HOOFDSTUK II

Gil Blas wordt aan den hertog de Lerme voorgesteld, die hem opneemt

onder zijn secretarissen; de minister geeft hem werk en is tevreden

over hem.

Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: "Mijn

vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het

mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal

je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan

twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging

moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat

je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die

man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn

meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in

korten tijd verder komen."

Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad,

vroeg ik hem: "Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets

naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over

hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar

men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van

personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt."

Mijn meester antwoordde: "Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik

zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net

edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan

overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je

vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maar ten

halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende

is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit

heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van

de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem

daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega

van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover

hem moet aannemen."

"Laat mij maar begaan," zei ik. "Wanneer men de gebreken kent van een

man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn,

om daarin niet te slagen."

We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie

gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht

hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: "Excellentie, ik

breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de

plaats van Valerio is gekozen." De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds

aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij

mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd

om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij

weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg

mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging

toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus

werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt

werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: "Ik zie, dat ge wel een

weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het

verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder

van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die

schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar

bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat

ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen,

waaruit uw werk bestaat." Wij gingen in een kamer naast de zijne,

waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. "Dit is de plaats,

waar ge zult werken. Al die registers vormen een dictionnaire van

de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van

Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte

geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan

den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne

bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden,

zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien

of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal

correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven

zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet

alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers

geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote

portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben."

Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar

uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde

zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed,

om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos

binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een

familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan

de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.

Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de

secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing

gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen;

ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister,

dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad

der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 29 / 98 题