HOOFDSTUK XII

Gil Blas gaat in een hotel logeeren, waar hij kennis maakt met den

kapitein Chinchilla; welke man deze officier was en welke zaak hem

naar Madrid had gebracht.

Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar,

onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië

logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen,

dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don

Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder

verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een

arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen

had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende

plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem

niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit

en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben

gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de

hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden

hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een

been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen

en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel,

hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft,

die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te

stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids

uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.

Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveel geld had

stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten

rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen

door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor

te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te

laten schrijven. "Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er

niet de minste notitie van neemt." Ik troostte hem door te zeggen,

dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde

mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister

gesproken had en deze had hem gezegd: "Mijnheer, ge behoeft niet zoo

op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan,

door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke

aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een

Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt,

niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men

u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning,

die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben

bewezen aan den staat." "Gij ziet dus wel," zoo ging de kapitein voort,

"dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel

terug zal gaan, zooals ik ben gekomen."

Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in

verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld

aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen

tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om

niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn

maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij

sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien

zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij

wilde dineeren en het avondeten gebruiken.

Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite

voor hem zijn smeekschriften te schrijven en die met hem samen te

stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den

bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was

een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken

van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit

in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden,

om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen,

men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht

gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den

duivel zouden loopen.

Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat

een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen

op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten

had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn

geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. "Er steekt niets

in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen

de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er

is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een

dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel

het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet

uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de

verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus

van dezen Keizer heeft gekregen."

Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot

de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en

wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij

samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man,

die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: "Mijn waarde

oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak

brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen,

beschik dan over mij."

"Hoe, Pédrille?" vroeg de oude heer, "als men u hoort, moet ge in

dit huis een post van gewicht bekleeden."

"Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo,

als gij zijt, te helpen," was het antwoord.

Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man,

die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal

woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht

van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat

hij van plan was te doen.

Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren

en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: "Het is een jongen, die

eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in

een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij

weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp."

Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. "Heeren," zei hij,

"gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke

mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats

niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei

bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de

Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna

iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. 't Is een jong,

mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng

ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor

haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar

te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een

klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het

verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman

zal houden."

Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij

had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog

minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door

te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen

hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die

bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite

slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette

het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift

en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond

aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken,

dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later

zagen wij de uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met

een triomfantelijk gezicht en zei: "Goed nieuws. De koning zal een

uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik

ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten

zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge

zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets

wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn

ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar

dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een

beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld

aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom."

Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon

jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman

merkte echter op: "We hebben te doen met een nog al wantrouwig

persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in

contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen."

"Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!"

"Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik

ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien

procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste

jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en

betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla."

Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een

pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed

daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet

meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 22 / 98 题