HOOFDSTUK IX

Door welke middelen Gil Blas in korten tijd een aanzienlijk fortuin

maakte en welke airs hij aannam.

Die zaak had mij smaak erin gegeven en ik gaf Scipio tien pistolen,

om hem aan te moedigen tot nieuwe opsporingen. Zijn talenten in dit

opzicht heb ik reeds geroemd. De tweede klant, die hij mij aanbracht,

was een boekdrukker, die een werk van een confrater had nagedrukt en

op wiens uitgave beslag was gelegd. Voor driehonderd ducaten wist ik

hem te helpen, het beslag te doen opheffen en hem te vrijwaren voor

een zeer groote boete. Na den boekdrukker kreeg ik met een koopman te

doen. Een Portugeesch schip was in handen gevallen van een zeeroover

uit Barbarije en vervolgens weer genomen door een oorlogsschip uit

Cadix. Het twee derde gedeelte van de koopwaren, waarmee het beladen

was geweest, behoorde aan een koopman uit Lissabon, die ze opeischte en

nu aan het hof te Madrid een beschermer kwam zoeken. Ik interesseerde

mij voor die zaak en ontving vierhonderd pistolen.

Daarna hielp ik een drogist, die het privilege wilde hebben, om

gedurende tien jaren zekere drankjes in alle steden van Spanje te

verkoopen, met uitsluiting van alle anderen d. w. z. dat anderen die

in deze plaatsen niet zouden mogen verkoopen. Voor tweehonderd pistolen

kreeg hij uitsluitend recht om de wereld met zijn waar te bedriegen.

Ik ondervond de waarheid van het gezegde, dat de eetlust al etende

komt. Van den minister had ik zoo gemakkelijk de vier gunsten

verkregen, waarvan ik hierboven sprak, dat ik niet aarzelde hem een

vijfde te vragen. Een ridder uit Calatrava bood mij duizend pistolen

aan, indien ik hem gouverneur kon maken van de stad Vera, bij Granada.

De minister begon te lachen, toen ik met die zaak bij hem aankwam en

zei: "Mijn vriend Gil Blas, het schijnt dat de lust om uw naasten te

helpen zeer groot bij u is. Zoolang het slechts kleinigheden betrof,

heb ik daar niet zoo op gelet, maar wanneer het om grootere zaken gaat,

zult ge u in 't vervolg moeten tevreden stellen met de helft van het

profijt en mij de andere moeten geven. Ge kunt u niet voorstellen,

welk een kosten ik moet maken en wat ik noodig heb om mijn stand

met waardigheid op te houden. Niettegenstaande mijn belangeloosheid,

waarvoor ik overal bekend ben, kan ik toch niet zoo onvoorzichtig zijn,

om mijn persoonlijke belangen over het hoofd te zien".

Dit gesprek zette mij nog meer aan om op den ingeslagen weg voort te

gaan. Indien het mogelijk was geweest, zou ik graag overal hebben

laten publiceeren, dat zij die gunsten van het hof verwachtten,

zich slechts tot mij hadden te wenden. Ik ging den eenen kant uit en

Scipio den anderen. Gouverneurs werden er door mij gemaakt, ridderordes

verleend, in den adelstand verheven. Eenige goede avonturiers werden

in slechte edellieden veranderd door uitstekende adelbrieven. Ook de

geestelijkheid wilde ik van mijn weldaden doen genieten. Maar ik moest

mij bepalen tot de kleinere posten, de grootere van bisschoppen en

aartsbisschoppen waren het terrein van Calderone. De personen, die

wij kozen, waren natuurlijk niet altijd de bekwaamste en de beste

en wij wisten wel, dat men ons in Madrid niet onbesproken liet,

maar wij troostten ons als gierigaards met het gezicht van het goud.

