HOOFDSTUK VI

Gil Blas gaat de comedie te Granada bezoeken. Van de verwondering, die

het zien van een actrice bij hem opwekte en hetgeen daardoor gebeurde.

Garcia was nog niet uit de zaal, of er traden twee fatsoenlijk

gekleede heeren binnen, die dicht bij mij kwamen zitten. Ze begonnen te

spreken over den schouwburg te Granada en het nieuwste stuk, dat men

speelde. Volgens hen trok dat stuk algemeen de aandacht. Door wat ik

hoorde, kreeg ik lust het eens te gaan zien. Ik had de comedie nog niet

bezocht, sedert ik te Granada was, want bij den aartsbisschop wilde men

daar niets van weten. De preeken waren mijn eenig amusement geweest.

Toen het tijd werd, ging ik dus naar den schouwburg, waar een

talrijk publiek bijeen was. Om mij heen hoorde ik niets dan

beschouwingen over het stuk en ik merkte op, dat de geheele wereld

zich tot oordeelen bevoegd achtte. De een verklaarde zich er voor,

de ander er tegen. "Heeft men wel ooit een beter geschreven werk

gezien?" werd rechts gevraagd. "Wat een erbarmelijke stijl!" klonk

het links. Waarlijk, indien er al veel slechte schrijvers zijn,

moet men toegeven, dat er nog meer slechte critici bestaan. En als

ik denk aan alles wat de dichters van drama's te slikken krijgen,

verwonder ik er mij over, dat er nog zijn, die de onwetendheid van

het groote publiek en de gevaarlijke kritiek van z. g. deskundigen,

die soms het oordeel van de menigte bederven, trotseeren.

Dadelijk toen de meest gewilde acteur op de planken verscheen, was

er een algemeen handgeklap. Het bleek me een van die tooneelspelers

aan wie het parterre alles vergeeft. Ik merkte, dat hij sommige

oogenblikken uit zijn rol was en dan eigenlijk meer verdiende om

uitgefloten, dan om toegejuicht te worden.

Ook bij het opkomen van enkele andere acteurs werd er geklapt en

eveneens bij het verschijnen van een actrice, die een kamenier's rol

had te vervullen. Ik keek haar goed aan en kon geen woorden vinden,

om mijn verbazing te uiten, toen ik Laura zag, mijn dierbare Laura,

die ik nog te Madrid bij Arsénia waande. Ik kon er niet aan twijfelen,

of zij was het. Haar taille, haar trekken, de toon van haar stem,

alles verzekerde mij, dat ik mij niet vergiste. Daar ik echter mijn

oogen en ooren niet vertrouwde, vroeg ik haar naam aan een heer,

die naast mij zat. "Ge zijt zeker een nieuweling hier, dat ge de

schoone Estelle niet kent," zei hij.

De gelijkenis was echter te treffend, dan dat ik mij kon vergissen. Dus

besloot ik, dat Laura haar naam had verwisseld en benieuwd om iets

anders omtrent haar te weten--want het publiek weet in den regel

alles van bekende acteurs en actrices--vroeg ik den man naast mij,

of ze ook een minnaar had, die zich in haar bijzondere onderscheiding

mocht verheugen. Hij antwoordde mij, dat er sinds twee maanden in

Granada een Portugeesch heer was, genaamd markies de Marialva, die

zich zeer veel aan haar gelegen liet liggen. Mijn gedachten waren door

hetgeen ik van mijn buurman had gehoord, zoo in beslag genomen, dat ik

weinig aandacht meer schonk aan het stuk. Ik dacht slechts aan Laura,

aan Estelle, en nam mij voor haar den volgenden dag te gaan bezoeken.

