HOOFDSTUK III

Hij verneemt, dat er aan zijn betrekking ook onaangenaamheden zijn

verbonden. Van de onrust, die hem deze tijding gaf en de houding,

die hij verplicht was aan te nemen.

Ik zorgde ervoor, dat de restaurateur dadelijk wist, dat ik een van

de secretarissen was van den eersten minister.

Op twintig passen afstands was er een hotel, waar meestal vreemde

heeren logeerden, ik huurde een mooie gemeubileerde kamer en betaalde

een maand vooruit.

Daarna ging ik weer aan mijn werk. Naast mijn kabinet was een kamer,

waarin twee secretarissen zaten, die alles in het net moesten

overschrijven, wat de minister hun te copieeren bracht. Ik maakte

kennis met hen en om op een vriendschappelijken voet te komen,

noodigde ik hen 's avonds uit om met mij te soupeeren. Ik bestelde

bij mijn restaurateur de beste schotels en den fijnsten wijn.

Wij gingen aan tafel en het gesprek was meer vroolijk dan geestig,

want het bleek mij al spoedig, dat mijn collega's hunne plaatsen niet

te danken hadden aan hun groot verstand en dat ze weinig anders kenden

dan mooie ronde letters schrijven.

Uit hun gesprekken bleek mij overigens, dat zij er niet zulk een

groote eer in stelden in dienst te zijn van den eersten minister. Zij

beklaagden zich over hun positie. De een zei: "'t Is nu al vijf maanden

dat ik werk, zonder eenig salaris te hebben ontvangen en wat erger is,

onze salarissen zijn niet geregeld." De ander voegde er aan toe: "Wat

mij betreft, zou ik wel ergens anders een betrekking willen zoeken,

maar ik durf niet weg te loopen, noch mijn ontslag te vragen, want

na alle geheimen, die ik heb overgeschreven, zou men mij wel eens

naar een of andere gevangenis kunnen sturen."

"Maar hoe kunt ge dan leven?" vroeg ik.

Ze antwoordden mij, dat ze, gelukkig voor hen, hun intrek hadden

genomen bij een eerlijke weduwe, die hun kost en inwoning op crediet

gaf en niet meer dan honderd pistolen per jaar daarvoor rekende.

Al mijn verwachtingen waren door die mededeelingen als rook

verdwenen. Ik had geen reden om te denken, dat men mij op andere

wijze zou behandelen dan mijn collega's en was dus weinig ingenomen

met mijn betrekking, die heel wat minder soliede was, dan ik mij had

voorgesteld en ik besloot om zeer zuinig te zijn. Het speet mij al,

dat ik die heeren had meegenomen, om op mijn kosten te eten.

Daar ik hun niets meer te drinken aanbood, scheidden wij. Zij gingen

naar hun weduwe en ik naar mijn mooie kamer, die ik, zeer tot mijn

leedwezen, had gehuurd en aan het einde van de maand weer hoopte te

verlaten. Al lag ik in een heel mooi bed, ik kon 's nachts maar weinig

slapen. Ik dacht aan den raad van Monteser en besloot mij te wenden

tot don Rodrigo de Calderone. Daar ik gevoelde dat ik hem noodig had,

was ik juist in de stemming om voor dien trotschen heer te verschijnen.

Zijn woning grensde aan die van den minister en geleek die,

wat weelderige inrichting aanging. Men had moeite onderscheid

te vinden tusschen de meubelen van den meester en die van zijn

ondergeschikte. Ik liet mij aandienen als de opvolger van don Valerio,

wat niet verhinderde, dat ik meer dan een uur in een zijkamer moest

wachten. Eindelijk werd ik toegelaten. Noch voor den aartsbisschop van

Granada, noch voor graaf Galiano, noch zelfs voor den eersten minister

was ik zóó eerbiedig verschenen, als voor den heer Calderone. Ik boog

zoo diep mogelijk en vroeg hem zijn protectie in woorden, die ik mij

later niet zonder schaamte herinnerde, zoo onderdanig waren ze geweest.

Op een minder trotschen man zouden ze een onaangenamen indruk

hebben gemaakt, maar hem waren ze welgevallig. Hij zei mij, tamelijk

vriendelijk, dat hij geen gelegenheid voorbij zou laten gaan om mij te

helpen. Na dien onwaardigen stap ging ik weer naar mijn bureau en begon

aan mijn werk. De minister kwam dat weer zien, betuigde mij opnieuw

zijn tevredenheid en sprak eenigen tijd met mij. Zijne zachtheid en

welwillendheid deden mij aangenaam aan. Welk een verschil tusschen

hem en Calderone!

Ik ging dien middag naar een goedkoope restauratie en besloot daar

iederen dag incognito te gaan eten. Ik had nog geld om drie maanden

te leven en indien men mij na afloop van dien tijd geen salaris gaf,

besloot ik het hof te verlaten. De eerste twee maanden deed ik zooveel

mogelijk mijn best om Calderone te bevallen. Maar ik zag zoo weinig

resultaat van alles wat ik deed, dat ik ten zijnen opzichte van gedrag

besloot te veranderen. Dus bepaalde ik mij er toe, om te profiteeren

van de oogenblikken, dat de minister zich met mij onderhield.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 30 / 98 题