HOOFDSTUK VII

Geschiedenis van Laura.

Ik zal u zoo duidelijk mogelijk vertellen, door welk toeval ik mijn

tegenwoordig vak heb gekozen.

Nadat ge mij op zoo beleefde wijze verlaten hadt, gebeurden er groote

dingen. Arsénia, mijn meesteres, vermoeid van de wereld, zei het

tooneel vaarwel en nam mij mee naar een landgoed, dat ze gekocht had

bij Zamora. Wij hadden weldra vele kennissen in die kleine stad en

ik ontmoette er don Felix Maldonado, eenigen zoon van den rechter. Ik

beviel hem en hij zocht naar gelegenheden, om mij zonder getuigen te

spreken; om je de waarheid te zeggen, kan ik niet ontkennen, dat ik

hem hielp, om die te vinden. Hij was nauwelijks twintig jaar, schoon

en door zijn galante manieren nog meer verleidelijk, dan door zijn

uiterlijk. Al spoedig bood hij mij met zooveel aandrang een prachtigen

brillant aan, dien hij aan den vinger droeg, dat ik niet kon weigeren.

Wat een onvoorzichtigheid echter van een grisette, om kinderen tot zich

te trekken, waarover een vader macht bezit. De rechter, de strengste in

zijn soort, haastte zich, toen hij van onze verstandhouding hoorde,

om er een eind aan te maken. Hij liet mij oplichten door eenige

gerechtsdienaren, die mij, niettegenstaande mijn kreten, naar een

klooster brachten.

Daar liet de overste mij zonder vorm van proces mijn ring afdoen,

mijn kleeren uittrekken en een langen grijzen japon aandoen, met een

breeden zwart lederen ceintuur om het middel, waaraan een rozenkrans

hing. Daarna bracht ze mij naar een andere zaal, waar mij een oude

monnik wachtte van ik weet niet welke orde, die mij begon te preeken

over boetedoening. Hij zei me, dat ik veel verplichting had aan

personen, die mij een dienst hadden bewezen, door mij te redden uit

de klauwen van den demon, waarin ik was gevallen. Ik bekende ronduit

mijn ondankbaarheid, en wel verre van mij verplicht te gevoelen aan

de personen, die mij dat genoegen hadden bereid, overlaadde ik hen

met minder vleiende namen.

Acht dagen bracht ik zoo in wanhoop door, toen mijn lot scheen

te veranderen. Een kleine plaats overstekende, ontmoette ik den

rentmeester van het huis, iemand, aan wien alles was onderworpen; de

overste zelfs gehoorzaamde hem. Hij had van zijn beheer alleen maar

verantwoording te geven aan den rechter, van wien hij afhankelijk

was en die vertrouwen in hem scheen te stellen. Hij heette don Pédro

Zendono en was geboren in Biscaye. Stel je een man voor, zeer bleek en

mager, een figuur om aan een schilder voor dief te dienen. De zusters

scheen hij nauwelijks aan te zien. Je hebt nooit zoo'n huichelachtig

gezicht gezien, hoewel je in het paleis van den bisschop hebt gewoond.

Ik ontmoette dus dien mijnheer Zendono, die mij aanhield en zei:

"Troost u, mijn dochter, ik ben begaan met uw verdriet." Hij zei niets

meer en vervolgde zijn weg, het aan mij overlatende, om bespiegelingen

te houden over dien korten tekst. Daar ik hem als man van gewicht

beschouwde, dacht ik werkelijk, dat hij zich moeite zou geven, om te

onderzoeken waarom men mij had opgesloten en dat hij, daar hij me niet

schuldig genoeg zou vinden om zoo behandeld te worden, mijn belangen

bij den rechter zou voorstaan. Maar ik kende den Biscayer niet, hij

had andere plannen. In zijn geest had hij een reisplan opgemaakt,

dat hij mij in vertrouwen meedeelde. Hij zei: "Mijn beste Laura,

ik ben getroffen door uw smart en ik heb besloten daaraan een eind

te maken. Ik weet wel, dat ik mijzelf daardoor in het verderf stort,

maar ik kan niet anders en ik wil alleen voor u leven. De toestand,

waarin ik u geplaatst zie, doorboort mij het hart. Morgen zal ik u

uit uw gevangenis verlossen en u zelf naar Madrid brengen. Alles wil

ik opofferen, om het geluk te hebben uw bevrijder te zijn."

