HOOFDSTUK VII

Van het gebruik, dat hij van zijn vijftienhonderd ducaten maakte;

van de eerste zaak, waarin hij zich mengde en welk voordeel die voor

hem opleverde.

Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst

naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat,

dadelijk werd uitbetaald.

Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de

war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde

komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor

secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor

die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna

liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder

noodig had.

Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent

Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen,

die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus

kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel

presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo

zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende

Ambrosius de Lamela te zien. "Ik houd niet," zei ik tegen Florero,

"van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht

geworden door zoo een."

De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig

beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand

moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet,

hij bleek al spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij

toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten

zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor

mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn

lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van

den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame

haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.

Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen

van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij:

"Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een

jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor

een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij

is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik

heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don

Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik

heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten

met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart

met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele

toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder

dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen

van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken,

dat hij morgen vroeg bij u komt."

"Wel Scipio," zei ik, "hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit,

dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar,

dat ge er niet rijker door zijt."

"Dat moet u niet verbazen", antwoordde hij. "Ik houd ervan om het

geld te laten rollen. Sparen kan ik niet."

Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met

beleefdheid, gemengd met zekeren trots. "Mijnheer, voor ik mij verbind

om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar

het hof voert, want ze zou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet

met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles

en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden."

"Gaarne," antwoordde hij, "zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal

doen van mijn lotgevallen."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 34 / 98 题