Van het ongeval, dat den aap van den graaf de Galiano overkwam en
van het verdriet, dat deze heer daarvan had. Hoe Gil Blas ziek werd
en wat voor hem de gevolgen waren van zijn ziekte.
Na dien tijd werd de rust, die anders in het huis heerschte op vreemde
wijze verstoord door een ongeval, dat de lezers maar een kleinigheid
zal toeschijnen, maar dat een zeer ernstige zaak werd voor de bedienden
en vooral voor mij.
Cupido, de aap waarvan ik gesproken heb en waarop mijn meester zoo
gesteld was, wilde op zekeren dag van het eene raam in het andere
springen, verloor daarbij zijn evenwicht, viel op de plaats en brak
een been. De graaf had nog niet van het ongeluk gehoord, of hij
begon kreten uit te stooten als een vrouw en schold in zijn woede
het heele personeel uit. Het scheelde weinig of hij had iedereen
weggejaagd. Wij waren volgens hem slordig en daardoor was het ongeluk
gebeurd. Hij liet dadelijk de bekwaamste chirurgijns uit Madrid komen,
die het beest onderzochten en verbonden en hoewel zij hem verzekerden,
dat het geval niets te beteekenen had, noodzaakte hij een hunner bij
het dier te blijven tot het geheel genezen was. Mijn meester was zoo
bezorgd over dien aap, dat hij zelfs 's nachts een paar malen naar hem
ging kijken. Maar het vervelendste was, dat het heele personeel en ik
inzonderheid, steeds klaar moest staan voor dat verwenschte dier. Er
kwam geen rust in huis, voor de aap weer zijn gewone sprongen kon
maken. Ongelukkigerwijs werd ik ziek, doordat ik het zoo druk had
gehad. De koorts was zoo hevig, dat ik buiten kennis was. Ik weet
niet, wat men met mij deed gedurende de eerste veertien dagen, dat
ik zweefde tusschen dood en leven. Ik weet alleen, dat mijn jeugd
zich zoo krachtig verzette tegen de ziekte en misschien ook tegen de
medicijnen, die men mij had gegeven, dat ik herstelde. Toen ik weer
bij kennis kwam, was het eerste wat ik merkte, dat ik in een andere
kamer was dan de mijne.
Ik wilde weten waarom, maar een oude vrouw, die mij oppaste, zei,
dat de dokter streng verboden had, dat ik zou spreken. Wanneer men
gezond is, dan lacht men gewoonlijk om die dokters, maar is men ziek,
dan volgt men gewillig hunne bevelen. Ik zweeg dus, hoe groot mijn
lust ook was, om met mijn verpleegster te spreken.
Terwijl ik zoo lag na te denken, kwamen er twee fatterige heertjes in
mijn kamer, keurig in het fluweel gekleed. Ik dacht, dat het vrienden
van mijn meester waren, die mij uit belangstelling kwamen bezoeken
en wilde overeind gaan zitten in bed, maar de verpleegster drukte
mij neer en zei dat het de dokter en de apotheker waren.
De eerste naderde mij, voelde mijn pols, bekeek mijn gezicht en
daar hij merkte, dat alles op een naderende genezing wees, keek
hij triomfantelijk rond, alsof dit zijn werk was en zei, dat ik nog
medicijnen moest gebruiken om geheel te herstellen.
Hij schreef een recept en keek daarbij in een spiegel, of zijn haar wel
netjes genoeg zat. Niettegenstaande den toestand, waarin ik verkeerde,
moest ik daarom in stilte lachen. Vervolgens groette hij mij beleefd
en vertrok, meer vervuld van zijn uiterlijk dan van gedachten aan de
medicijnen, die hij mij had voorgeschreven.
De medicijnen liet ik den volgenden dag uit het raam gooien en ik
zei op vasten toon tegen mijn verpleegster, dat ik beslist eenig
nieuws wilde weten over mijn meester. De oude, die vreesde een hevige
emotie bij me op te wekken, wanneer ze begon te spreken, aarzelde,
maar ik drong zoo sterk aan, dat ze eindelijk antwoordde: "Mijnheer,
u hebt geen andere meester dan uzelf. Graaf Galiano is teruggekeerd
naar Sicilië."
Ik kon het niet gelooven en toch was het de waarheid. Die mijnheer
had mij den tweeden dag van mijn ziekte, toen hij vreesde dat ik
zou sterven, laten transporteeren naar een gemeubileerde kamer,
mij overlatende aan de zorg van de voorzienigheid en aan die van een
verpleegster. Na enkele dagen had hij een bericht gekregen, dat hem
noodzaakte naar Sicilië terug te keeren. Hij had zooveel haast om
te vertrekken, dat hij niet meer naar mij omzag, hetzij dat hij mij
reeds onder de dooden waande, hetzij dat voorname personen een gebrek
hebben in hun geheugen.