Ik dacht van vreugde te bezwijmen bij die woorden van Zendono, die mij

den volgenden dag schaakte op een wijze, die ik je zal meedeelen. Hij

zei aan de overste van het klooster, dat hij last had van den rechter,

om mij bij hem te brengen in een uitspanning, die zich op eenige

mijlen afstand bevond. Hij liet mij plaats nemen in een rijtuig,

dat door twee goede muilezels werd getrokken, expresselijk voor deze

gelegenheid door hem gekocht. Niemand ging mee, dan een knecht,

die ons reed. Wij reden niet in de richting van Madrid, zooals ik

had verwacht, maar naar de Portugeesche grenzen, waar wij aankwamen

in minder tijd dan de rechter van Zamora had noodig gehad om bericht

te krijgen van ons vertrek en zijn gerechtsdienaren uit te zenden,

om ons op te sporen.

Voor wij over de grenzen gingen, liet de Biscayer mij manskleeren

aantrekken, die hij had meegenomen. Toen wij in een hotel aankwamen,

waar wij zouden overnachten, zei hij: "Schoone Laura, wees er niet

kwaad om, dat ik u heb meegenomen naar Portugal. De rechter van

Zamora zal ons in ons vaderland doen zoeken als twee misdadigers,

aan wie Spanje geen veilige schuilplaats biedt. Maar wij kunnen hier

in dit vreemde land leven, hoewel het onder het beheer van Spanje

staat. Laat u overreden, mijn engel, volg een man, die u aanbidt. Laten

wij naar Coimbre gaan! Daar zal ik een plaats vinden als spion van

den heiligen dienst en in de schaduwen van dat machtige gerechtshof,

kunnen wij rustig onze dagen in stille genoegens slijten."

Dit voorstel deed mij zien welke beweegredenen hij had om mij

als geleider te willen dienen. Ik begreep, dat hij op mijn

dankbaarheid rekende en meer nog op mijn ellende. Maar, hoewel

die beide zaken in zijn voordeel spraken, weigerde ik beslist, wat

hij mij voorstelde. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat er twee

gewichtige redenen waren, waarom ik zoo terughoudend was: hij viel

niet in mijn smaak en ik geloofde niet, dat hij rijk was. Maar toen

hij bleef aandringen, aanbood mij te trouwen en mij liet zien, dat

hij in zijn betrekking genoeg terzijde had gelegd, om lang van te

kunnen leven, begon ik naar hem te luisteren. Ik was verblind door

het goud en de edelsteenen, die hij voor mij uitspreidde en ervoer,

dat het eigenbelang de menschen even goed kan doen veranderen als de

liefde. Mijn Biscayer werd voor mij een andere man. Zijn lang lichaam

nam den vorm aan van een fijne taille, zijn geel gezicht scheen van

een schoone blankheid en zelfs zijn huichelachtige grijns stond mij

minder tegen. Dus nam ik zijn hand aan voor het oog van den hemel,

dien hij als getuige aanriep van ons engagement. Wij gingen op reis

en Coimbra zag weldra binnen hare muren een nieuw huishouden.

Mijn man kocht nieuwe kleeren voor mij en schonk mij verschillende

diamanten, waaronder die van don Felix Maldonado. Dus ik behoefde

niet te raden vanwaar de kostbare steenen kwamen, die ik gezien had

en ik was ervan overtuigd getrouwd te zijn met iemand, die geen trouw

opvolger was van het zevende gebod. Daar ik echter mijzelf als de

eerste oorzaak van zijn handgrepen beschouwde, vergaf ik ze hem. Een

vrouw verontschuldigt ook de slechte daden, die haar schoonheid doet

bedrijven. Wat zou ik hem anders slecht gevonden hebben!

