Gil Blas wordt aan den hertog de Lerme voorgesteld, die hem opneemt
onder zijn secretarissen; de minister geeft hem werk en is tevreden
over hem.
Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: "Mijn
vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het
mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal
je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan
twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging
moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat
je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die
man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn
meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in
korten tijd verder komen."
Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad,
vroeg ik hem: "Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets
naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over
hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar
men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van
personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt."
Mijn meester antwoordde: "Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik
zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net
edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan
overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je
vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maar ten
halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende
is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit
heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van
de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem
daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega
van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover
hem moet aannemen."
"Laat mij maar begaan," zei ik. "Wanneer men de gebreken kent van een
man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn,
om daarin niet te slagen."
We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie
gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht
hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: "Excellentie, ik
breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de
plaats van Valerio is gekozen." De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds
aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij
mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd
om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij
weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg
mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging
toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus
werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt
werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: "Ik zie, dat ge wel een
weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het
verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder
van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die
schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar
bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat
ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen,
waaruit uw werk bestaat." Wij gingen in een kamer naast de zijne,
waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. "Dit is de plaats,
waar ge zult werken. Al die registers vormen een dictionnaire van
de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van
Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte
geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan
den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne
bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden,
zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien
of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal
correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven
zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet
alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers
geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote
portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben."
Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar
uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde
zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed,
om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos
binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een
familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan
de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.
Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de
secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing
gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen;
ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister,
dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad
der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.