Van het werk, dat graaf Galiano in zijn huis aan Gil Blas gaf.
Ik ging heen om mijn goed te pakken en dat naar mijn nieuwe woning
te laten brengen. Toen ik terugkwam, was de graaf aan tafel met
verschillende heeren en den dichter Nunez, die zich met groot gemak
liet bedienen en zich in de conversatie mengde. Zelfs merkte ik,
dat hij geen woord zei, dat het gezelschap geen genoegen deed. Leve
de geestigheid! als men die heeft, kan men alles zijn, wat men wil.
Wat mij betreft, ik dineerde met de officieren, die bijna evengoed
werden bediend als hun patroon. Na het eten ging ik in mijn kamer, waar
ik begon na te denken over mijn positie en zei: "Welnu Gil Blas, nu ben
je dus bij een Siciliaanschen graaf, wiens karakter je niet kent! Naar
den schijn te oordeelen, zal je in dat huis zijn als een visch in
het water. Maar je moet nog over niets oordeelen en je geluksster
wantrouwen, die je al zoo dikwijls heeft bedrogen. Overigens weet je
nog niet, waarvoor je bestemd bent. Je meester heeft secretarissen
en een intendant. Welke diensten zal jij hem moeten bewijzen?"
Onder die overdenkingen kwam een lakei mij zeggen, dat al de heeren,
die bij den graaf gedineerd hadden, vertrokken waren en dat mijnheer
mij verlangde te spreken. Ik ging naar zijn kamer, waar ik hem op
een sopha weer bezig vond met zijn aap.
"Kom nader Gil Blas, neem een stoel en luister naar mij. Don Fabricius
heeft mij gezegd, dat ge onder andere goede hoedanigheden, ook deze
bezit, dat ge u aan uw meester hecht en onomkoopbaar zijt. Die
twee zaken hebben mij doen besluiten u voor te stellen bij mij
te komen. Ik heb behoefte aan iemand, die zorgvuldig mijn belangen
waarneemt en er al zijn aandacht aan wijdt om mijn goed te bewaren. Ik
ben rijk, dat is waar, maar mijn uitgaven overschrijden ieder jaar
ver mijn inkomsten. En waarom? Omdat men mij besteelt, omdat men
mij plundert. Ik ben in mijn huis als in een bosch vol roovers. Ik
verdenk mijn hofmeester en mijn intendant, dat ze het samen eens
zijn. Ge zult me vragen, waarom ik hen niet wegjaag, als ik denk dat
zij bedriegers zijn. Maar waar vind ik anderen, die niet van hetzelfde
slag zijn? Ik moet mij er dus toe bepalen hen te laten controleeren
en daarvoor heb ik u uitgekozen. Indien ge u goed van uw taak kwijt,
kunt ge er zeker van zijn, dat ge geen ondankbare hebt gediend. Ik
zal zorgen u op Sicilië zeer goed te plaatsen."
Na die woorden tot mij te hebben gesproken, liet hij mij weggaan en
denzelfden avond nog werd aan het geheele personeel meegedeeld, dat
ik opper-intendant was geworden van het heele huis. De intendant
en de hofmeester namen dat eerst kalm op, omdat ze dachten met
iemand te doen te hebben, met wien ze slechts behoefden te deelen,
om ongestoord hun gang te kunnen blijven gaan. Maar ze vonden zich
reeds den volgenden dag bedrogen, toen ik hun verklaarde een vijand te
zijn van alle knoeierij. Ik vroeg aan den hofmeester een staat van de
provisie, ik bezocht de kelders, ik nam op wat er aan tafelzilver en
linnen aanwezig was. Daarop drukte ik hun beiden op het hart zuinig
te zijn met het goed van den patroon, spaarzaam in de uitgaven. En
ik waarschuwde hen erbij, dat ik alle bedrog dadelijk ter kennis van
onzen meester zou brengen.
Ik bleef daar niet bij. Ik wilde een spion hebben, om te ontdekken
of zij samen knoeiden. Mijn oog viel op een koksjongen, dien ik door
verschillende beloften voor mij won en die mij zei, dat niemand mij
beter op de hoogte kon brengen dan hij. Volgens hem waren de hofmeester
en de intendant het met elkaar eens, de helft van het vleesch, dat men
voor het huis kocht, werd iederen dag door hen verduisterd. De eerste
had een dame wonen over de school van St. Thomas en die van de tweede
woonde bij de haven. De heeren lieten iederen morgen aan hunne nimfen
een mand met provisie brengen. De kok, op zijn beurt, zond lekkere
schotels aan een weduwe in de buurt, met wie hij bevriend was en ter
belooning van den dienst dien hij den anderen bewees, beschikte hij,
evenals zij, vrij over den wijnkelder. De jongen zei me verder, dat
ik hem den volgenden morgen om zeven uur met een mand zou kunnen zien
bij de school van St. Thomas.
"Ben jij dus de boodschapper van die heeren?" vroeg ik. Hij antwoordde
mij, dat hij zijn opdrachten kreeg van den hofmeester en dat een
kameraad de boodschappen deed voor den intendant.
