten van het hof verwachtten,
zich slechts tot mij hadden te wenden. Ik ging den eenen kant uit en
Scipio den anderen. Gouverneurs werden er door mij gemaakt, ridderordes
verleend, in den adelstand verheven. Eenige goede avonturiers werden
in slechte edellieden veranderd door uitstekende adelbrieven. Ook de
geestelijkheid wilde ik van mijn weldaden doen genieten. Maar ik moest
mij bepalen tot de kleinere posten, de grootere van bisschoppen en
aartsbisschoppen waren het terrein van Calderone. De personen, die
wij kozen, waren natuurlijk niet altijd de bekwaamste en de beste
en wij wisten wel, dat men ons in Madrid niet onbesproken liet,
maar wij troostten ons als gierigaards met het gezicht van het goud.
Isocrates heeft gelijk, dat hij de onmatigheid en de dwaasheid de
trouwe metgezellen noemt van de rijken. Toen ik dertigduizend ducaten
bijeen had en kans zag om misschien nog tienmaal meer te krijgen,
meende ik voor de wereld op meer waardige wijze mijn positie als
vertrouweling van den eersten minister te moeten ophouden. Ik huurde
een groot huis, meubileerde het keurig, kocht een rijtuig, stelde een
koetsier aan en drie lakeien en daar het rechtvaardig is, om zijn
oude bedienden te bevorderen, verhief ik Scipio tot de driedubbele
waardigheid van kamerdienaar, secretaris en intendant. Het toppunt
was voor mij, dat de minister goedvond, dat mijn personeel livrei
droeg. Het scheelde weinig, of ik had mij verbeeld een bloedverwant
van den hertog te zijn. Ik stelde mij in het hoofd, dat ik daar
misschien wel voor doorging, of misschien gehouden werd voor een van
zijn bastaards, wat ik als een groote eer zou hebben beschouwd.
Het voorbeeld volgende van mijn meester, wilde ik ook bezoek
ontvangen. Ik belastte Scipio met de zorg een uitstekenden kok voor
mij te zoeken en vulde mijn kelder met de fijnste wijnen. Iederen
avond kwamen er nu hoofd-ambtenaren van het ministerie bij mij
soupeeren. Scipio had ik het recht gegeven, om in zijn verblijf
zijn kennissen op mijn kosten te onthalen. Hij hielp mij om geld
te verdienen en verstond ook uitstekend de kunst om het weer uit te
geven. Dat schaadde mij echter niet, want ik zag van dag tot dag mijn
fortuin toenemen.
Mijn ijdelheid verlangde alleen nog maar om Fabricius getuige te doen
zijn van dit weelderige leven. Ik twijfelde er niet aan, of hij was
terug uit Andaloesië en om mij het genoegen te geven hem te verrassen,
liet ik hem een anoniem briefje toekomen, waarin ik hem meedeelde,
dat een heer uit Sicilië hem te soupeeren vroeg. Ik gaf hem den dag,
het uur en de plaats aan, waar hij zich moest bevinden. De plaats van
samenkomst was bij mij. Nunez kwam en was buitengewoon verbaasd, dat
ik de vreemde heer was, die hem had uitgenoodigd. Ik zei: "Ja, mijn
vriend, ik ben meester in dit huis, ik houd een equipage, een goede
tafel en heb bovendien een brandkast." "Hoe is het mogelijk!" riep
hij, "dat ik je terug zie in zooveel weelde. Wat ben ik blij, dat ik
je die betrekking heb bezorgd bij graaf Galiano! Ik zeide je wel,
dat hij een edelmoedig man was en dat het je wel goed zou gaan bij
hem. Je hebt zeker den wijzen raad gevolgd, dien ik je heb gegeven en
den hofmeester de vrije hand gelaten. Ik wensch je er hartelijk geluk
mee. Wanneer de intendanten in groote huizen zoo voorzichtig zijn,
worden ze niet rijk."
Ik liet Fabricius zich er eerst op beroemen, zooveel hij wilde, dat
hij mij die plaats bij graaf Galiano had bezorgd; om zijn vreugde te
temperen, deelde ik hem daarna mee, met welke bewijzen van dankbaarheid
die heer mijn diensten had beloond.
"Maar ik vergeef den Siciliaan zijn ondankbaarheid. Ik heb eerder
reden, om mij er over te verheugen, dan te beklagen, want als de graaf
niet zoo slecht met mij had gehandeld, zou ik nu in zijn dienst zijn
in Sicilië en misschien in een onzekere positie. In één woord ik zou
niet de vertrouweling zijn van den hertog de Lerme."
Nunez was zoo levendig getroffen door die laatste woorden, dat hij
de eerste oogenblikken niet kon spreken. "Heb ik goed gehoord? Heb
je het vertrouwen van den eersten minister?" "Ja, ik deel dat met
don Rodrigo de Calderone en naar alle waarschijnlijkheid zal ik het
ver brengen." "Waarlijk, mijnheer de Santillano," antwoordde hij,
"ik bewonder u. Ge zijt bekwaam om alle posten te vervullen. Wat een
talenten vereenigt gij in u! Overigens mijnheer, moet ik u zeggen,
dat ik mij zeer verheug in uw voorspoed."
