HOOFDSTUK XVI

Van het ongeval, dat den aap van den graaf de Galiano overkwam en

van het verdriet, dat deze heer daarvan had. Hoe Gil Blas ziek werd

en wat voor hem de gevolgen waren van zijn ziekte.

Na dien tijd werd de rust, die anders in het huis heerschte op vreemde

wijze verstoord door een ongeval, dat de lezers maar een kleinigheid

zal toeschijnen, maar dat een zeer ernstige zaak werd voor de bedienden

en vooral voor mij.

Cupido, de aap waarvan ik gesproken heb en waarop mijn meester zoo

gesteld was, wilde op zekeren dag van het eene raam in het andere

springen, verloor daarbij zijn evenwicht, viel op de plaats en brak

een been. De graaf had nog niet van het ongeluk gehoord, of hij

begon kreten uit te stooten als een vrouw en schold in zijn woede

het heele personeel uit. Het scheelde weinig of hij had iedereen

weggejaagd. Wij waren volgens hem slordig en daardoor was het ongeluk

gebeurd. Hij liet dadelijk de bekwaamste chirurgijns uit Madrid komen,

die het beest onderzochten en verbonden en hoewel zij hem verzekerden,

dat het geval niets te beteekenen had, noodzaakte hij een hunner bij

het dier te blijven tot het geheel genezen was. Mijn meester was zoo

bezorgd over dien aap, dat hij zelfs 's nachts een paar malen naar hem

ging kijken. Maar het vervelendste was, dat het heele personeel en ik

inzonderheid, steeds klaar moest staan voor dat verwenschte dier. Er

kwam geen rust in huis, voor de aap weer zijn gewone sprongen kon

maken. Ongelukkigerwijs werd ik ziek, doordat ik het zoo druk had

gehad. De koorts was zoo hevig, dat ik buiten kennis was. Ik weet

niet, wat men met mij deed gedurende de eerste veertien dagen, dat

ik zweefde tusschen dood en leven. Ik weet alleen, dat mijn jeugd

zich zoo krachtig verzette tegen de ziekte en misschien ook tegen de

medicijnen, die men mij had gegeven, dat ik herstelde. Toen ik weer

bij kennis kwam, was het eerste wat ik merkte, dat ik in een andere

kamer was dan de mijne.

Ik wilde weten waarom, maar een oude vrouw, die mij oppaste, zei,

dat de dokter streng verboden had, dat ik zou spreken. Wanneer men

gezond is, dan lacht men gewoonlijk om die dokters, maar is men ziek,

dan volgt men gewillig hunne bevelen. Ik zweeg dus, hoe groot mijn

lust ook was, om met mijn verpleegster te spreken.

Terwijl ik zoo lag na te denken, kwamen er twee fatterige heertjes in

mijn kamer, keurig in het fluweel gekleed. Ik dacht, dat het vrienden

van mijn meester waren, die mij uit belangstelling kwamen bezoeken

en wilde overeind gaan zitten in bed, maar de verpleegster drukte

mij neer en zei dat het de dokter en de apotheker waren.

De eerste naderde mij, voelde mijn pols, bekeek mijn gezicht en

daar hij merkte, dat alles op een naderende genezing wees, keek

hij triomfantelijk rond, alsof dit zijn werk was en zei, dat ik nog

medicijnen moest gebruiken om geheel te herstellen.

Hij schreef een recept en keek daarbij in een spiegel, of zijn haar wel

netjes genoeg zat. Niettegenstaande den toestand, waarin ik verkeerde,

moest ik daarom in stilte lachen. Vervolgens groette hij mij beleefd

en vertrok, meer vervuld van zijn uiterlijk dan van gedachten aan de

medicijnen, die hij mij had voorgeschreven.

De medicijnen liet ik den volgenden dag uit het raam gooien en ik

zei op vasten toon tegen mijn verpleegster, dat ik beslist eenig

nieuws wilde weten over mijn meester. De oude, die vreesde een hevige

emotie bij me op te wekken, wanneer ze begon te spreken, aarzelde,

maar ik drong zoo sterk aan, dat ze eindelijk antwoordde: "Mijnheer,

u hebt geen andere meester dan uzelf. Graaf Galiano is teruggekeerd

naar Sicilië."

Ik kon het niet gelooven en toch was het de waarheid. Die mijnheer

had mij den tweeden dag van mijn ziekte, toen hij vreesde dat ik

zou sterven, laten transporteeren naar een gemeubileerde kamer,

mij overlatende aan de zorg van de voorzienigheid en aan die van een

verpleegster. Na enkele dagen had hij een bericht gekregen, dat hem

noodzaakte naar Sicilië terug te keeren. Hij had zooveel haast om

te vertrekken, dat hij niet meer naar mij omzag, hetzij dat hij mij

reeds onder de dooden waande, hetzij dat voorname personen een gebrek

hebben in hun geheugen.

