Fabricius plaatst Gil Blas bij den graaf Galiano, een Siciliaansch
edelman.
Ik had zooveel lust om Fabricius weer te zien, dat ik den volgenden
morgen al vroeg bij hem was. Binnenkomende zei ik: "ik heb de eer
don Fabricius te groeten, de bloem, of liever de champignon van den
Asturischen adel." Hij begon bij die woorden te lachen. "Heb je dus
gehoord, dat men mij met "don" aanspreekt?" "Ja edele heer en u zult
mij toestaan u te zeggen, dat ge gisteren, bij het verhaal van uw
gedaanteverwisseling, het beste hebt vergeten." "Dat stem ik toe,"
zei hij, "maar waarlijk, dat ik dien titel heb aangenomen is minder
gebeurd om mijn ijdelheid te bevredigen, dan wel om het mij tegenover
anderen gemakkelijk te maken. Je kent de Spanjaarden; iemand is niet
goed, wanneer het ongeluk wil, dat hij niet rijk is of van goede
geboorte. Ik zie zooveel menschen,--en de duivel weet welk soort--die
zich don laten noemen, dat de adel algemeen is geworden. Maar laat
ons van dit onderwerp afstappen. Gisteravond, aan het souper bij den
hertog Medina Sidonia, waar onder andere gasten ook graaf Galiano,
een voornaam edelman van Sicilië was, kwam het gesprek op belachelijke
gevolgen van eigenliefde. Verheugd iets over dit onderwerp te hebben,
waarmee ik het gezelschap kon vermaken vertelde ik de geschiedenis
van de preeken. Je begrijpt wel, dat men den aartsbisschop hartelijk
heeft uitgelachen en dat had voor jou geen kwade uitwerking. Want men
beklaagde je en graaf Galiano, na mij eenige vragen te hebben gedaan,
die ik goed beantwoordde, zooals je denken kunt, droeg mij op je bij
hem te brengen. Hij zal je waarschijnlijk als secretaris aanstellen. Ik
zou je aanraden dit aanbod niet af te slaan. Hij is rijk en is op
het oogenblik als gezant te Madrid, om met den eersten minister, den
hertog de Lerme, te confereeren over goederen in Sicilië. Hoewel graaf
Galiano een Siciliaan is, is hij zeer edelmoedig en oprecht. Je kan
niet beter doen, dan je aan dien heer te hechten. Waarschijnlijk is
hij de man, die je rijk moet maken, zooals je in Granada is voorspeld."
"Ik had mij voorgenomen," zei ik tegen Nunez, "om eerst nog wat rond te
loopen, en te wachten om weer in betrekking te gaan, maar je spreekt
over den Siciliaanschen graaf op een wijze, die mij van besluit doet
veranderen. Ik wilde, dat ik al bij hem was." Wij begaven ons naar
den graaf, die het huis bewoonde van don Sonchez d'Avila, zijn vriend,
die tijdelijk buiten vertoefde.
Wij vonden op de plaats en in de gangen ik weet niet hoeveel pages
en lakeien, die even smaakvolle als rijke livrei droegen en in
de antichambre een groot aantal personen, met prachtige kleeren,
maar zulke zonderlinge gezichten, dat ik een troep aangekleede apen
meende te zien. Er zijn werkelijk gezichten, van mannen en vrouwen,
waar niets aan te verhelpen is.
Men kondigde don Fabricius aan, die een oogenblik later in de kamer
werd binnengelaten, waar ik hem volgde. De graaf, gekleed in een
kamerjapon, zat op een sopha en dronk chocolade. Wij groetten hem
eerbiedig en hij maakte, van zijn kant, een neiging met het hoofd,
die vergezeld ging met een zoo vriendelijken blik, dat ik mij al
dadelijk voor hem voelde ingenomen. Wonderbaarlijke en toch gewone
uitwerking die de welwillende ontvangst van grooten op ons heeft! Ze
moeten ons al heel slecht ontvangen, willen ze ons niet bevallen.
Na zijn chocolade te hebben gedronken, amuseerde hij zich eenigen tijd
met een grooten aap, dien hij bij zich had en die Cupido heette. Hij
had dat dier zeker dien godennaam gegeven, omdat hij al diens ondeugd
bezat. Maar zijn meester was verrukt over hem en zoo ingenomen met
zijn manieren, dat hij hem voortdurend in zijn armen hield. Nunez en ik
deden alsof die aap ons zeer interesseerde. Eindelijk zei de Siciliaan:
"Mijn vriend, ge kunt als een van mijn secretarissen bij mij in dienst
treden. Uw salaris zal tweehonderd pistolen per jaar bedragen. Het is
voor mij voldoende, dat don Fabricius u aan mij heeft voorgesteld en
voor u instaat." "Ja mijnheer," zei Nunez, "Ik ben stoutmoediger dan
Plato, die niet durfde instaan voor een van zijn vrienden, die hij
aan Denis, den tiran, zond. Ik vrees niet mij verwijten te berokkenen."
Ik bedankte door een buiging mijn vriend, den dichter van Asturië,
voor zijn welwillende stoutmoedigheid. Vervolgens mij tot mijn
nieuwen meester richtende, gaf ik hem de verzekering van mijn ijver
en mijn trouw. Deze liet, zoodra hij gemerkt had, dat ik zijn voorstel
gaarne aannam, zijn intendant roepen, met wien hij eenigen tijd zacht
sprak. Vervolgens zei hij: "Gil Blas, ge zult later wel vernemen,
welk werk ik voor u te doen heb. In afwachting daarvan moet ge
mijn intendant maar volgen, die mijn orders, u betreffende, heeft
ontvangen." Ik gehoorzaamde, Fabricius achterlatende met den graaf
en Cupido.
De intendant nam mij mee naar zijn kamer en was zeer beleefd. Hij
liet een kleermaker halen, die mij een uniform moest aanmeten,
zooals de officieren droegen. Daarna zei hij: "Voor uw kamer zal ik
zorgen. Hebt ge al ontbeten? Niet. Maar waarom dat niet gezegd? Ge
zijt hier in een huis, waar men slechts behoeft te zeggen, wat men
wenscht, om het te hebben. Kom, ik zal u naar een plaats brengen,
waar het u aan niets zal ontbreken."
Bij die woorden bracht hij me naar beneden, naar een soort kantoor,
waar wij den hofmeester vonden, een Napolitaan, die zich met vijf
of zes van zijn vrienden tegoed deed aan ham, ossetongen en ander
gezouten vleesch, dat hem onophoudelijk noodzaakte om te drinken. Wij
voegden ons bij hen en hielpen hen, om op de uitstekende behandeling
van onzen meester te drinken. De kok onthaalde op zijn beurt drie of
vier van zijn kennissen en daarbij werd de wijn niet gespaard. Ik
zei bij mezelf, dat ik in een huis was, dat aan plundering was
overgeleverd. Dat was evenwel nog niets. Ik zag slechts bagatellen
in vergelijking met hetgeen ik niet zag.