Gedurende twee of drie maanden was ik tamelijk tevreden over hem. Hij

had altijd galante manieren en scheen mij teeder te beminnen. Maar al

die bewijzen van vriendschap waren slechts schijn geweest. De schelm

bedroog mij en bereidde mij het lot, dat elk meisje, dat door een

slechten man verleid is, te wachten heeft. Toen ik op een ochtend

uit de mis kwam, vond ik in huis alleen de muren, alle meubelen en

zelfs mijn kleeren waren weggehaald. Zendono en zijn trouwe knecht

hadden hunne maatregelen zoo goed genomen, dat het huis in een uur

was leeggedragen. Zoo stond ik dus als een tweede Ariadne, door een

ondankbaren minnaar verlaten, met niets anders dan de kleeren, die ik

aan had en den ring van don Felix, dien ik gelukkig aan mijn vinger

had gedragen. Maar ik verzeker je, dat ik geen lange klaagliederen

begon te zingen, ik was veel te blij, verlost te zijn van een ouden

schelm, die toch den een of anderen dag in handen van de justitie

zou zijn gevallen. Den tijd, dien wij samen hadden doorgebracht,

beschouwde ik eenvoudig als verloren.

Indien ik in Portugal was gebleven en daar een betrekking had gezocht

bij een aanzienlijke dame, zou ik wel zijn geslaagd, maar, hetzij

uit liefde voor mijn vaderland, hetzij dat ik geleid werd door mijn

geluksster, ik dacht aan niets anders dan aan terugkeeren naar Spanje.

Ik verkocht mijn ring en vertrok samen met een oude Spaansche dame, die

Dorothea heette, hare familie in Coimbra had bezocht en nu terugkeerde

naar Sévilla, waar ze woonde. Er was al dadelijk veel sympathie

tusschen ons, die op reis nog grooter werd en toen wij aankwamen,

wilde zij niet, dat ik ergens anders mijn intrek zou nemen, dan in haar

huis. Ik had geen reden om spijt te hebben over die kennismaking. Nooit

heb ik een vrouw ontmoet met een beter karakter. Naar haar trekken en

levendige oogen te oordeelen, moest ze vroeger vele guitaren aan het

tokkelen hebben gebracht. Zij was dan ook de weduwe van verschillende

adellijke echtgenooten en kon behoorlijk van de opbrengst leven.

Onder andere goede hoedanigheden bezat zij ook deze, dat zij zeer

medelijdend was voor het ongeluk van meisjes. Levendig belang stelde

zij in mijn avonturen. Toen ik haar alles van Zendono had verteld, zei

ze op een toon alsof zij zelf ook wel eens zulke exemplaren op haar

levensweg had ontmoet: "Die honden van mannen! Die ellendelingen! Er

zijn van die schelmen in de wereld, die er een spel van maken, om

een vrouw te bedriegen. De eenige troost, mijn lief kind, is, dat

ge volstrekt niet gebonden zijt aan dien schelm van een Biscayer. Al

is uw huwelijk met hem goed genoeg om u als excuus te dienen, het is

daarentegen ook slecht genoeg om u toe te staan een beter aan te gaan,

indien ge daartoe gelegenheid zult vinden."

Iederen dag ging ik met Dorothea naar de kerk en visites maken,

wat de middelen waren, om spoedig een avontuur te hebben. Ik trok

de aandacht van vele heeren, maar enkelen hadden geen geld, anderen

waren te jong, zoodat ik mij met niemand inliet.

Op zekeren dag kwam het Dorothea en mij in den zin om naar den

schouwburg te gaan. Er was aangeplakt, dat ze zouden spelen: "De

beroemde Comedie; de Ambassadeur van Sirmismo", door Lope de Vega

Carpio. Onder de actrices herkende ik een oude vriendin, Phénice, die

kamenier bij Florimonde is geweest en met wie je wel eens gesoupeerd

hebt bij Arsénia. Ik wist wel, dat Phénice sinds twee jaar uit Madrid

was, maar 't was mij niet bekend, dat ze actrice was geworden,

Na afloop van het stuk, dat vrij lang duurde en mij verveelde, omdat

er niet goed genoeg en ook niet slecht genoeg gespeeld werd, om mij

te amuseeren, gingen wij Phénice opzoeken, die zeer verheugd was mij

te zien en daar we 's avonds weinig tijd meer hadden, spraken we af,

dat we elkaar den volgenden morgen zouden ontmoeten. Het pleizier

van te praten is een der grootste genoegens voor vrouwen en vooral

voor mij. Ik kon den heelen nacht geen oog dicht doen van verlangen

om met Phénice aan den slag te komen en haar vraag op vraag te doen.

Phénice was gelogeerd in een groot hotel. Een dienstmeid, die mij den

weg wees, bracht mij in een gang, waarop tien of twaalf kleine kamers

uitkwamen; hier woonden de leden van het gezelschap. Mijn geleidster

klopte aan de deur, die Phénice, wier tong evenzeer jeukte als de

mijne, opendeed. We gunden ons nauwelijks den tijd om te gaan zitten

bij ons gekakel.

