Gil Blas gaat in een hotel logeeren, waar hij kennis maakt met den
kapitein Chinchilla; welke man deze officier was en welke zaak hem
naar Madrid had gebracht.
Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar,
onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië
logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen,
dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don
Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder
verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een
arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen
had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende
plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem
niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit
en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben
gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de
hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden
hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een
been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen
en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel,
hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft,
die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te
stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids
uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.
Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveel geld had
stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten
rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen
door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor
te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te
laten schrijven. "Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er
niet de minste notitie van neemt." Ik troostte hem door te zeggen,
dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde
mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister
gesproken had en deze had hem gezegd: "Mijnheer, ge behoeft niet zoo
op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan,
door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke
aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een
Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt,
niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men
u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning,
die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben
bewezen aan den staat." "Gij ziet dus wel," zoo ging de kapitein voort,
"dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel
terug zal gaan, zooals ik ben gekomen."
Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in
verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld
aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen
tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om
niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn
maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij
sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien
zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij
wilde dineeren en het avondeten gebruiken.
Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite
voor hem zijn smeekschriften te schrijven en die met hem samen te
stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den
bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was
een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken
van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit
in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden,
om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen,
men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht
gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den
duivel zouden loopen.
Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat
een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen
op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten
had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn
geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. "Er steekt niets
in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen
de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er
is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een
dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel
het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet
uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de
verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus
van dezen Keizer heeft gekregen."
Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot
de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en
wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij
samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man,
die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: "Mijn waarde
oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak
brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen,
beschik dan over mij."
"Hoe, Pédrille?" vroeg de oude heer, "als men u hoort, moet ge in
dit huis een post van gewicht bekleeden."
"Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo,
als gij zijt, te helpen," was het antwoord.
Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man,
die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal
woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht
van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat
hij van plan was te doen.
Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren
en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: "Het is een jongen, die
eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in
een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij
weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp."
Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. "Heeren," zei hij,
"gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke
mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats
niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei
bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de
Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna
iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. 't Is een jong,
mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng
ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor
haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar
te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een
klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het
verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman
zal houden."
Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij
had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog
minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door
te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen
hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die
bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite
slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette
het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift
en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond
aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken,
dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later
zagen wij de uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met
een triomfantelijk gezicht en zei: "Goed nieuws. De koning zal een
uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik
ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten
zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge
zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets
wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn
ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar
dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een
beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld
aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom."
Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon
jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman
merkte echter op: "We hebben te doen met een nog al wantrouwig
persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in
contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen."
"Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!"
"Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik
ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien
procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste
jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en
betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla."
Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een
pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed
daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet
meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.