HOOFDSTUK XV

Van het werk, dat graaf Galiano in zijn huis aan Gil Blas gaf.

Ik ging heen om mijn goed te pakken en dat naar mijn nieuwe woning

te laten brengen. Toen ik terugkwam, was de graaf aan tafel met

verschillende heeren en den dichter Nunez, die zich met groot gemak

liet bedienen en zich in de conversatie mengde. Zelfs merkte ik,

dat hij geen woord zei, dat het gezelschap geen genoegen deed. Leve

de geestigheid! als men die heeft, kan men alles zijn, wat men wil.

Wat mij betreft, ik dineerde met de officieren, die bijna evengoed

werden bediend als hun patroon. Na het eten ging ik in mijn kamer, waar

ik begon na te denken over mijn positie en zei: "Welnu Gil Blas, nu ben

je dus bij een Siciliaanschen graaf, wiens karakter je niet kent! Naar

den schijn te oordeelen, zal je in dat huis zijn als een visch in

het water. Maar je moet nog over niets oordeelen en je geluksster

wantrouwen, die je al zoo dikwijls heeft bedrogen. Overigens weet je

nog niet, waarvoor je bestemd bent. Je meester heeft secretarissen

en een intendant. Welke diensten zal jij hem moeten bewijzen?"

Onder die overdenkingen kwam een lakei mij zeggen, dat al de heeren,

die bij den graaf gedineerd hadden, vertrokken waren en dat mijnheer

mij verlangde te spreken. Ik ging naar zijn kamer, waar ik hem op

een sopha weer bezig vond met zijn aap.

"Kom nader Gil Blas, neem een stoel en luister naar mij. Don Fabricius

heeft mij gezegd, dat ge onder andere goede hoedanigheden, ook deze

bezit, dat ge u aan uw meester hecht en onomkoopbaar zijt. Die

twee zaken hebben mij doen besluiten u voor te stellen bij mij

te komen. Ik heb behoefte aan iemand, die zorgvuldig mijn belangen

waarneemt en er al zijn aandacht aan wijdt om mijn goed te bewaren. Ik

ben rijk, dat is waar, maar mijn uitgaven overschrijden ieder jaar

ver mijn inkomsten. En waarom? Omdat men mij besteelt, omdat men

mij plundert. Ik ben in mijn huis als in een bosch vol roovers. Ik

verdenk mijn hofmeester en mijn intendant, dat ze het samen eens

zijn. Ge zult me vragen, waarom ik hen niet wegjaag, als ik denk dat

zij bedriegers zijn. Maar waar vind ik anderen, die niet van hetzelfde

slag zijn? Ik moet mij er dus toe bepalen hen te laten controleeren

en daarvoor heb ik u uitgekozen. Indien ge u goed van uw taak kwijt,

kunt ge er zeker van zijn, dat ge geen ondankbare hebt gediend. Ik

zal zorgen u op Sicilië zeer goed te plaatsen."

Na die woorden tot mij te hebben gesproken, liet hij mij weggaan en

denzelfden avond nog werd aan het geheele personeel meegedeeld, dat

ik opper-intendant was geworden van het heele huis. De intendant

en de hofmeester namen dat eerst kalm op, omdat ze dachten met

iemand te doen te hebben, met wien ze slechts behoefden te deelen,

om ongestoord hun gang te kunnen blijven gaan. Maar ze vonden zich

reeds den volgenden dag bedrogen, toen ik hun verklaarde een vijand te

zijn van alle knoeierij. Ik vroeg aan den hofmeester een staat van de

provisie, ik bezocht de kelders, ik nam op wat er aan tafelzilver en

linnen aanwezig was. Daarop drukte ik hun beiden op het hart zuinig

te zijn met het goed van den patroon, spaarzaam in de uitgaven. En

ik waarschuwde hen erbij, dat ik alle bedrog dadelijk ter kennis van

onzen meester zou brengen.

Ik bleef daar niet bij. Ik wilde een spion hebben, om te ontdekken

of zij samen knoeiden. Mijn oog viel op een koksjongen, dien ik door

verschillende beloften voor mij won en die mij zei, dat niemand mij

beter op de hoogte kon brengen dan hij. Volgens hem waren de hofmeester

en de intendant het met elkaar eens, de helft van het vleesch, dat men

voor het huis kocht, werd iederen dag door hen verduisterd. De eerste

had een dame wonen over de school van St. Thomas en die van de tweede

woonde bij de haven. De heeren lieten iederen morgen aan hunne nimfen

een mand met provisie brengen. De kok, op zijn beurt, zond lekkere

schotels aan een weduwe in de buurt, met wie hij bevriend was en ter

belooning van den dienst dien hij den anderen bewees, beschikte hij,

evenals zij, vrij over den wijnkelder. De jongen zei me verder, dat

ik hem den volgenden morgen om zeven uur met een mand zou kunnen zien

bij de school van St. Thomas.

"Ben jij dus de boodschapper van die heeren?" vroeg ik. Hij antwoordde

mij, dat hij zijn opdrachten kreeg van den hofmeester en dat een

kameraad de boodschappen deed voor den intendant.

