HOOFDSTUK XIII

Gil Blas ontmoet aan het hof zijn waarden vriend Fabricius. Groote

vreugde bij beiden. Waar ze samen heengingen en van het belangrijke

gesprek, dat ze hadden.

Ik had het tot een gewoonte gemaakt, om iederen morgen naar het

koninklijk paleis te gaan en daar een paar uren te blijven om al de

grandes te zien uit- en ingaan, die daar zonder praal verschenen,

waarmee ze zich anders omringen.

Op een dag, dat ik daar rondliep en een vrij dwaas figuur maakte,

zooals trouwens zoovele anderen, bemerkte ik Fabricius, dien ik te

Valladolid had achtergelaten, als bediende bij den administrateur van

een klooster. Wat mij trof, was, dat hij zich familiaar onderhield

met den hertog de Medina Sidonia en den markies de Sainte-Croise. Die

twee heeren schenen met genoegen naar hem te luisteren. Bovendien

was hij zeer net gekleed.

Ik zei bij mezelf: "Bedrieg ik mij niet? Is dat nu de zoon van den

barbier Nunez? Misschien is hij een jong edelman, die toevallig op

hem gelijkt." Maar mijn twijfel was niet van langen duur. Hij had

ook mij herkend, kwam naar mij toe, nam mij bij de hand en bracht mij

uit het gewoel van de menschen. "Mijn waarde Gil Blas, ik ben verrukt

je weer te zien. Wat doe je te Madrid? Ben je nog in betrekking? Je

moet mij alles vertellen wat er met je is gebeurd, nadat wij elkaar

te Valladolid zoo plotseling hebben verlaten." Ik zei hem, dat ik

gaarne daartoe bereid was, maar dat de plaats hier niet geschikt was,

om hem al mijn avonturen te vertellen. "Daar heb je gelijk in. Wij

kunnen dat beter bij mij thuis doen. Kom mee. Ik woon vrij en zeer

aangenaam, volkomen naar mijn zin."

Wij hadden niet ver te loopen en kwamen aan een mooi groot huis, waarin

hij zei, dat hij woonde. Wij staken een plaatsje over en ik zag aan de

eene zijde een groote en aan de andere zijde een nauwe, donkere trap,

de eerste voerde naar prachtige appartementen, de tweede, welke wij

beklommen, naar het verblijf, dat hij zoo had geroemd. Het bestond

uit één vertrek, waarvan mijn vernuftige vriend, door dunne houten

beschotten er vier had gemaakt. Het eerste was de anti-chambre, het

tweede kabinet, het derde slaapkamer en het vierde keuken. De kamers

waren behangen met landkaarten, de meubels versleten en verkleurd.

"Nu wat zegt ge ervan? Vind je niet dat ik hier goed woon?" vroeg hij.

"Waarlijk," antwoordde ik. "Je zaken gaan zeker niet slecht in

Madrid. Heb je een of andere betrekking?"

"De hemel beware mij! Ik doe iets beters. Een voornaam heer, aan

wien dit huis toebehoort, heeft mij dit vertrek gegeven. Daarvan heb

ik vier kamers gemaakt en die gemeubileerd, zooals ge ziet. Ik heb

geen betrekking noodig en houd mij alleen bezig met zaken, die mij

genoegen geven."

"Maar spreek toch duidelijker! Wat doe je dan toch?"

"Ik ben schrijver geworden; ik schrijf in proza en ook in poëzie."

"Jij bent een gunsteling van Apollo! Dat zou ik nooit geraden

hebben. Maar wat voor bekoorlijks hebt ge dan kunnen vinden in het

leven van een dichter? Ik vind, dat die lieden in de beschaafde

maatschappij worden geminacht en niet in tel zijn."

"Hè, wat?" riep hij op zijn beurt, "Ge denkt aan die armzalige auteurs,

die werken voor boekverkoopers en comedianten! Is het te verwonderen,

dat dergelijke schrijvers niet geacht worden? Maar de goede, mijn

vriend, hebben het beter in de wereld en ik kan zonder ijdelheid

zeggen, dat ik tot hen behoor." "Je bent verstandig genoeg," zei

ik, "en dus zal hetgeen je maakt wel niet slecht zijn. Maar ik ben

benieuwd te hooren, hoe die woede om te gaan schrijven je zoo opeens

heeft aangegrepen."

