HOOFDSTUK VIII

Verhaal van Don Roger de Rada.

Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de

stad Antequerre, met dona Estéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht

en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van

natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen

aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij

had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde

daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als

neef van Estéfania vrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was,

dien hij had moeten wantrouwen.

Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun

bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde,

bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een

scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield

zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag

en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden,

dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja

hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen

dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem

toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit

maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken

en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.

Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij

zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist, dat don Anastasio

jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard

het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin

wandelde, zei hij op treurigen toon: "Waarde vriend, ik kan niet

langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u

niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is

dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat,

gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor

een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed

doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats."

"Ik begrijp u al," viel don Anastasio hem in de rede, "uw nicht is

mij ontrouw geworden."

"Ik erken haar niet meer als mijn nicht," hernam Huberto met een

schijnheilig gezicht. "Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw

vrouw te zijn." "Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania

gedaan?" riep de ongelukkige man.

"Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim

ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis

van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij

was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan

ik zeker ben. 't Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat

ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt

en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie

het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij

niet kunt offeren aan uw eer."

De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot

tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige

kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan,

dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij

wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich

gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande,

die hij over zijn eerlijke familie bracht, zonder zelfs medelijden

te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het

hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon:

"Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om

te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel

te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je

je eer hebt verloren."

Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk

verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: "Wat is

er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij

dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geen reden voor!"

"Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen,

die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto...."

"O!" viel zij hem in de rede. "Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je

vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft."

"Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder

je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat

hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!"

"Maar wordt toch kalm," smeekte zij, "geef mij ten minste tijd om

te spreken!"

Hij wilde toesteken.

"Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan

je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde

schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind

zal rechtvaardiging eischen!"

Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk

neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween

uit Antequerre.

De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond

liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De

bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde

de wond niet voor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie

maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge

hier voor u.

Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet

spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel

werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch

echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto

de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was

geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich

half gewroken en zag haar niet meer.

Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding,

maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk

op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen

van Granada en Sévilla heb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte

met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto

zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee,

wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal

op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een

lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.

Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste

blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde

als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover

de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd

aan den hemel, aan don Anastasio, Estéfania en mij. Ik achtte het niet

geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in

Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.

Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten

bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena

een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en

maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen

op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije. De wind

was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.

Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig

waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk,

die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.

Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat

antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat

ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij

antwoordde: "Helaas, 't is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te

voldoen. 't Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten,

waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt

zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio

de Rada".

"Gerechte hemel," riep ik uit. "Dan zijt gij mijn vader". Geheel

ontdaan riep hij: "Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind

zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar

aan mijn woede opofferde?" Ik antwoordde: "Ja, vader, ik ben het kind,

dat de deugdzame Estéfania ter wereld bracht, drie maanden na dien

rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet."

Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich

in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn

moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van

zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld,

dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe

vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het

verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had

gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar

Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra

twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn

avonturen en ik luisterde daarnaar met levendige belangstelling. Na

verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.

Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den

man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo

wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in

berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats

van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar

had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.

De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze

wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets

onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog

dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te

krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister,

welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen."

De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik

beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens

hulp ik wel durfde verzekeren.

Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich

bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: "Don Roger, ik

ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die

uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te

verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde

eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den

vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal

niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend,

die zich met het overige zal belasten."

Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien

dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan

terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij

minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok

uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was

nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 35 / 98 题