In de schitterende omstandigheden, waarin ze zich nu bevond, had ik

reden te vermoeden, dat het zien van mij haar geen groot genoegen zou

doen. Ook had zij er wel aanleiding toe, om ontevreden op mij te zijn,

maar dat alles kon mij niet van mijn plan terughouden. Na een karig

maal (er waren n.l. geen andere in mijn hotel) ging ik naar mijn

kamer en wachtte vol ongeduld op den volgenden morgen.

Ik sliep dien nacht slecht en stond op bij het krieken van den

dag. Daar ik onderstelde, dat de maîtresse van een grooten mijnheer 's

morgens wel niet te vroeg op zou zijn, besteedde ik drie of vier uur

om mij te kleeden, kappen, scheren en poederen. Ik wilde mij zoo aan

haar vertoonen, dat ze zich niet voor mij behoefde te schamen. Over

tienen was ik aan een groot huis, waarvan zij de eerste verdieping

bewoonde. Tegen de dienstbode, die voor mij de deur opende, zei ik,

dat een jonge man mevrouw Estelle wenschte te spreken. De boodschap

werd overgebracht en ik hoorde met luide stem vragen: "Waar is die

jonge man? Wat wil hij van mij? Laat hem binnenkomen!"

Ik leidde daaruit af, dat ik mijn tijd slecht had gekozen, dat haar

Portugeesche beminde zeker aan zijn toilet bezig was en dat zij alleen

maar zoo hard praatte, om hem te overtuigen, dat zij niet iemand was,

die verdachte bezoeken ontving. Wat ik vermoedde, bleek waarheid;

de markies de Marialva bracht steeds de ochtend met haar door. Ik

verwachtte dus een alles behalve vriendelijke ontvangst, toen de

actrice met open armen op mij toeliep en riep: "O, mijn broer! wat ben

ik blij je te zien!" Bij die woorden omhelsde ze mij en keerde zich

daarna tot den Portugees: "Vergeef mij, wij hebben elkaar in geen

drie jaren gezien en ik heb mijn broer innig lief." Daarna wendde

zij zich weer tot mij en zei: "Mijn waarde Gil Blas, vertel mij nu

eens spoedig al het nieuws omtrent de familie."

In het begin was ik wel een beetje verlegen, maar spoedig kwam ik op

mijn gemak, ik vertelde, dat het met onze ouders zeer goed ging en

het werd een aardige scène.

"Ik twijfel er niet aan," zei ze, "of ge zult verwonderd zijn, mij

als actrice in Granada te zien, maar veroordeel mij niet zonder mij

te hooren. Het is nu, zooals ge weet, drie jaar geleden, dat mijn

vader mij goed dacht uit te huwelijken, door mijn hand te schenken

aan den kapitein, don Antonio Coello, die mij van Asturië meenam naar

Madrid, zijn geboorteplaats. Zes maanden na onze aankomst, werd hij

door zijn heftig karakter in een eerezaak gewikkeld. Hij doodde een

edelman, die het gewaagd had mij eenige attenties te bewijzen. Daar

de gevallene tot een aanzienlijke familie behoorde, moest mijn man

dadelijk vluchten naar Catalonië. Al het geld en het edelgesteente,

dat hij in ons huis vond, had hij meegenomen. Hij scheepte zich te

Barcelona in, stak over naar Italië, trad in dienst van Venetië en

verloor na eenigen tijd het leven in een gevecht tegen de Turken. Het

landgoed, dat wij bezaten en dat zeer bezwaard was, werd verkocht en

ik bleef als een onvermogende weduwe achter. Ik zag geen kans naar

Asturië terug te keeren. Wat zou ik er hebben moeten doen? Van mijn

familie zou ik voor troost niets als condoleanties hebben gekregen. Wat

moest ik doen in dien ongelukkigen toestand? Voor een jonge weduwe

was dat een moeilijke zaak. Ik had een zeer goede opvoeding gehad en

om mijn goeden naam te bewaren, werd ik actrice.

