Van het gebruik, dat hij van zijn vijftienhonderd ducaten maakte;
van de eerste zaak, waarin hij zich mengde en welk voordeel die voor
hem opleverde.
Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst
naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat,
dadelijk werd uitbetaald.
Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de
war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde
komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor
secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor
die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna
liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder
noodig had.
Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent
Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen,
die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus
kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel
presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo
zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende
Ambrosius de Lamela te zien. "Ik houd niet," zei ik tegen Florero,
"van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht
geworden door zoo een."
De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig
beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand
moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet,
hij bleek al spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij
toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten
zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor
mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn
lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van
den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame
haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.
Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen
van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij:
"Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een
jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor
een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij
is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik
heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don
Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik
heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten
met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart
met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele
toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder
dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen
van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken,
dat hij morgen vroeg bij u komt."
"Wel Scipio," zei ik, "hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit,
dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar,
dat ge er niet rijker door zijt."
"Dat moet u niet verbazen", antwoordde hij. "Ik houd ervan om het
geld te laten rollen. Sparen kan ik niet."
Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met
beleefdheid, gemengd met zekeren trots. "Mijnheer, voor ik mij verbind
om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar
het hof voert, want ze zou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet
met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles
en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden."
"Gaarne," antwoordde hij, "zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal
doen van mijn lotgevallen."