Nunez hernam: "Ik kan die verwondering begrijpen. Ik was zoo tevreden

bij mijnheer Manuel Ordonnez, dat ik geen andere positie wenschte. Maar

mijn genie ontwaakte, ik maakte een comedie, die gespeeld werd

te Valladolid. Hoewel ze niets waard was, had ze een zeer groot

succes. Daaruit besloot ik, dat het publiek een goed melk-koetje

is. Die overweging en de lust om meer te schrijven deden mij besluiten

mijn betrekking neer te leggen. De liefde voor de poëzie ontnam mij

die voor den rijkdom. Ik besloot naar Madrid te gaan, het centrum van

alle groote geesten en vroeg dus mijn ontslag aan den administrateur,

die het mij niet zonder leedwezen gaf, want hij hield veel van

mij. "Fabricius," zei hij me, "waarom wil je mij verlaten? Heb ik je

soms onbewust redenen gegeven tot ontevredenheid?" Ik antwoordde:

"Neen mijnheer, ge zijt de beste van alle meesters, ik ben u zeer

dankbaar voor uw goedheid, maar men moet zijn ster volgen. Ik

gevoel mij geboren om mijn naam te vereeuwigen door werken van den

geest!" "Wat een dwaasheid! Ge zijt hier nu gewend geraakt, ge zijt

van het hout gemaakt, waarvan men goede administrateurs maakt en nu

gaat ge een solied bestaan verlaten, om je in de zotternij te begeven!"

De administrateur zag wel, dat het nutteloos was om mijn plan te

bestrijden; hij betaalde mijn salaris en gaf mij nog vijftig ducaten

cadeau, uit dankbaarheid voor mijn diensten. Met dat geld en het

sommetje, dat ik reeds door allerlei kleine zaakjes bij elkaar

gebracht had, kon ik mij, toen ik in Madrid kwam, goed vestigen

en ik deed dat ook, hoewel de schrijvers van onze natie zich weinig

bekommeren om zulke zaken. Weldra kende ik Lopes de Vega Carpio, Miguel

Cervantes de Saavedra en andere beroemde schrijvers, maar boven die

groote mannen koos ik mij tot onderwijzer een jong letterkundige,

den onvergelijkelijken don Louis de Gangora, het grootste genie,

dat Spanje ooit heeft voortgebracht. Hij wil niet, dat zijn werken

gedrukt zullen worden bij zijn leven, hij stelt zich er mee tevreden,

ze aan zijn vrienden voor te lezen. Het merkwaardigste van hem is, dat

de natuur hem een zeldzaam talent heeft gegeven voor alle soorten van

poëzie. Hij munt voornamelijk uit in satyrische stukken. Hij is niet

als Lucilius, een modderige vloed, die veel slijk meevoert, maar 't

is de Taag, die zijn heldere wateren voortrolt over het gouden zand."

"Ge geeft me daar," zei ik tot Fabricius, "een schoon portret van

dien letterkundige en ik twijfel er niet aan, of een persoon van

zulke verdiensten moet zeer worden benijd."

"Alle schrijvers," zei hij, "hebben tegen hem samengespannen, de

goede zoowel als de slechte. De een zegt, dat hij te gezwollen en te

bloemrijk is, een ander beweert, dat zijn verzen even duister zijn als

de liederen, die de Salische priesters bij hunne processies zingen en

die niemand kan verstaan. Weer een derde verwijt hem, dat hij werk wil

leveren in allerlei genre. Maar dat is alles slechts jaloezie. Ik heb

mijn leertijd gehad bij een zeer bekwaam meester en ik durf zeggen

daarvan een goed gebruik te hebben gemaakt, zoodat ik reeds stukken

maak, die zeer gewild zijn. Zijn voorbeeld volgende, bied ik mijn werk

aan in de huizen der grooten, waar ik uitstekend word ontvangen en

te doen heb met menschen, die niet moeilijk zijn. Verschillende van

die heeren zijn zeer op mijn gezelschap gesteld en voornamelijk met

den hertog de Medina Sidonia leef ik, als Horatius met Mecenas. En

nu heb ik u niets meer te vertellen. Vertel mij nu, op jouw beurt,

je wedervaren."