Ik achtte het wel de moeite waard, om mij te gaan overtuigen van de
waarheid van dit rapport en bevond mij dus den volgenden morgen op
het aangegeven uur bij de school. Ik behoefde niet lang te wachten
op mijn spion, die weldra naderde met een mand vol vleesch, gevogelte
en wild. Ik maakte een kleinen inventaris op van een en ander en liet
den jongen op de gewone wijze dat goed afgeven.
Thuisgekomen begaf ik mij naar den meester, die in een eerste opwelling
van drift zoowel den hofmeester als den intendant wilde wegjagen. Maar
hij bepaalde zich tot het ontslag van den laatste, wiens betrekking
hij mij gaf.
Dus werd de betrekking van opper-intendant opgeheven korten tijd
nadat ze was geschapen en eerlijk gezegd speet mij dat niet. Want het
was toch, eigenlijk gezegd, geen eervolle betrekking, die van spion;
inplaats daarvan was ik nu mijnheer de intendant, ik was meester van
de brandkast en dat is het voornaamste. Aan die betrekking zijn altijd
van die voordeeltjes verbonden, die iemand rijk maken op den duur,
al is hij nog zoo eerlijk.
Mijn Napolitaan, wien het niet aan slimheid ontbrak, die mijn ijver
zag en merkte, dat ik er iederen morgen bij was wanneer hij vleesch
inkocht en dat noteerde, bleef dezelfde hoeveelheid nemen, zond daarvan
echter niet zooveel meer weg, maar bracht het op tafel. Daardoor
werd er minder gegeten van andere zaken en van rechtswege behoorde
het overschot van de tafel hem toe. Kon hij nu aan zijn schoone niet
zooveel schotels vleesch meer sturen, ze kreeg er nu andere dingen
voor. Langzaam en geleidelijk begon ik dien overvloed aan tafel te
doen verminderen, waarbij ik voorzichtig moest te werk gaan, omdat
bij mijn meester de zuinigheid ondergeschikt was aan zijn zucht naar
weelde en praal.
Daarbij bleef het niet. Ik vond, dat ook nu de voorraad wijn nog veel
te spoedig verminderde. Wanneer mijn meester een dozijn heeren aan
tafel had, werden er vijftig, soms zestig flesschen wijn gedronken,
naar het heette. Dat verwonderde mij en ik raadpleegde weer mijn
orakel, d. w. z. den koksjongen. Deze vertelde mij, dat er nu een
nieuw verbond bestond tusschen den hofmeester, den kok en de lakeien,
die aan tafel schonken. Alle flesschen werden half leeg in de keuken
gebracht en dan onder hen verdeeld. Ik dreigde, dat ik de lakeien zou
wegjagen, als ik weer zoo iets merkte. Mijn meester, wien ik al die
zaken meedeelde, was zeer over mij tevreden en werd mij van dag tot dag
meer genegen. Mijn koksjongen beloonde ik door hem bijkok te maken. Op
zulke wijze vindt in een goed huis een trouwe bediende zijn weg.
De Napolitaan was woedend, dat ik zoo op hem toekeek, want ik ging ook
geregeld naar de markten, om op de hoogte te zijn van de prijzen van
hetgeen hij inkocht. Ik was er van overtuigd, dat hij mij wel honderd
maal op een dag vervloekte en ik begreep niet, dat hij den dienst
van onzen meester niet verliet. Misschien maakte hij niettegenstaande
alles, zijn rekening toch nog goed.
Fabricius, dien ik nu en dan zag en wien ik vaak een en ander uit mijn
betrekking vertelde, was meer geneigd om mijn gedrag af te keuren,
dan om het te prijzen. "Wanneer je wat minder hard was voor dien
hofmeester geloof ik, dat het beter voor je zou zijn," zei hij. "Hoe
zoo?" vroeg ik. "Ik kan toch niet toelaten, dat hij tien pistolen in
rekening brengt voor visch, die hem maar vier heeft gekost?" "Waarom
niet, wanneer je hetgeen er over is samen met hem deelt? 't is maar
te hopen, dat je belangeloosheid eens zal worden beloond. Voor een
verstandig man, als jij bent, vind ik, dat je dom handelt. Je bent
een echte dwarskijker en ik vind, dat je aanleg hebt om lang knecht
te zijn, want je vilt de paling niet, die je in je handen hebt. De
fortuin is als een van die vluchtige coquettes, die iemand ontgaan,
wanneer hij niet van de gelegenheid gebruik maakt."
Ik lachte om die opmerkingen van Nunez, hij lachte er zelf ook om en
wilde het doen voorkomen, dat hij het niet ernstig had gemeend. Hij
schaamde zich, mij nutteloos een slechten raad te hebben gegeven. Ik
bleef vast bij mijn besluit, om altijd trouw en ijverig te zijn. En
ik mocht zeggen, dat ik door mijn spaarzaamheid in vier maanden tijd,
mijn meester een voordeel had bezorgd van minstens drieduizend ducaten.