Wij hadden elkaar heel wat te vertellen van hetgeen wij in den

laatsten tijd hadden beleefd. Het scheen wel, dat er geen eind kwam

aan al het vragen en antwoorden.

Eindelijk vroeg Phénice mij, wat ik van plan was te gaan doen, want

ze zei, dat een meisje als ik toch iets moest worden en dat het niet

aanging een onnut wezen te zijn in de maatschappij. Ik antwoordde haar,

dat ik, in afwachting van beter, een betrekking wilde zoeken bij een

of andere voorname dame. "Wel foei!" riep mijn vriendin, "hoe kan je

aan zoo iets denken! Hoe is het mogelijk, dat je nog geen tegenzin

hebt in dienstbaarheid! Ben je het niet moe, om onderworpen te zijn

aan den wil van anderen? Hun grillen te verdragen? Een slavenleven

te lijden? Volg liever mijn voorbeeld en ga bij het tooneel! Niets

is beter voor vrouwen met geest en die niet rijk zijn, of van hooge

geboorte. Het is een stand, die tusschen den adel en de burgerij

staat. Een vrij leven! Altijd in vroolijkheid! Wij geven ons geld

uit, zooals wij het verdienen. Het tooneel is vooral gunstig voor de

vrouwen. Toen ik nog kamenier was bij Florimonde--ik schaam mij nog als

ik eraan denk--lette niemand op mij. Maar sedert ik op mijn voetstuk

ben gekomen, dat is te zeggen op het tooneel, wat een verandering! Ik

zie aan mijn voeten de schitterendste jongelieden uit de steden,

waarin wij optreden. Wanneer een actrice wijs is, d. w. z. wanneer

ze niet meer dan één minnaar tegelijk begunstigt, wordt zij door de

wereld geëerd. Men prijst haar ingetogenheid en verandert zij van

galant, dan beschouwt men haar als een echte weduwe, die hertrouwt."

Hier viel ik Phénice in de rede; "waarom zegt ge me dit alles? 't Is

geen geheim meer voor mij en ik gevoel zelf ook wel neiging voor het

tooneel. Maar dat is niet voldoende, men moet talent hebben en dat heb

ik niet. Vroeger heb ik wel eens stukken voor Arsénia gereciteerd,

maar ze was er niet tevreden mee en daardoor heb ik er een tegenzin

in gekregen."

"Och kom!" zei Phénice. "Je weet toch wel, dat die groote actrices

altijd jaloersch zijn. Ik zeg je, zonder je te vleien, dat je voor

het tooneel bent geboren. Je hebt iets natuurlijks, vrijmoedigheid,

bevalligheid, een mooie stem. Wat zou je een heeren het hoofd op hol

jagen, als je actrice was!"

Ze trachtte mij nog verder over te halen, liet me eenige verzen

declameeren, die ze luid toejuichte. Voor twee collega's, die haar

kwamen bezoeken, moest ik die verzen nog eens opzeggen en ook zij

overlaadden mij met lof. Mijn bescheidenheid werd op een te zware

proef gesteld. Ik begon zelf te gelooven, dat ik iets waard was en

dus kreeg ik zin in het tooneel. Eerst legde ik nog een proefstuk af

voor alle leden van den troep en toen werd ik daarbij opgenomen.

Al het geld dat ik nog over had, besteedde ik voor het costuum bij

mijn debuut en wat er aan ontbrak om het schitterend te doen zijn,

maakte ik goed door mijn fijnen smaak.