Ik kwam daarop aan het woord en deed hem een omstandig verhaal, zooals

hij verlangde. Daarna kwam de kwestie van het diner. Hij haalde uit

zijn kast brood, een stuk gebraden vleesch en een flesch uitmuntenden

wijn en wij zetten ons aan tafel, vroolijk, als twee vrienden, die

elkaar na een lange scheiding ontmoeten. "Je ziet," zei hij, "dat

ik een vrij en onafhankelijk leven leid. Indien ik het voorbeeld van

velen mijner confraters wilde volgen, zou ik iederen dag bij voorname

personen gaan eten, maar behalve dat de liefde voor mijn werk mij thuis

doet blijven, kan ik mij even gemakkelijk gewennen aan de eenzaamheid

als aan de groote wereld, aan soberheid, als aan overvloed."

Wij vonden den wijn zoo goed, dat hij nog een tweede flesch

haalde. Zoo sprekende zei ik hem, dat ik wel graag eens een van zijn

voortbrengselen zou willen leeren kennen. Dadelijk zocht hij onder zijn

papieren een sonnet, dat hij mij voorlas op een gezwollen toon. Het

werk was mij zoo duister, dat ik er niets van begreep. Hij merkte het

en zei: "Dit sonnet is je niet zeer duidelijk, niet waar?" Ik bekende,

dat een weinig meer helderheid niet ongewenscht zou zijn. Hij lachte

mij uit. "Indien dit sonnet niet geheel verstaanbaar is, mijn vriend,

des te beter! Sonnettes, odes en andere verheven werken voegen zich

niet naar het eenvoudige en natuurlijke; 't is juist het duistere,

dat er de verdienste van uitmaakt. Het is voldoende als de dichter

zelf maar denkt, dat hij het begrijpt."

"Je houdt mij voor den gek!" riep ik. "Elk vers, van welken aard

ook, behoort duidelijk en begrijpelijk te zijn en wanneer je

onvergelijkelijke vriend Gangora niet helderder schrijft dan jij,

dan moet ik je zeggen, dat hij in mijn oogen niet veel waard is. Maar

laat me nu eens wat van je proza hooren!"

Nunez liet mij een voorrede lezen, die hij wilde uitgeven ter inleiding

van een verzameling tooneelstukken, die hij op de pers had. Hij

vroeg mij na de lezing, wat ik ervan dacht. "Ik ben," antwoordde ik,

"over je proza al even weinig voldaan als over je poëzie. Je sonnet is

niets dan pompeuze wartaal en er zijn in je voorrede te veel gezochte

uitdrukkingen en gewrongen zinnen. Je stijl is, in één woord ongewoon;

de boeken van onze goede oude schrijvers zijn zoo niet geschreven."

"Arme onnoozele!" riep Fabricius. "Je weet niet, dat heden ten

dage ieder prozaschrijver, die naar de reputatie streeft, om een

fijnversneden pen te hebben, dien ongewonen stijl bezigt en die

gewrongen uitdrukkingen, waaraan jij je stoot. Wij zijn met vijf of

zes moderne schrijvers, die ondernomen hebben de taal van wit in

zwart te veranderen en wij zullen tot ons doel geraken, ten spijt

van Lopes de Vega, van Cervantes en al de anderen, die ons bespotten

om onze nieuwe manier van schrijven. Wij hebben vele aanhangers en

daaronder vele gewichtige personen, ook theologen. Alles daargelaten,

is ons streven loffelijk, wij willen beter zijn dan die natuurlijke

schrijvers, die spreken als alle gewone menschen. Ik begrijp niet, dat

er nog zooveel menschen zijn, die hen vereeren. Dat was goed in Athene

en in Rome en 't is daarom, dat Socrates tegen Alcibiades zei, dat

het volk een uitstekend meester was in de taal. Maar in Madrid hebben

wij een goed en een slecht gebruik daarvan en onze hovelingen drukken

zich anders uit dan onze burgers; onze stijl munt uit boven dien van

onze tegenstanders, het bevallige van onze dictie boven de platheid in

de hunne. Ik zal je een voorbeeld geven. Zij zouden b.v. heel gewoon

zeggen: "de terzijdes verfraaien een tooneelstuk." En wij zeggen,

veel mooier: "de terzijdes maken schoonheid in een tooneelstuk." Let

goed op dat--maken schoonheid--Voel je daar al het schitterende,

fijngevoelige, lieve van?"