"Loop naar den duivel, Nunez, met dat mijnheer spelen. Laat ons
familiair zijn als vroeger." Hij antwoordde mij: "Je hebt gelijk,
ik moet je niet met andere oogen aanzien, omdat je rijk geworden
bent. Maar, om je eerlijk de waarheid te zeggen, was ik eigenlijk
verblind geworden door het verhaal van je gelukkig lot. Nu echter
zie ik weer niemand anders in je dan mijn vriend Gil Blas."
Ons onderhoud werd gestoord door de komst van vijf of zes ambtenaren
van het ministerie. "Mijne heeren," zei ik, Nunez voorstellende, "gij
zult vanavond soupeeren met don Fabricius, die verzen maakt, koning
Numa waardig en proza schrijft, zooals geen ander." Ongelukkig voor
hem, bekommerden die heeren zich al heel weinig om de poëzie. Zij
namen nauwelijks notitie van hem en of hij al trachtte door
allerlei geestige gezegden hunne aandacht te trekken, het baatte
hem niet. Hij was daardoor zoo verontwaardigd, dat hij plotseling in
stilte verdween. Mijn gasten zetten zich aan tafel, zonder zelfs te
informeeren, waar hij was gebleven.
Toen ik den volgenden morgen wilde uitgaan, kwam de dichter uit Asturië
mijn kamer binnen. "Ik vraag je verontschuldiging, mijn vriend,
dat ik gisteren zoo ongemerkt ben weggegaan, maar eerlijk gezegd,
voelde ik mij slecht op mijn plaats onder je gasten. Ik kan niet
begrijpen, dat een zoo verlicht man als jij, genoegen kan vinden in
zulk gezelschap. In het vervolg zal ik je ander en beter brengen."
"Dat zal mij genoegen doen," antwoordde ik, "en ik vertrouw in deze
zaak geheel op je smaak."
"Doe dat gerust, ik beloof je de meest geniale geesten. Over eenige
oogenblikken zullen mijn vrienden samenkomen, om een glaasje likeur
te drinken; ik zal hen opzoeken en uitnoodigen, dan kunnen ze zich
vrijhouden, want er is een wedstrijd om hen te dineeren en te soupeeren
te hebben. Zoo vermakelijk zijn zij."
Met deze woorden verliet hij mij en 's avonds, toen het tijd was
voor het souper, kwam hij terug met zes schrijvers, die hij mij onder
allerlei lofliederen den een na den ander voorstelde. Naar zijn woorden
te oordeelen, overtroffen deze schoone geesten die van Griekenland
en Italië. Hij zei, dat hunne werken verdienden gedrukt te worden in
gouden letters. Ik ontving de heeren zeer beleefd en putte mij uit
in betuigingen van hulde, want dat slag menschen is ijdel.
Hoewel ik niet aan Scipio gezegd had, dat het maal rijkelijk moest
zijn, had hij, wetende wie zijn gasten waren, gezorgd voor uitbreiding
van het personeel.
Eindelijk zetten wij ons in vroolijke stemming aan tafel. Mijn poëten
begonnen het onderhoud door over zichzelf te praten en zichzelf te
prijzen. Midden onder het souper begon ieder een stuk van zichzelf
voor te dragen. De een zei een sonnet op, een ander declameerde een
tragische scène en een derde leverde critiek op een comedie. Een
vierde wilde een ode van Anacreon voorlezen, vertaald in zeer slechte
Spaansche verzen. Hij werd in de rede gevallen door een van zijn
confraters, die zei, dat hij onjuiste uitdrukkingen bezigde. De
schrijver van de vertalingen gaf dat niet toe en er ontstond een
dispuut, waaraan al de groote geesten deelnamen. De meeningen waren
verdeeld, de partijen wonden zich op, men begon elkaar verschillende
voorwerpen van de tafel naar het hoofd te gooien. Maar het werd nog
erger, de heeren stonden van tafel op en begonnen elkaar met de vuisten
te slaan. Fabricius, Scipio, mijn lakeien en ik hadden moeite hen van
elkaar af te trekken. Toen zij van elkaar waren gescheiden, verlieten
ze mijn huis als een herberg, zonder mij de minste verontschuldiging
te maken over hunne onbeleefdheid.
"Welnu," zei ik tot Nunez, "roem je dat soort van gasten nu nog
zoo? Ik heb dan maar liever met mijn ambtenaren te doen. Spreek
mij maar niet meer van schrijvers en dichters." Hij antwoordde mij:
"Ik zal wel oppassen je andere te presenteeren. De heeren, die je
gezien hebt zijn nog de redelijkste."