Isocrates heeft gelijk, dat hij de onmatigheid en de dwaasheid de

trouwe metgezellen noemt van de rijken. Toen ik dertigduizend ducaten

bijeen had en kans zag om misschien nog tienmaal meer te krijgen,

meende ik voor de wereld op meer waardige wijze mijn positie als

vertrouweling van den eersten minister te moeten ophouden. Ik huurde

een groot huis, meubileerde het keurig, kocht een rijtuig, stelde een

koetsier aan en drie lakeien en daar het rechtvaardig is, om zijn

oude bedienden te bevorderen, verhief ik Scipio tot de driedubbele

waardigheid van kamerdienaar, secretaris en intendant. Het toppunt

was voor mij, dat de minister goedvond, dat mijn personeel livrei

droeg. Het scheelde weinig, of ik had mij verbeeld een bloedverwant

van den hertog te zijn. Ik stelde mij in het hoofd, dat ik daar

misschien wel voor doorging, of misschien gehouden werd voor een van

zijn bastaards, wat ik als een groote eer zou hebben beschouwd.

Het voorbeeld volgende van mijn meester, wilde ik ook bezoek

ontvangen. Ik belastte Scipio met de zorg een uitstekenden kok voor

mij te zoeken en vulde mijn kelder met de fijnste wijnen. Iederen

avond kwamen er nu hoofd-ambtenaren van het ministerie bij mij

soupeeren. Scipio had ik het recht gegeven, om in zijn verblijf

zijn kennissen op mijn kosten te onthalen. Hij hielp mij om geld

te verdienen en verstond ook uitstekend de kunst om het weer uit te

geven. Dat schaadde mij echter niet, want ik zag van dag tot dag mijn

fortuin toenemen.

Mijn ijdelheid verlangde alleen nog maar om Fabricius getuige te doen

zijn van dit weelderige leven. Ik twijfelde er niet aan, of hij was

terug uit Andaloesië en om mij het genoegen te geven hem te verrassen,

liet ik hem een anoniem briefje toekomen, waarin ik hem meedeelde,

dat een heer uit Sicilië hem te soupeeren vroeg. Ik gaf hem den dag,

het uur en de plaats aan, waar hij zich moest bevinden. De plaats van

samenkomst was bij mij. Nunez kwam en was buitengewoon verbaasd, dat

ik de vreemde heer was, die hem had uitgenoodigd. Ik zei: "Ja, mijn

vriend, ik ben meester in dit huis, ik houd een equipage, een goede

tafel en heb bovendien een brandkast." "Hoe is het mogelijk!" riep

hij, "dat ik je terug zie in zooveel weelde. Wat ben ik blij, dat ik

je die betrekking heb bezorgd bij graaf Galiano! Ik zeide je wel,

dat hij een edelmoedig man was en dat het je wel goed zou gaan bij

hem. Je hebt zeker den wijzen raad gevolgd, dien ik je heb gegeven en

den hofmeester de vrije hand gelaten. Ik wensch je er hartelijk geluk

mee. Wanneer de intendanten in groote huizen zoo voorzichtig zijn,

worden ze niet rijk."

Ik liet Fabricius zich er eerst op beroemen, zooveel hij wilde, dat

hij mij die plaats bij graaf Galiano had bezorgd; om zijn vreugde te

temperen, deelde ik hem daarna mee, met welke bewijzen van dankbaarheid

die heer mijn diensten had beloond.

"Maar ik vergeef den Siciliaan zijn ondankbaarheid. Ik heb eerder

reden, om mij er over te verheugen, dan te beklagen, want als de graaf

niet zoo slecht met mij had gehandeld, zou ik nu in zijn dienst zijn

in Sicilië en misschien in een onzekere positie. In één woord ik zou

niet de vertrouweling zijn van den hertog de Lerme."

Nunez was zoo levendig getroffen door die laatste woorden, dat hij

de eerste oogenblikken niet kon spreken. "Heb ik goed gehoord? Heb

je het vertrouwen van den eersten minister?" "Ja, ik deel dat met

don Rodrigo de Calderone en naar alle waarschijnlijkheid zal ik het

ver brengen." "Waarlijk, mijnheer de Santillano," antwoordde hij,

"ik bewonder u. Ge zijt bekwaam om alle posten te vervullen. Wat een

talenten vereenigt gij in u! Overigens mijnheer, moet ik u zeggen,

dat ik mij zeer verheug in uw voorspoed."

"Loop naar den duivel, Nunez, met dat mijnheer spelen. Laat ons

familiair zijn als vroeger." Hij antwoordde mij: "Je hebt gelijk,

ik moet je niet met andere oogen aanzien, omdat je rijk geworden

bent. Maar, om je eerlijk de waarheid te zeggen, was ik eigenlijk

verblind geworden door het verhaal van je gelukkig lot. Nu echter

zie ik weer niemand anders in je dan mijn vriend Gil Blas."

