Wat Gil Blas deed, nadat de aartsbisschop hem zijn ontslag had
gegeven. Door welk toeval hij den geestelijke ontmoette, die zooveel
verplichting aan hem had en welke bewijzen van erkentelijkheid hij
van hem ontving.
Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den
aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan
met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde
ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na
goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te
laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen,
om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke
gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.
Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem
met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester
en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior
de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn
door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het
geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den
aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar,
toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij:
"Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, 't is beter uw verdriet in stilte
te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand
respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel
geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld
te worden, maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen."
Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan
te profiteeren. Daarna zei hij nog: "Indien ge naar Madrid gaat,
bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don
Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard
is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge
met hem kennis maakte." Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph
Navarro te gaan opzoeken, zoodra ik in Madrid zou zijn, waarheen ik
wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis,
om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had
gehad, zou ik zonder twijfel naar Tolédo zijn gegaan, maar ik had het
verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste
wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in
Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.
Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet
een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een
uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer
goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.
Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf
personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten,
die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd
zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu
te kwaad op den aartsbisschop.
Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn
maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van
Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd
mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn
dankbaarheid te hebben gesproken: "Nu de fortuin mij u doet ontmoeten,
zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er
hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een
fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het
mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie
te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige
Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank."
Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk
alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik
had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat
hij bitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar
niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had,
stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen
hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare
zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte
om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij
verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: "Hallo! mijnheer
de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop
ge mij zoudt onthalen!"