Hoewel ik bepaald moeite had, om bij het einde van den roman van Laura

niet in lachen uit te barsten, zei ik op ernstigen toon: "Mijn zuster,

ik kan niet anders dan uw gedrag goedkeuren en het verheugt mij u in

Granada zoo goed te zien ingericht."

De markies de Marialva, die geen woord gemist had van het verhaal, dat

de weduwe van don Antonio had verzonnen, mengde zich in ons gesprek en

vroeg mij, of ik in Granada of elders een betrekking had. Ik dacht er

een oogenblik aan, om te liegen, maar daar ik dat niet noodzakelijk

vond, besloot ik de waarheid te zeggen en vertelde hem hoe ik bij

den aartsbisschop was gekomen en op welke wijze ik hem had verlaten,

een verhaal, waarmee hij zich kostelijk amuseerde. Vermakelijk ook

was het lachen, dat Laura herhaaldelijk deed. Natuurlijk dacht zij,

dat ik haar voorbeeld volgde en een fabeltje vertelde.

Nauwelijks had ik mijn verhaal geëindigd, of een huisknecht kwam

zeggen, dat de tafel klaar was. Ik wilde opstaan en mij verwijderen,

maar daarvan wilde Laura niet hooren. "Waar denkt ge aan? Ge dineert

met ons. En ik wil niet hebben, dat ge langer op die kamer blijft

wonen. Laat uw goed vanavond hier brengen en neem bij ons uw intrek."

De Portugeesche heer, wien die gastvrijheid zeker geen genoegen deed,

zei: "Neen Estelle, ge zijt er hier niet op ingericht, om nog iemand

te huisvesten. Uw broer schijnt mij een beminnelijk man en zijn

verwantschap met u boezemt mij belangstelling voor hem in. Ik wil

hem in mijn dienst nemen, hij kan mijn secretaris worden en is dan

verzekerd van een goede positie. Hij kan bij mij wonen, ik zal heden

nog een kamer in orde laten maken. Ik geef hem vierhonderd ducaten

salaris en wanneer ik reden heb over hem tevreden te zijn, waaraan

ik niet twijfel, dan zal hij zich er wel spoedig over troosten,

dat hij te oprecht is geweest tegen zijn aartsbisschop."

Laura en ik putten ons uit in dankbetuigingen, maar de markies wilde

er niets van hooren, hij groette zijn theaterprinses en ging heen.

Nauwelijks was hij vertrokken, of Laura nam mij mee in haar kabinet,

viel in een fauteuil en begon onbedaarlijk te lachen, welk voorbeeld

ik onmogelijk na kon laten te volgen.

"Gil Blas! Wat hebben wij daar een mooie comedie gespeeld! Maar

ik had op zulk een ontknooping niet gerekend. Ik wilde je alleen

maar een kamer en eten besparen en om je die met goed fatsoen

te kunnen aanbieden, liet ik je voor mijn broer doorgaan. Maar

't is verrukkelijk, dat je door het toeval nu zoo'n goeden post is

aangeboden. Markies de Marialva is een edelmoedig man, die nog wel

meer voor je doen zal, dan hij nu beloofde. Een andere vrouw dan ik

zou misschien een man, die haar verlaten heeft zonder haar vaarwel

te zeggen, niet zoo vriendelijk hebben ontvangen, maar ik ben nu

eenmaal van dat goede slag meisjes, die altijd met genoegen een oude

liefde weerzien."

Ik vroeg vergiffenis voor mijn onbeleefd gedrag en Laura bracht

me daarna in een zeer nette eetzaal, waar we ons aan tafel zetten

en elkaar, daar er bedienden tegenwoordig waren, als broeder en

zuster behandelden. Na het diner gingen wij weer in het kabinet. Daar

moest ik Laura alles vertellen, wat er na onze scheiding met mij was

gebeurd. Ik deed haar een zoo getrouw mogelijk rapport en toen ik

aan haar nieuwsgierigheid had voldaan, bevredigde zij de mijne.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 16 / 98 题