Ons onderhoud werd gestoord door de komst van vijf of zes ambtenaren

van het ministerie. "Mijne heeren," zei ik, Nunez voorstellende, "gij

zult vanavond soupeeren met don Fabricius, die verzen maakt, koning

Numa waardig en proza schrijft, zooals geen ander." Ongelukkig voor

hem, bekommerden die heeren zich al heel weinig om de poëzie. Zij

namen nauwelijks notitie van hem en of hij al trachtte door

allerlei geestige gezegden hunne aandacht te trekken, het baatte

hem niet. Hij was daardoor zoo verontwaardigd, dat hij plotseling in

stilte verdween. Mijn gasten zetten zich aan tafel, zonder zelfs te

informeeren, waar hij was gebleven.

Toen ik den volgenden morgen wilde uitgaan, kwam de dichter uit Asturië

mijn kamer binnen. "Ik vraag je verontschuldiging, mijn vriend,

dat ik gisteren zoo ongemerkt ben weggegaan, maar eerlijk gezegd,

voelde ik mij slecht op mijn plaats onder je gasten. Ik kan niet

begrijpen, dat een zoo verlicht man als jij, genoegen kan vinden in

zulk gezelschap. In het vervolg zal ik je ander en beter brengen."

"Dat zal mij genoegen doen," antwoordde ik, "en ik vertrouw in deze

zaak geheel op je smaak."

"Doe dat gerust, ik beloof je de meest geniale geesten. Over eenige

oogenblikken zullen mijn vrienden samenkomen, om een glaasje likeur

te drinken; ik zal hen opzoeken en uitnoodigen, dan kunnen ze zich

vrijhouden, want er is een wedstrijd om hen te dineeren en te soupeeren

te hebben. Zoo vermakelijk zijn zij."

Met deze woorden verliet hij mij en 's avonds, toen het tijd was

voor het souper, kwam hij terug met zes schrijvers, die hij mij onder

allerlei lofliederen den een na den ander voorstelde. Naar zijn woorden

te oordeelen, overtroffen deze schoone geesten die van Griekenland

en Italië. Hij zei, dat hunne werken verdienden gedrukt te worden in

gouden letters. Ik ontving de heeren zeer beleefd en putte mij uit

in betuigingen van hulde, want dat slag menschen is ijdel.

Hoewel ik niet aan Scipio gezegd had, dat het maal rijkelijk moest

zijn, had hij, wetende wie zijn gasten waren, gezorgd voor uitbreiding

van het personeel.

Eindelijk zetten wij ons in vroolijke stemming aan tafel. Mijn poëten

begonnen het onderhoud door over zichzelf te praten en zichzelf te

prijzen. Midden onder het souper begon ieder een stuk van zichzelf

voor te dragen. De een zei een sonnet op, een ander declameerde een

tragische scène en een derde leverde critiek op een comedie. Een

vierde wilde een ode van Anacreon voorlezen, vertaald in zeer slechte

Spaansche verzen. Hij werd in de rede gevallen door een van zijn

confraters, die zei, dat hij onjuiste uitdrukkingen bezigde. De

schrijver van de vertalingen gaf dat niet toe en er ontstond een

dispuut, waaraan al de groote geesten deelnamen. De meeningen waren

verdeeld, de partijen wonden zich op, men begon elkaar verschillende

voorwerpen van de tafel naar het hoofd te gooien. Maar het werd nog

erger, de heeren stonden van tafel op en begonnen elkaar met de vuisten

te slaan. Fabricius, Scipio, mijn lakeien en ik hadden moeite hen van

elkaar af te trekken. Toen zij van elkaar waren gescheiden, verlieten

ze mijn huis als een herberg, zonder mij de minste verontschuldiging

te maken over hunne onbeleefdheid.

"Welnu," zei ik tot Nunez, "roem je dat soort van gasten nu nog

zoo? Ik heb dan maar liever met mijn ambtenaren te doen. Spreek

mij maar niet meer van schrijvers en dichters." Hij antwoordde mij:

"Ik zal wel oppassen je andere te presenteeren. De heeren, die je

gezien hebt zijn nog de redelijkste."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 36 / 98 题