Eindelijk verscheen ik voor het eerst op de planken. Ik gebruik een nog

te gematigd woord, mijn vriend, als ik zeg, dat het publiek verrukt

was. Grooten opgang maakte ik in Sévilla. Gedurende drie weken was

ik het onderwerp van alle gesprekken. Wel twintig heeren van stand

boden zich aan, om zorg voor mij te dragen. Wanneer ik mijn neiging

had gevolgd, dan zou ik den jongsten en den mooisten hebben genomen,

maar ons soort moet alleen eigenbelang en eerzucht in het oog houden

en daarom nam ik don Ambrosio de Nisana, die reeds oud was en niet

mooi, maar rijk en edelmoedig. 't Is waar, hij heeft er duur voor

moeten betalen. Hij huurde een mooi huis voor mij, meubelde het

prachtig, gaf me een goeden kok, twee lakeien, en duizend ducaten

in de maand. Dan nog rijke kleeren en veel juweelen. Nooit heeft

Arsénia het zoo schitterend gehad! Welk een ommekeer in mijn lot! Ik

verbeeldde mij een ander mensch te zijn en ik verbaas er mij niet meer

over, dat er meisjes zijn, die in korten tijd al de misère vergeten,

waaruit de gril van een heer ze gehaald heeft. De toejuichingen van

het publiek, de vleierijen van alle kanten en de hartstocht van don

Ambrosio, maakten mij ongeloofelijk ijdel.

Don de Nosana kwam elken avond bij mij soupeeren met eenige van zijn

vrienden. Ik begon zeer aan dat aangename leven gewend te raken, maar

het duurde slechts zes maanden. De heeren zijn wispelturig. Anders

zouden ze ook al te aardig zijn. Hij verliet mij voor een ander jong

meisje. Vier en twintig uur was ik er bedroefd over, toen nam ik een

cavalier van twee en twintig jaar, don Louis d'Alcacer, met wien zich,

wat schoon uiterlijk betrof, weinig Spanjaarden kunnen vergelijken.

Zeker zult ge mij vragen waarom ik zoo'n jongen minnaar nam, maar

don Louis had vader noch moeder meer en zijn eigen inkomsten. Wij

hadden elkaar zeer lief. Maar het bleek al zeer spoedig, dat don

Louis zeer jaloersch was en mij ieder oogenblik achtervolgde met

ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Wanneer ik op het tooneel was,

meende hij, dat ik sommigen jongelieden aanmoedigende blikken toewierp

en overlaadde mij met verwijten, zoodat onze meest teedere samenkomsten

dikwijls met twisten eindigden. Hij scheen aan die jaloezie geen

weerstand te kunnen bieden, wij verloren beiden het geduld en besloten

op zekeren dag in der minne te scheiden. Wilt ge wel gelooven,

dat de laatste dag van ons samenzijn nog het genoegelijkst voor ons

was? Wij waren beiden vermoeid door het leed, dat we elkaar hadden

gedaan en vonden er genoegen in, toen wij elkaar vaarwel zeiden. Wij

waren als twee gevangenen, die na een harde slavernij hunne vrijheid

hadden weerkregen.

Na dat avontuur ben ik zeer voorzichtig geworden in de liefde, ik

wil geen verbintenis meer, die mijn rust verstoort.

In dien tijd legde ik mij zeer op mijn rollen toe en ik kreeg den

naam van een uitstekende actrice. Toen het gezelschap te Granada mij

een voordeelig aanbod deed, besloot ik dat aan te nemen, hoeveel het

mij ook kostte om van Phénice en Dorothea afscheid te nemen, van wie

ik zooveel hield als het onder vrouwen mogelijk is. De eerste hield

zich in dien tijd druk bezig met den eigenaar van een goudsmidswinkel,

die uit ijdelheid een actrice tot maîtresse wilde hebben.

Ik heb nog vergeten om te vertellen, dat ik, toen ik bij het tooneel

ging, mijn naam Laura veranderde in Estelle.

Mijn debuut te Granada was even schitterend als te Sévilla. Weldra zag

ik mij weer omringd door aanbidders. Maar ik was zeer voorzichtig en

terughoudend, tot ik voor het eerst den markies de Marialva zag. Deze

Portugees, die uit nieuwsgierigheid Spanje bereisde, kwam in Granada

en hield zich daar op. Hij kwam in den schouwburg op een dag, dat ik

niet speelde. Met groote attentie nam hij de actrices op, die toen

optraden. Een was er, die in zijn smaak viel en den volgenden dag

maakte hij kennis met haar. Maar toen verscheen ik op het tooneel en

nam hem dadelijk voor mij in. Ik kan niet ontkennen, dat ik reeds wist

dat mijne collega hem bevallen was; en ik spaarde geen moeite om hem

te bekoren en dit gelukte mij. De andere was er wel zeer kwaad om,

maar wat te doen? Ze moest maar denken, dat dit bij vrouwen een zeer

natuurlijke zaak is, en dat zelfs de beste vriendinnen elkaar in dit

opzicht niet sparen."

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 17 / 98 题