HOOFDSTUK VIII

Van de ontvangst, die de comedianten van Granada Gil Blas bereidden

en van de kennismaking, die hij hernieuwde in de foyers van den

schouwburg.

Toen Laura haar geschiedenis geëindigd had, kwam een oude actrice

om haar mee te nemen naar den schouwburg. Mijn zuster stelde aan

deze bejaarde figuur haar broeder voor en er volgden van weerszijden

vele complimenten.

Ik verliet beiden, na Laura gezegd te hebben, dat ik haar in de

comedie zou terugzien, als ik mijn goed had gebracht naar het huis

van den markies de Marialva, dat ze mij had aangewezen. Met een man,

die mijn koffer droeg, ging ik van mijn kamer naar het huis van mijn

nieuwen meester. Ik werd ontvangen door den intendant, die mij zeer

beleefd welkom heette en naar mijn kamer bracht. Dat was een klein

vertrekje, boven in het huis, met een niet te groot bed, een kast en

twee stoelen. Mijn geleider zei: "U hebt het hier niet te ruim, maar

in Lissabon zult ge prachtig logeeren." Ik sloot mijn valies weg en

vroeg hoe laat men soupeerde. Hij antwoordde mij, dat onze meester dat

gewoonlijk niet thuis deed en aan ieder van zijn personeel maandelijks

een zekere som gaf om voor zijn eigen voeding te zorgen. Nog andere

vragen deed ik, en uit de antwoorden, die ik kreeg, leidde ik af, dat

de lieden van den markies gelukkige nietsdoeners waren. Ik verliet den

intendant, om Laura op te zoeken en hield mij onderweg aangenaam bezig

met de voorstelling, die ik mij van mijn nieuwe betrekking maakte.

Aan den schouwburg had ik nog niet gezegd, dat ik de broeder was

van Estelle, of alles stond voor mij open. De wachters maakten

ruim baan voor mij, alsof ik een van de voornaamste personen van de

stad was. Allen, die ik op mijn weg tegenkwam, waren buitengewoon

beleefd. Maar dat alles beteekende nog niets, vergeleken bij de

ontvangst, die mij in den foyer te beurt viel. Daar vond ik het geheele

gezelschap gekleed en gereed om te beginnen. De acteurs en actrices,

aan wie Laura mij voorstelde, wierpen zich als 't ware op mij. De

vrouwen drukten hare gezichten op het mijne en bedekten het met rood

en wit. Niemand wilde de laatste zijn, om mij te complimenteeren en

ze begonnen allen tegelijk met mij te spreken. Het was mij onmogelijk

om op alles antwoord te geven, maar mijn zuster kwam mij te hulp en

haar geoefende tong maakte, dat iedereen zijn beurt kreeg.

Daarmee was ik er echter nog niet af, ik werd nog begroet door

den decorateur, de violisten, den souffleur, den grimeur, den

kaarsensnuiter en den onder-kaarsensnuiter. Het scheen wel, of al die

menschen gevonden kinderen waren, die nooit een broer hadden gezien.

Intusschen begon men te spelen en ik bleef achter de coulissen, waar ik

mij onderhield met de personen, die niet behoefden op te treden. Een

was er onder hen, die Melchior werd genoemd. Die naam trof mij en

het scheen mij, dat ik den man elders had gezien. Eindelijk herkende

ik in hem Melchior Zapata, dien armen, rondreizenden tooneelspeler,

die, zooals ik in het eerste gedeelte van mijn geschiedenis [1]

heb meegedeeld, korsten brood doopte in een fontein.

Ik wendde mij tot hem en zei: "Als ik mij niet bedrieg, dan zijt ge

dezelfde heer Melchior, met wien ik eens de eer heb gehad te ontbijten

aan den rand van een bron, tusschen Valladolid en Ségovia. Ik was een

barbiersleerling. Wij voegden onze provisie bij de uwe en hadden een

maal, dat aangenaam gekruid werd door een gezellige conversatie."

Zapata dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen: "Ge spreekt

me van iets, wat ik mij nog zeer goed kan herinneren. Ik had toen

gedebuteerd in Madrid en keerde naar Zamora terug. Mijn zaken stonden

toen zeer slecht."

"Ik herinner mij ook nog," zei ik, "dat ge u toen zeer beklaagde over

een al te verstandige vrouw, die ge hadt."

"O, dat is sinds dien tijd veel verbeterd," antwoordde hij.

Ik wilde hem daarmee gelukwenschen, toen hij mij verlaten moest

om op te treden. Benieuwd om iets omtrent die vrouw te vernemen,

vroeg ik een anderen acteur, die me zei, "O, ge kunt haar zien,

het is Narcissa, na uw zuster de mooiste van onze dames."

Er kwam een vermoeden bij mij op, dat deze actrice degene was aan

wie de markies de Marialva het hof had gemaakt, voor hij zijn Estelle

had ontmoet en mijn vermoeden bleek maar al te juist.

Aan het eind van het stuk bracht ik Laura naar huis. Men maakte een

groote tafel gereed en ze wilde hebben, dat ik zou blijven soupeeren,

maar ik wilde dat niet doen tegenover mijn meester en ging naar een

restauratie, waar ik mij voornam iederen dag te gaan eten, daar mijn

meester er geen tafel op nahield.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 18 / 98 题