Mijn verpleegster zei me, dat zij het was geweest, die den dokter

had laten halen. Adieu voordeelige betrekking in Sicilië! Adieu, al

mijn zoete hoop. Wanneer u een groot ongeluk overkomt, zegt een paus,

onderzoek uzelf dan goed en ge zult zien, dat het altijd gedeeltelijk

aan uzelf ligt. Ten spijt van dien heiligen vader, kon ik niet inzien

hoe ik thans tot mijn ongeluk had bijgedragen.

Ik zei tot de verpleegster, dat ze mij mijn valies moest geven en zag

dadelijk, dat het geopend was. Ik zuchtte: "hélaas, mijn dierbaar

valies, mijn eenige troost! Gij zijt, zooals ik zie, in vreemde

handen geweest." De oude zei me echter, dat men mij niet bestolen

had en dat zij mijn valies bewaakt had als haar eer. Ik vond mijn

kleeren en mijn beurs, maar van de twee honderd zestig pistolen,

die er in waren vóór mijn ziekte, waren er niet meer dan vijftig over.

"Wat beteekent dat?" vroeg ik.

Ze antwoordde mij: "Niemand heeft het geld aangeraakt dan ik en

ik ben er zoo zuinig mogelijk mee geweest, maar ziek zijn kost

geld". Ze haalde een pakje papieren uit haar zak, wel vijftien of

twintig velletjes groot, waarop ze alles had genoteerd, wat ze had

uitgegeven. Jammer van het gevogelte, dat gekocht was, toen ik buiten

kennis was en aan bouillon stond er wel voor twaalf pistolen op de

rekening. Maar het geheele bedrag van de rekening was maar dertig

pistolen. Waar waren dus die honderd en tachtig gebleven? Bij alle

heiligen verzekerde de oude, dat er niet meer dan tachtig pistolen

in het valies waren geweest, toen ze dat van den hofmeester van den

graaf had ontvangen. "Wat zegt ge? Heeft de hofmeester u mijn goed

gegeven?" "Zeker was hij het; hij zei tegen mij: "Hier moedertje, als

mijnheer Gil Blas goed in de olie gebakken is, moet ge niet vergeten

hem op een mooie begrafenis te onthalen. Voor de kosten is er iets

in dit valies!"

"Zoo'n vervloekte Napolitaan, nu weet ik, waar het geld gebleven

is. Hij heeft het gebruikt, om zich schadeloos te stellen voor de

diefstallen, die ik hem verhinderd heb te begaan." Intusschen was ik

blij, dat de schelm mij althans nog iets had laten overhouden. Hoeveel

reden ik ook had, om den hofmeester te verdenken, ik was toch niet

altijd geheel vrij van de gedachte, dat misschien de bewaakster mij

bestolen had. Maar dat bleef voor mij dezelfde zaak. Ik zei er niets

van tegen de oude en zond haar drie dagen later, na haar betaald te

hebben, weg.

Weggaande van mij, was ze zeker den apotheker gaan waarschuwen, want

die kwam al heel korten tijd daarna bij me met zijn rekening. Daar

stonden allerlei vreemde woorden op, die ik niet kon lezen en

medicijnen moesten voorstellen, die ik zou hebben geslikt, terwijl ik

buiten kennis lag. Wij kregen verschil over de rekening, die ik tot

de helft wilde verminderen. Hij verzekerde mij eerst plechtig, dat er

geen stuiver afkon, maar hij begon te overwegen, dat ik Madrid wel eens

kon verlaten en dat hij dan niets kreeg; dus nam hij aan, wat ik bood.

Dadelijk daarna kwam de dokter. Ik betaalde hem de vele visites, die

hij had gemaakt en, zeker om te toonen, dat hij zijn geld moeilijk

verdiend had, begon hij een geleerd betoog over de gevaren, waaraan

ik had blootgestaan. Hij praatte met een vriendelijk gezicht en

gebruikte mooie woorden, maar ik begreep er zoo goed als niets van,

waartoe ik trouwens ook niet mijn best deed.

Nu dacht ik, dat ik er af was. Maar ik vergiste mij. Er kwam een

chirurgijn binnen, dien ik nooit had gezien en die me zei, dat hij

mij twee aderlatingen had gedaan. Weer moest ik dus een veer laten

en mijn beurs was nu vrijwel gelijk aan een geconfiskeerd voorwerp.

Ik begon den moed te verliezen, toen ik mij in zoo'n ellendigen

toestand bevond. Bij mijn laatste meesters was ik te veel gewoon

geraakt aan de genoegens van het leven, om de ontberingen zoo

wijsgeerig te verdragen, als ik het vroeger had gedaan. Toch moest

ik bekennen, dat ik ongelijk had door toe te geven aan mijn gedrukte

stemming; want hoeveel keeren de fortuin mij had omgeworpen, ze had

mij toch telkens weer opgericht.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 26 / 98 题