Hoe Gil Blas zijn armoede kenbaar maakte aan den hertog de Lerme;
op welke wijze deze daarna met hem handelde.
Wanneer de koning op het Escuriaal was, werd iedereen vrijgehouden,
zoodat ik daar mijn armoede niet voelde. De minister was gewoon
's morgens vroeg op te staan en op een morgen nam hij me mee naar
den tuin, om eenige papieren met hem door te lezen. Hij beval mij te
gaan zitten als een man, die met het papier op zijn knieën aan het
schrijven is terwijl hijzelf een papier in zijn hand hield, waaruit
hij z.g. las. Het had den schijn of we ernstig bezig waren terwijl we
inderdaad allerlei kletspraatjes hielden. Want daar was Z. Excellentie
niet afkeerig van. Wij zaten op een bank, toen twee eksters in
de boomen boven ons hoofd begonnen te vechten en daarbij zulk een
spektakel maakten, dat het onze aandacht trok. "Ik zou wel eens willen
weten, waarover de strijd loopt," zei de hertog. "Excellentie," zei ik,
"uw nieuwsgierigheid brengt mij een Indische fabel in gedachten, die
ik gelezen heb bij Pilpay of een anderen fabeldichter." De minister
vroeg mij hoe die fabel luidde en ik vertelde hem:
"Er heerschte in oude tijden in Perzië een goede koning, die echter
niet verstandig genoeg was, om zijn staten zelf te regeeren en de
zorg daarvan overliet aan zijn grootvizier. Die minister, Atalmuc
genaamd, was een buitengewoon wijs man. Hij regeerde in vrede en
verstond de kunst, om het koninklijk gezag tegelijkertijd te doen
respecteeren en bemind te maken. De onderdanen hadden in dien vizier,
die trouw bleef aan den vorst, een goeden vader. Altamuc had onder
zijn secretarissen een jongen man uit Cachemir, genaamd Zéangir,
die zijn gunsteling was. Hij praatte gaarne met hem, nam hem mee op
jacht en deelde hem zelfs zijn geheimste gedachten mee. Op een dag,
dat ze samen in een bosch jaagden, hoorde de vizier twee raven, die op
een boom krijschten en hij zei tot zijn secretaris: "ik zou wel eens
willen weten, wat die vogels elkaar nu in hun taal zeggen." Zéangir
antwoordde: "Ik ben in staat om aan uw verlangen te voldoen, want
een oude derwisch heeft mij de taal van de vogels geleerd. Indien u
wilt, zal ik die vogels beluisteren en u woord voor woord herhalen,
wat ik hen heb hooren zeggen."
De vizier stemde erin toe. Zéangir naderde de vogels en scheen
oplettend te luisteren. Terugkomende zei hij tot zijn meester: "Wilt
u wel gelooven, dat wij het onderwerp van hun gesprek uitmaken?" De
minister riep: "Dat is niet mogelijk! En wat zeiden ze dan wel?" "Een
van hen," hernam de secretaris, "heeft gezegd: daar ziet ge nu den
grootvizier Atalmuc, dien arend, die met zijn vleugelen Perzië bedekt
als een nest en onafgebroken waakt over het welzijn van het land. Om
een weinig ontspanning te hebben bij zijn zwaar werk, jaagt hij
thans in dit bosch met zijn getrouwen Zéangir. Wat is die secretaris
gelukkig, een meester te hebben, die zoo goed voor hem is! Zacht wat,
zacht wat! viel de andere raaf hem in de rede. Prijs het geluk van dien
jongen man niet te veel! 't Is waar, Atalmuc is familiair met hem,
vereert hem met zijn vertrouwen en ik twijfel er zelfs niet aan, of
hij heeft het voornemen hem later een goede betrekking te geven, maar
voor dien tijd zal Zéangir van honger zijn gestorven. Die arme jongen
woont op een klein kamertje, waar hem het noodigste ontbreekt. In
één woord, hij leidt een ellendig leven, zonder dat iemand aan het
hof het merkt. De grootvizier geeft zich niet de moeite naar zijn
omstandigheden te informeeren, hij is hem genegen, maar laat hem aan
armoede ten prooi."
Hier hield ik met spreken op en keek den hertog de Lerme aan,
die mij glimlachend vroeg, welken indruk dat verhaal op Atalmuc
maakte en of hij niet beleedigd was door de stoutmoedigheid van den
secretaris. "Neen, Excellentie," antwoordde ik, een weinig van mijn
stuk gebracht door die vraag, "de fabel zegt integendeel, dat hij
hem met weldaden overlaadde." "Dat is gelukkig," hernam de hertog
op ernstigen toon; "er zijn ministers, die het niet goed zouden
vinden, wanneer men hun de les las. Maar," voegde hij er aan toe,
het onderhoud afbrekende en opstaande, "ik geloof, dat de koning mij
al wacht." Hij ging met groote stappen naar het paleis, zonder verder
met mij te spreken en naar het scheen zeer slecht gestemd door mijn
Indische fabel.
