HOOFDSTUK I

Gil Blas heeft een goede ontmoeting en vindt een post, die hem

troost voor de ondankbaarheid, die hij van graaf Galiano heeft

ondervonden. Geschiedenis van don Valerio de Luna.

Ik was zoo verbaasd, gedurende dien tijd niets van Nunez te

hebben gehoord, dat ik onderstelde, dat hij naar buiten moest zijn

gegaan. Zoodra ik weer goed kon loopen, ging ik naar zijn woning en

vernam daar werkelijk, dat hij sinds drie weken in Andaloesië was,

met den hertog de Médina Sidonia.

Op een ochtend kwam Melchior de la Ronda mij in gedachten en ik

herinnerde mij, dat ik hem in Granada beloofd had, om, als ik

weer in Madrid terug was, zijn neef te gaan opzoeken. Ik besloot

nog dienzelfden dag mijn belofte te vervullen. Ik informeerde naar

het huis van don Baltazar de Zuniga en ging er heen. Ik vroeg naar

mijnheer Joseph Navarro, die een oogenblik later verscheen. Hij ontving

mij beleefd maar koud en ik vond de ontvangst geheel anders, dan ik

mij had voorgesteld. Spoedig dan ook maakte ik aanstalten om weg te

gaan en nam mij voor mijn bezoek niet te herhalen; maar plotseling

zag ik hem veranderen en op levendigen toon riep hij: "Mijnheer

Gil Blas de Santillano, neem mij als 't u blieft niet kwalijk, dat

ik u zoo koel ontving. Mijn geheugen liet mij in den steek, ik had

uw naam vergeten, maar nu herinner ik mij, dat mijn oom Melchior,

dien ik vereer en liefheb als een vader, mij voor ruim vier maanden

over u heeft geschreven. Hij vroeg mij u, wanneer wij elkaar zouden

ontmoeten, te behandelen zooals ik zijn zoon zou doen en zegt mij

zooveel goeds van u, dat het mij een eer zal zijn, indien ge mij uw

vriendschap wilt schenken!"

We raakten nu spoedig op een vertrouwelijken voet met elkaar en ik

deelde hem den treurigen toestand mee, waarin ik mij bevond. Nauwelijks

had ik uitgesproken, of hij zei: "Ik zal er voor zorgen, dat ge weer

een betrekking krijgt. Kom intusschen hier iederen dag eten, ge hebt

het dan beter, dan in een van die restauraties."

Dit aanbod was zeer verleidelijk voor een herstellende, die zeer

slecht in het geld zat en gewoon was lekker te eten, dus nam ik het

aan. Na verloop van veertien dagen was ik weer geheel aangesterkt en

zag ik er gezond uit.

Het scheen, dat de zaken van Melchior's neef daar in huis uitstekend

gingen. En hoe kon dat ook anders? Hij had drie koorden op zijn boog;

hij was tegelijkertijd bottelier, hofmeester en chef van dienst en

ik geloof, dat hij het tamelijk wel eens was met den intendant.

Op zekeren dag, dat mijn vriend Joseph mij zag aankomen, om als naar

gewoonte bij hem te dineeren, kwam hij mij vroolijk tegemoet en zei:

"Gil Blas, ik heb een goede betrekking voor u. Ge zult misschien weten,

dat de hertog de Lerme, onze eerste minister, om zich geheel aan de

staatszaken te kunnen wijden, de zorg voor zijn eigen zaken heeft

opgedragen aan twee personen. Zijn inkomsten worden ontvangen door don

Diégo de Montresor en de uitgaven voor zijn huis worden gedaan door don

Rodrigo de Calderone. De eerste heeft gewoonlijk twee intendanten onder

zich en daar hij, naar ik van morgen hoorde, er een heeft ontslagen,

heb ik die plaats voor u gevraagd. Don Montresor had geen bezwaar,

na de goede getuigen, die ik van u heb gegeven. Wij zullen hem na

het diner gaan opzoeken."

Zeer beleefd werd ik ontvangen en ik aanvaardde mijn ambt, dat bestond

in het bezoeken van onze boerderijen, het nagaan van de reparatiën,

die daaraan moesten worden gedaan en het innen van pachten. Iedere

maand maakte ik mijn rekening op en gaf die aan don Diégo, die ze,

niettegenstaande al het goede, dat hij van mij had gehoord, toch

sekuur nakeek. Dat deed mij genoegen, want hoe slecht ik ook door

mijn vorigen meester was beloond geworden voor mijn eerlijkheid,

toch besloot ik daarbij te volharden.

