HOOFDSTUK V

Wat Gil Blas deed, nadat de aartsbisschop hem zijn ontslag had

gegeven. Door welk toeval hij den geestelijke ontmoette, die zooveel

verplichting aan hem had en welke bewijzen van erkentelijkheid hij

van hem ontving.

Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den

aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan

met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde

ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na

goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te

laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen,

om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke

gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.

Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem

met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester

en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior

de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn

door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het

geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den

aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar,

toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij:

"Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, 't is beter uw verdriet in stilte

te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand

respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel

geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld

te worden, maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen."

Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan

te profiteeren. Daarna zei hij nog: "Indien ge naar Madrid gaat,

bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don

Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard

is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge

met hem kennis maakte." Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph

Navarro te gaan opzoeken, zoodra ik in Madrid zou zijn, waarheen ik

wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis,

om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had

gehad, zou ik zonder twijfel naar Tolédo zijn gegaan, maar ik had het

verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste

wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in

Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.

Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet

een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een

uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer

goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.

Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf

personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten,

die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd

zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu

te kwaad op den aartsbisschop.

Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn

maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van

Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd

mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn

dankbaarheid te hebben gesproken: "Nu de fortuin mij u doet ontmoeten,

zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er

hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een

fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het

mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie

te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige

Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank."

Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk

alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik

had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat

hij bitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar

niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had,

stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen

hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare

zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte

om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij

verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: "Hallo! mijnheer

de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop

ge mij zoudt onthalen!"

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 15 / 98 题