Ik ging naar het vertrek, waar de twee secretarissen-copiïsten
werkten, want zij waren ook meegegaan op reis. "Wat is er, mijnheer
de Santillano?" vroegen zij, toen ze mij zagen, "u ziet er zoo bedrukt
uit! Is er iets onaangenaams voorgevallen?"
Ik was te veel vervuld van de slechte uitwerking van mijn verhaal,
om hun mijn verdriet te verbergen, dus deelde ik mee, wat er was
gebeurd. Een van hen zei: "Ge hebt wel reden om u te beklagen, de
minister neemt soms zulke dingen verkeerd op." De ander voegde eraan
toe: "Dat is maar al te waar. Maar wilt ge beter behandeld worden dan
een van de secretarissen van kardinaal Spinoza werd? Die man had in de
vijftien maanden, dat hij werkte, niets ontvangen en nam op zekeren
dag de vrijheid zijn meester iets te vragen om van te leven. "Het
is billijk," zei de kardinaal, "dat ge betaald wordt. Hier hebt ge
een mandaat waarop u bij den schatmeester duizend ducaten zullen
worden uitbetaald. Maar van dit oogenblik af heb ik uw diensten
niet meer noodig." De secretaris zou zich er over getroost hebben,
dat hij werd ontslagen, indien hij zijn duizend ducaten had kunnen
ontvangen en elders een betrekking zoeken; maar het huis van den
kardinaal verlatende, wachtte hem een gerechtsdienaar op, die hem
naar den toren van Ségovia bracht, waar men hem lang gevangen hield."
Deze historie verdubbelde mijn vrees. Ik meende, dat ik verloren was,
verweet mijzelf, dat ik niet langer geduld had gehad, dat het veel
beter zou zijn geweest mijn dieet maar voort te zetten en dat ik maar
liever van honger had moeten sterven.
Indien ik nog eenige hoop had behouden, dan ontnam mijn meester mij
die in den namiddag. Hij was zeer ernstig, en sprak tegen mij uit
de hoogte, wat mij een doodelijke onrust gaf. Den nacht bracht ik
zeer onrustig door; de spijt over al mijn vervlogen illusies en de
vrees staatsgevangen te worden gemaakt, deden mij niets als klagen
en zuchten.
Den volgenden dag was het de crisis. De hertog liet mij in den morgen
roepen. Ik kwam zijn kamer binnen, bevende als een misdadiger, die
zijn vonnis afwacht.
"Santillano," zei hij, een papier toonende, dat hij in de hand had,
"neem dit mandaat...." Ik huiverde bij het woord mandaat, en dacht: o,
Hemel, de kardinaal Spinoza. Het rijtuig van Ségovia staat klaar. De
schrik greep mij zoo aan, dat ik den minister in de rede viel,
mij aan zijne voeten wierp en meer kermde dan sprak: "Excellentie,
ik vraag u zeer nederig om mijn stoutmoedigheid te verschoonen. De
noodzakelijkheid heeft mij er toe gebracht, u mijn armoede mede
te deelen."
De hertog kon niet nalaten te lachen, toen hij mij zoo ontdaan zag
en zei: "Wees bedaard, Gil Blas. Hoewel je door mij je behoeftige
omstandigheden mede te deelen, mij er een verwijt van hebt gemaakt,
dat ik daarin niet voorzien heb, neem ik je dit niet kwalijk. De fout
blijft bij mij, dat ik je niet gevraagd heb, hoe je leefde. Maar om die
te herstellen, geef ik je hierbij een mandaat voor vijftienhonderd
ducaten, die je zullen worden uitbetaald bij den koninklijken
schatmeester. Dat is niet alles, ik beloof je ieder jaar dezelfde
som. En wanneer soms rijke en edelmoedige menschen je zullen vragen
hun diensten te bewijzen, verbied ik je niet ten hunnen gunste met
mij te spreken".
Verrukt over die woorden wilde ik wel de voeten kussen van den
minister, die weer op zijn gewonen familiairen toon tegen mij begon
te spreken. Hij zei me, dat hij eens had willen zien hoe ik die
verandering zou opnemen en dat hij daarom op koelen toon tegen mij
was gaan spreken; daardoor was hij opnieuw overtuigd geworden, dat
ik zeer aan hem was gehecht.