"Loop heen, Fabricius, met je bevallige taal!" riep ik en hij

antwoordde mij met de woorden van den aartsbisschop: "Vaarwel,

mijnheer Gil Blas, ik wensch u een beetje meer smaak toe."

Zijn goed humeur had intusschen niet geleden door mijn weinigen

eerbied voor zijn geschriften. Wij ledigden onze tweede flesch,

waarna we in een aangename stemming van tafel opstonden, om wat in

het Prado te gaan wandelen. Maar wij kwamen voorbij het huis van een

koopman in likeuren en besloten daar binnen te gaan.

Gewoonlijk vindt men op zulke plaatsen een goed gezelschap. Hier

waren twee zalen, waarin zich de heeren op verschillende wijzen

vermaakten. In de eene speelde men kaart of schaakte men, in de tweede

werd een levendige discussie gevoerd. Men behoefde niet dichterbij te

komen, om te hooren, dat een onderwerp uit de metaphysica hun stof

gaf tot discours. "Wat een levendigheid! En wat een longen!" zei

mijn metgezel.

"Die heeren zijn eigenlijk geboren om marktschreeuwers te worden. De

meeste menschen zijn niet op hun goede plaats in de maatschappij."

Daar wij ons niet doof wilden laten schreeuwen, gingen wij in

een hoek van de andere zaal zitten en namen het gaande en komende

publiek op. Nunez kende die menschen bijna allen. "Almachtig! het

dispuut van onze filosophen zal niet zoo gauw afgeloopen zijn; hier

komen versche troepen; de drie mannen, die nu binnen komen zullen

er ongetwijfeld aan deelnemen. Maar zie je die twee origineelen, die

daar weggaan? Dat kleine manneke met zijn taan-kleurig gezicht is don

Julie de Villanano. Hij is een fatje, die zich meestal met honden

vermaakt. Een mijner vrienden en ik gingen eens bij hem dineeren;

wij vonden hem bezig met de stukken van een proces, waarover hij

rapport moest uitbrengen, te laten rapporteeren door een grooten

jachthond, die ze natuurlijk in flarden scheurde. De geestelijke, die

hem vergezelt is don Chérubin Tonto. Hij is de grootste stommeling,

die er bestaat. Hij heeft een geestig uiterlijk en schitterende oogen,

zoodat men hem voor een knap man zou kunnen houden, maar leest men

hem een passage voor uit een mooi boek, dan begrijpt hij er niets van."

"Ken je," vroeg ik Nunez, "die twee slechtgekamde heeren, die daar

stil in een hoek zitten te praten?"

"Neen," antwoordde hij, "hunne gezichten komen mij niet bekend

voor. Maar het schijnen politici te zijn, die het gouvernement

beoordeelen. Kijk eens naar dien mijnheer, die daar heen en weer

loopt. Dat is don Augustin Moreto, een jong dichter, niet zonder talent

geboren, maar door vleiers en domme menschen bijna gek gemaakt. Daar

komen nog meer schrijvers binnen! Dat zijn don Bernard Deslenguado en

don Sebastien de Villa Viciosa. De eerste is een schrijver vol gal,

die er behagen in schept om heel de wereld te haten en van wien niemand

houdt. De andere is een goede jongen, die onlangs een comediestuk heeft

geschreven, dat zeer goed is gegaan en dat hij heeft laten drukken

om niet langer misbruik te maken van de achting van het publiek."

De leerling van Gangora wilde mij nog andere personen gaan beschrijven,

maar er kwam iemand, behoorende tot het gevolg van den hertog de Medina

Sidonia, hem zeggen: "Don Fabricius, ik zoek u, om u te zeggen dat onze

meester u wel zou willen spreken. Hij wacht u bij hem thuis." Nunez,

die wist, dat men niet spoedig genoeg kan voldoen aan de wenschen

van groote heeren, verliet mij dadelijk, om zijn Mecenas te gaan

bezoeken. Hij liet mij achter, verwonderd dat men hem met "don"

aansprak, dat hij dus van adel was geworden, ten spijt van zijn vader,

meester Chrysostome, den barbier.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 23 / 98 题