Verhaal van Don Roger de Rada.
Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de
stad Antequerre, met dona Estéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht
en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van
natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen
aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij
had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde
daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als
neef van Estéfania vrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was,
dien hij had moeten wantrouwen.
Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun
bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde,
bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een
scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield
zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag
en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden,
dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja
hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen
dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem
toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit
maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken
en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.
Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij
zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist, dat don Anastasio
jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard
het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin
wandelde, zei hij op treurigen toon: "Waarde vriend, ik kan niet
langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u
niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is
dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat,
gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor
een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed
doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats."
"Ik begrijp u al," viel don Anastasio hem in de rede, "uw nicht is
mij ontrouw geworden."
"Ik erken haar niet meer als mijn nicht," hernam Huberto met een
schijnheilig gezicht. "Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw
vrouw te zijn." "Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania
gedaan?" riep de ongelukkige man.
"Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim
ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis
van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij
was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan
ik zeker ben. 't Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat
ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt
en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie
het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij
niet kunt offeren aan uw eer."
De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot
tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige
kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan,
dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij
wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich
gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande,
die hij over zijn eerlijke familie bracht, zonder zelfs medelijden
te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het
hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon:
"Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om
te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel
te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je
je eer hebt verloren."
Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk
verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: "Wat is
er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij
dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geen reden voor!"
"Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen,
die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto...."
"O!" viel zij hem in de rede. "Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je
vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft."
"Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder
je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat
hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!"
"Maar wordt toch kalm," smeekte zij, "geef mij ten minste tijd om
te spreken!"
Hij wilde toesteken.
"Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan
je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde
schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind
zal rechtvaardiging eischen!"
Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk
neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween
uit Antequerre.
De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond
liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De
bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde
de wond niet voor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie
maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge
hier voor u.
Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet
spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel
werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch
echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto
de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was
geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich
half gewroken en zag haar niet meer.
Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding,
maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk
op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen
van Granada en Sévilla heb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte
met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto
zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee,
wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal
op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een
lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.
Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste
blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde
als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover
de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd
aan den hemel, aan don Anastasio, Estéfania en mij. Ik achtte het niet
geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in
Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.
Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten
bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena
een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en
maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen
op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije. De wind
was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.
Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig
waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk,
die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.
Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat
antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat
ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij
antwoordde: "Helaas, 't is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te
voldoen. 't Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten,
waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt
zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio
de Rada".
"Gerechte hemel," riep ik uit. "Dan zijt gij mijn vader". Geheel
ontdaan riep hij: "Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind
zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar
aan mijn woede opofferde?" Ik antwoordde: "Ja, vader, ik ben het kind,
dat de deugdzame Estéfania ter wereld bracht, drie maanden na dien
rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet."
Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich
in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn
moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van
zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld,
dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe
vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het
verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had
gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar
Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra
twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn
avonturen en ik luisterde daarnaar met levendige belangstelling. Na
verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.
Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den
man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo
wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in
berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats
van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar
had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.
De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze
wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets
onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog
dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te
krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister,
welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen."
De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik
beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens
hulp ik wel durfde verzekeren.
Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich
bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: "Don Roger, ik
ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die
uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te
verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde
eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den
vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal
niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend,
die zich met het overige zal belasten."
Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien
dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan
terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij
minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok
uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was
nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.