Ik achtte het wel de moeite waard, om mij te gaan overtuigen van de

waarheid van dit rapport en bevond mij dus den volgenden morgen op

het aangegeven uur bij de school. Ik behoefde niet lang te wachten

op mijn spion, die weldra naderde met een mand vol vleesch, gevogelte

en wild. Ik maakte een kleinen inventaris op van een en ander en liet

den jongen op de gewone wijze dat goed afgeven.

Thuisgekomen begaf ik mij naar den meester, die in een eerste opwelling

van drift zoowel den hofmeester als den intendant wilde wegjagen. Maar

hij bepaalde zich tot het ontslag van den laatste, wiens betrekking

hij mij gaf.

Dus werd de betrekking van opper-intendant opgeheven korten tijd

nadat ze was geschapen en eerlijk gezegd speet mij dat niet. Want het

was toch, eigenlijk gezegd, geen eervolle betrekking, die van spion;

inplaats daarvan was ik nu mijnheer de intendant, ik was meester van

de brandkast en dat is het voornaamste. Aan die betrekking zijn altijd

van die voordeeltjes verbonden, die iemand rijk maken op den duur,

al is hij nog zoo eerlijk.

Mijn Napolitaan, wien het niet aan slimheid ontbrak, die mijn ijver

zag en merkte, dat ik er iederen morgen bij was wanneer hij vleesch

inkocht en dat noteerde, bleef dezelfde hoeveelheid nemen, zond daarvan

echter niet zooveel meer weg, maar bracht het op tafel. Daardoor

werd er minder gegeten van andere zaken en van rechtswege behoorde

het overschot van de tafel hem toe. Kon hij nu aan zijn schoone niet

zooveel schotels vleesch meer sturen, ze kreeg er nu andere dingen

voor. Langzaam en geleidelijk begon ik dien overvloed aan tafel te

doen verminderen, waarbij ik voorzichtig moest te werk gaan, omdat

bij mijn meester de zuinigheid ondergeschikt was aan zijn zucht naar

weelde en praal.

Daarbij bleef het niet. Ik vond, dat ook nu de voorraad wijn nog veel

te spoedig verminderde. Wanneer mijn meester een dozijn heeren aan

tafel had, werden er vijftig, soms zestig flesschen wijn gedronken,

naar het heette. Dat verwonderde mij en ik raadpleegde weer mijn

orakel, d. w. z. den koksjongen. Deze vertelde mij, dat er nu een

nieuw verbond bestond tusschen den hofmeester, den kok en de lakeien,

die aan tafel schonken. Alle flesschen werden half leeg in de keuken

gebracht en dan onder hen verdeeld. Ik dreigde, dat ik de lakeien zou

wegjagen, als ik weer zoo iets merkte. Mijn meester, wien ik al die

zaken meedeelde, was zeer over mij tevreden en werd mij van dag tot dag

meer genegen. Mijn koksjongen beloonde ik door hem bijkok te maken. Op

zulke wijze vindt in een goed huis een trouwe bediende zijn weg.

De Napolitaan was woedend, dat ik zoo op hem toekeek, want ik ging ook

geregeld naar de markten, om op de hoogte te zijn van de prijzen van

hetgeen hij inkocht. Ik was er van overtuigd, dat hij mij wel honderd

maal op een dag vervloekte en ik begreep niet, dat hij den dienst

van onzen meester niet verliet. Misschien maakte hij niettegenstaande

alles, zijn rekening toch nog goed.

Fabricius, dien ik nu en dan zag en wien ik vaak een en ander uit mijn

betrekking vertelde, was meer geneigd om mijn gedrag af te keuren,

dan om het te prijzen. "Wanneer je wat minder hard was voor dien

hofmeester geloof ik, dat het beter voor je zou zijn," zei hij. "Hoe

zoo?" vroeg ik. "Ik kan toch niet toelaten, dat hij tien pistolen in

rekening brengt voor visch, die hem maar vier heeft gekost?" "Waarom

niet, wanneer je hetgeen er over is samen met hem deelt? 't is maar

te hopen, dat je belangeloosheid eens zal worden beloond. Voor een

verstandig man, als jij bent, vind ik, dat je dom handelt. Je bent

een echte dwarskijker en ik vind, dat je aanleg hebt om lang knecht

te zijn, want je vilt de paling niet, die je in je handen hebt. De

fortuin is als een van die vluchtige coquettes, die iemand ontgaan,

wanneer hij niet van de gelegenheid gebruik maakt."

Ik lachte om die opmerkingen van Nunez, hij lachte er zelf ook om en

wilde het doen voorkomen, dat hij het niet ernstig had gemeend. Hij

schaamde zich, mij nutteloos een slechten raad te hebben gegeven. Ik

bleef vast bij mijn besluit, om altijd trouw en ijverig te zijn. En

ik mocht zeggen, dat ik door mijn spaarzaamheid in vier maanden tijd,

mijn meester een voordeel had bezorgd van minstens drieduizend ducaten.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 25 / 98 题