Mijn verpleegster zei me, dat zij het was geweest, die den dokter
had laten halen. Adieu voordeelige betrekking in Sicilië! Adieu, al
mijn zoete hoop. Wanneer u een groot ongeluk overkomt, zegt een paus,
onderzoek uzelf dan goed en ge zult zien, dat het altijd gedeeltelijk
aan uzelf ligt. Ten spijt van dien heiligen vader, kon ik niet inzien
hoe ik thans tot mijn ongeluk had bijgedragen.
Ik zei tot de verpleegster, dat ze mij mijn valies moest geven en zag
dadelijk, dat het geopend was. Ik zuchtte: "hélaas, mijn dierbaar
valies, mijn eenige troost! Gij zijt, zooals ik zie, in vreemde
handen geweest." De oude zei me echter, dat men mij niet bestolen
had en dat zij mijn valies bewaakt had als haar eer. Ik vond mijn
kleeren en mijn beurs, maar van de twee honderd zestig pistolen,
die er in waren vóór mijn ziekte, waren er niet meer dan vijftig over.
"Wat beteekent dat?" vroeg ik.
Ze antwoordde mij: "Niemand heeft het geld aangeraakt dan ik en
ik ben er zoo zuinig mogelijk mee geweest, maar ziek zijn kost
geld". Ze haalde een pakje papieren uit haar zak, wel vijftien of
twintig velletjes groot, waarop ze alles had genoteerd, wat ze had
uitgegeven. Jammer van het gevogelte, dat gekocht was, toen ik buiten
kennis was en aan bouillon stond er wel voor twaalf pistolen op de
rekening. Maar het geheele bedrag van de rekening was maar dertig
pistolen. Waar waren dus die honderd en tachtig gebleven? Bij alle
heiligen verzekerde de oude, dat er niet meer dan tachtig pistolen
in het valies waren geweest, toen ze dat van den hofmeester van den
graaf had ontvangen. "Wat zegt ge? Heeft de hofmeester u mijn goed
gegeven?" "Zeker was hij het; hij zei tegen mij: "Hier moedertje, als
mijnheer Gil Blas goed in de olie gebakken is, moet ge niet vergeten
hem op een mooie begrafenis te onthalen. Voor de kosten is er iets
in dit valies!"
"Zoo'n vervloekte Napolitaan, nu weet ik, waar het geld gebleven
is. Hij heeft het gebruikt, om zich schadeloos te stellen voor de
diefstallen, die ik hem verhinderd heb te begaan." Intusschen was ik
blij, dat de schelm mij althans nog iets had laten overhouden. Hoeveel
reden ik ook had, om den hofmeester te verdenken, ik was toch niet
altijd geheel vrij van de gedachte, dat misschien de bewaakster mij
bestolen had. Maar dat bleef voor mij dezelfde zaak. Ik zei er niets
van tegen de oude en zond haar drie dagen later, na haar betaald te
hebben, weg.
Weggaande van mij, was ze zeker den apotheker gaan waarschuwen, want
die kwam al heel korten tijd daarna bij me met zijn rekening. Daar
stonden allerlei vreemde woorden op, die ik niet kon lezen en
medicijnen moesten voorstellen, die ik zou hebben geslikt, terwijl ik
buiten kennis lag. Wij kregen verschil over de rekening, die ik tot
de helft wilde verminderen. Hij verzekerde mij eerst plechtig, dat er
geen stuiver afkon, maar hij begon te overwegen, dat ik Madrid wel eens
kon verlaten en dat hij dan niets kreeg; dus nam hij aan, wat ik bood.
Dadelijk daarna kwam de dokter. Ik betaalde hem de vele visites, die
hij had gemaakt en, zeker om te toonen, dat hij zijn geld moeilijk
verdiend had, begon hij een geleerd betoog over de gevaren, waaraan
ik had blootgestaan. Hij praatte met een vriendelijk gezicht en
gebruikte mooie woorden, maar ik begreep er zoo goed als niets van,
waartoe ik trouwens ook niet mijn best deed.
Nu dacht ik, dat ik er af was. Maar ik vergiste mij. Er kwam een
chirurgijn binnen, dien ik nooit had gezien en die me zei, dat hij
mij twee aderlatingen had gedaan. Weer moest ik dus een veer laten
en mijn beurs was nu vrijwel gelijk aan een geconfiskeerd voorwerp.
Ik begon den moed te verliezen, toen ik mij in zoo'n ellendigen
toestand bevond. Bij mijn laatste meesters was ik te veel gewoon
geraakt aan de genoegens van het leven, om de ontberingen zoo
wijsgeerig te verdragen, als ik het vroeger had gedaan. Toch moest
ik bekennen, dat ik ongelijk had door toe te geven aan mijn gedrukte
stemming; want hoeveel keeren de fortuin mij had omgeworpen, ze had
mij toch telkens weer opgericht.