Waarin men Gil Blas ziet overladen met vreugde, eer en ellende.
Men bemerkte weldra aan het hof de genegenheid, die de minister voor
mij had. Hij bewees mij die in het openbaar, door mij te belasten
met zijn portefeuille, die hij anders altijd zelf droeg, als hij
naar den ministerraad ging. Mijn buren, de twee secretarissen, waren
niet de laatsten, om mij te complimenteeren met mijn toekomstige
grootheid. Ze noodigden mij uit, te komen soupeeren bij hunne weduwe,
niet zoozeer als tegenbeleefdheid, dan wel omdat ze meenden, dat ik
hen van dienst kon zijn. Zelfs de trotsche don Rodrigo veranderde
van houding tegenover mij. Hij noemde mij nooit anders dan mijnheer
de Santillano en was zeer beleefd tegen mij, vooral als mijn patroon
er bij was. Maar ik verzeker u, dat hij niet met een idioot te doen
had. Ik beantwoordde zijn beleefdheden te vormelijker naarmate ik
hem meer haatte. Een oude hoveling zou het mij niet verbeterd hebben.
Ik vergezelde mijn meester ook als hij naar den koning ging, dien hij
gewoonlijk driemaal per dag bezocht. 's Morgens ging hij er heen,
als de koning nog te bed lag. Hij ging dan op zijn knieën aan het
voeteneinde van het bed liggen, besprak met Z. M. wat hij te doen
had dien dag en dicteerde hem wat hij te zeggen had. Daarna ging
hij weg. 's Middags keerde hij er terug, niet om over staatszaken te
spreken, maar om allerlei nieuwtjes te vertellen, die den minister
werden aangebracht door personen, die hij daarvoor betaalde. En
eindelijk zag hij den koning 's avonds voor de derde maal, om hem
rekenschap te geven van hetgeen hij dien dag had gedaan. Terwijl hij
bij den koning was, bleef ik gewoonlijk in de anti-chambre.
Op zekeren dag had ik alle reden tot ijdelheid. De koning, tot wien
de hertog gesproken had over mijn stijl, was benieuwd daarvan een
staaltje te zien. Dus moest ik een van de registers halen en den
koning de eerste memorie voorlezen, die ik had geredigeerd. Maakte de
aanwezigheid van den vorst mij eerst verlegen, die van den minister
stelde mij gerust en met duidelijke stem las ik mijn werk voor, dat
den vorst goed beviel. Hij betuigde mij zijn tevredenheid en drukte
den minister op het hart mij verder voort te helpen.
Niet minder trotsch was ik na een onderhoud, dat ik een paar dagen
later had met den graaf de Lemos. Ik moest hem bezoeken met een brief
van mijn meester, waarin deze zijn neef mededeelde, dat hij met mij
kon spreken, als met iemand, die op de hoogte was van hunne plannen
en in het vervolg als tusschenpersoon tusschen hen zou optreden. Na
dien brief gelezen te hebben, bracht hij me in zijn kamer, waar hij
tot me zei: "Daar ge het vertrouwen bezit van den hertog de Lerme,
dat ge zonder twijfel verdient, heb ik volstrekt geen bezwaar u ook
het mijne te schenken. Ik kan u dan zeggen, dat de zaken uitstekend
gaan. De prins onderscheidt mij boven alle heeren van zijn gevolg,
die beproeven hem te behagen. In een onderhoud, dat ik vanmorgen met
hem had, toonde hij zich verdrietig, dat hij door de gierigheid van
den koning geen gevolg kan geven aan de ingevingen van zijn edelmoedig
hart. Hij beklaagde zich dat hij niet overeenkomstig zijn stand als
prins kon leven. Natuurlijk heb ik met hem meegepraat, hem beklaagd
en hem beloofd, dat ik hem morgen vroeg duizend pistolen zou brengen,
in afwachting van grootere sommen, die ik hem kan verschaffen. Hij
was zeer verheugd over mijn belofte. Ga hetgeen ik u heb meegedeeld
thans aan mijn oom vertellen."
Ik verliet den graaf de Lemos en bracht mijn rapport bij den minister,
die mij naar Calderone stuurde, om duizend pistolen te vragen, die ik
's avonds aan den graaf bracht. Ik dacht: "nu is het mij duidelijk,
welk een onfeilbaar middel de minister heeft, om in zijn onderneming
te slagen. Maar hij heeft gelijk en ik geloof niet, dat zijn mildheid
hem zal ruïneeren. 't Is gemakkelijk te raden uit wiens kist hij die
schoone pistolen neemt, maar is het eigenlijk niet zooals het behoort,
dat een vader zijn zoon onderhoudt?"
Toen ik den graaf het geld had gebracht, zei hij me bij het weggaan:
"Adieu, mijn beste vertrouweling! De prins houdt nog al veel van
vrouwen en dezer dagen zal ik daar eens nader met u over spreken. Het
kan wel zijn, dat ik u binnenkort noodig heb."
Wat een eer voor mij, dat ik ook in de galante avonturen van den
erfgenaam van den troon een rol zou spelen! Ik had de prachtigste
vooruitzichten en ik zou de gelukkigste mensch zijn geweest van de
wereld indien de eerzucht mij maar behoed had voor den honger. Al
sinds twee maanden had ik mijn mooie kamer verlaten en bewoonde ik een
zeer bescheiden vertrekje. Maar dat hinderde mij minder, omdat ik er
's morgens vroeg uitging en alleen terugkeerde, om er 's nachts te
slapen. Den geheelen dag was ik op mijn tooneel, d. w. z. bij den
hertog. Ik speelde er een rol van grooten mijnheer; maar keerde ik
's avonds op mijn kamertje terug, dan bleef er niets over, dan de
arme Gil Blas zonder geld en wat erger is, zonder middelen om het mij
te verschaffen. Ik was te trotsch om aan iemand mijn nooddruft mee
te deelen; ik kende niemand, die mij zou kunnen helpen dan Joseph
Navarro en tot hem durfde ik mij niet wenden, omdat ik hem in den
laatsten tijd sedert ik aan het hof kwam te veel had verwaarloosd. Ik
was verplicht geweest mijn goed stuk voor stuk te verkoopen; alleen
het hoognoodige aan kleeren had ik overgehouden. Naar de restauratie
ging ik niet meer, omdat ik het niet kon betalen. Wat ik dan deed,
om te blijven bestaan? Ik zal het u zeggen. Iederen morgen werd er in
ons bureau voor ontbijt brood gebracht en een beetje wijn. Dat was
alles, wat de minister ons liet geven en daarvan leefde ik op den
dag. 's Avonds ging ik meestal naar bed, zonder te hebben gesoupeerd.
Zoo was de toestand van een man, die aan het hof schitterde en die
meer beklaagd moest worden dan benijd. Dat ellendige leven kon echter
niet lang meer duren en ik besloot er met den hertog de Lerme over
te spreken, zoodra zich de gelegenheid zou aanbieden. Gelukkig deed
zich die voor in het Escuriaal, waar de koning en de prins eenige
dagen later heengingen.