Op een goeden dag vernamen wij, dat er brand was geweest op het kasteel

Lermo en dat de helft ervan in asch was gelegd. Ik begaf mij dadelijk

naar de plaats van het onheil om de schade op te nemen. Daar maakte

ik een zeer nauwkeurig rapport van, dat mijn meester aan den hertog

de Lerme liet zien. Deze was, niettegenstaande zijn leedwezen bij het

vernemen van zulk een slechte tijding, daardoor getroffen en vroeg,

wie de schrijver ervan was. Don Diégo bepaalde er zich niet toe hem dat

mee te deelen, maar zei zooveel goeds van mij, dat zijn Excellentie

het zich zes maanden later nog herinnerde, bij gelegenheid van een

geschiedenis, die ik zal vertellen. Zonder deze was ik misschien

nooit aan het hof geplaatst geworden.

Er woonde destijds in de rue der Infanten een oude dame, genaamd

Inésile de Cantarilla. Men wist niet zeker van welken stand zij

was. Sommigen zeiden, dat zij de dochter was van een luiten-maker,

anderen beweerden, dat de commandeur van Saint-Jacques haar vader

was. Hoe het zij, het was een zeldzame verschijning. De natuur

had haar het voorrecht gegeven, om haar leven lang de mannen te

bekoren. De tijd, die anders de schoonheid niet spaart, scheen op de

hare weinig invloed te hebben gehad. Zij was de afgod geweest van

het vorige geslacht en nu zij 75 jaar was, werd ze aangebeden door

de volgende generatie.

Een heer van vijf en twintig jaar, don Valerio de Luna, een der

secretarissen van den hertog de Lerme, zag Inésile en werd verliefd

op haar. Hij vervolgde haar met allen hartstocht waartoe de jeugd in

staat is. De dame, die er hare redenen voor had, om zijn wenschen

niet te bevredigen, wist niet wat te doen om daaraan een eind te

maken. Op zekeren dag echter meende zij het middel daartoe te hebben

gevonden. Zij liet den jongeman in haar kabinet komen, wees hem op

een pendule en zei: "Zie hoe laat het is! Het is heden juist vijf

en zeventig jaar geleden, dat ik op dit uur in de wereld kwam. Zou

ik op dien leeftijd nog aan liefde denken?" Maar don Valerio was

niet te overtuigen en zei, dat hij haar steeds zou beminnen. Ze was

zelfs genoodzaakt hem haar huis te ontzeggen. Hij wist echter tot

haar door te dringen, begon weer te smeeken en te zuchten en wilde,

toen hem niets anders hielp, zelfs geweld gebruiken. Nu was het te

veel en de dame riep hem ontsteld toe: "Houd op, ongelukkige, weet,

dat ik je moeder ben."

Don Valerio was ontzet door die woorden, maar een oogenblik later dacht

hij, dat zij hem maar een fabeltje had verteld. "Neen, neen," zei ze,

"ik heb dat geheim altijd voor je verborgen gehouden, maar nu zal ik

het je ontdekken, want ik word daartoe genoodzaakt. Het is ruim zes

en twintig jaar geleden, dat je vader, die toen gouverneur van Ségova

was, en ik elkaar liefhadden. Uit die verbintenis werd je geboren en

je vader, die geen andere kinderen had, erkende je. Hoewel je niet

wist, dat ik je moeder was, heb ik je altijd in stilte gadegeslagen

en later al mijn invloed aangewend, om je geplaatst te krijgen bij

den eersten minister. Wil je de natuur geen geweld aandoen, verlaat

mij dan voor altijd, bespaar mij den schrik je te zien."

Valerio bewaarde een somber stilzwijgen. Men zou denken, dat hij zijn

hartstocht overmeesterd had, maar zich niet kunnende troosten, gaf hij

aan zijn wanhoop toe, trok zijn degen en doorboorde zich het hart. Hij

strafte zich als een andere Oedipus met dit verschil, dat deze zich

blind maakte uit berouw over een bedreven misdaad en onze Spanjaard

zich het leven benam van spijt, dat hij er geen bedrijven kon.

Door zijn dood kwam er een post van secretaris open bij den hertog

de Lerme; de minister herinnerde zich het verslag van den brand en

het goeds, dat hij bij die gelegenheid van mij had gehoord. Dus koos

hij mij om dien jongeman te vervangen.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 28 / 98 题