HOOFDSTUK IV

De aartsbisschop krijgt een beroerte. Van de verlegenheid, waarin

Gil Blas zich bevindt en op welke wijze hij er weer uitkomt.

Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik

ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie

betrekking, die ik gekregen had. "Ik ben daar zeer tevreden," zei

ik. "de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over

het verlaten van don César en zijn zoon."

"Ik ben er van overtuigd," zei hij bij het scheiden, "dat uw vroegere

meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar

misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele

familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot."

Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk

paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter,

scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok

gekregen. Ik merkte dat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik

wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik

alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar

in stilte toe. "Komaan, mijnheer de criticus," zei ik tot mijzelf,

"nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur

minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn

vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult

dan geschrapt worden in zijn testament."

Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere. De waarschuwing

was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen

met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik

verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad

om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te

hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil

te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om

het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik

te spreken.

Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig

kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen,

wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd

zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen

indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar

verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde

zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit

met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn

laatste preek in kracht bij de andere achterstond.

Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen

glimlach: "Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil

Blas?" "Ik vond het uitstekend," hernam ik, "maar het stond niet even

hoog als uw ander werk."

"Ik begrijp u," antwoordde hij, "Het schijnt u toe, dat ik minder

word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken." Ik

zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot

hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik

dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat

hij mij dit niet kwalijk zou nemen. "Daar denk ik niet aan, om het

u kwalijk te nemen," zei hij, "ik zou al zeer onrechtvaardig zijn,

indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge

mij uw meening zegt. 't Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerd

vind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand."

Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar,

die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter

te stemmen. "Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon,"

zei hij, "ge zijt nog te jong, om het ware van het valsche te

onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb

geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest

heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik

echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan

gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen,

dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de

hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen

voorspoed en een weinig meer smaak,"

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 14 / 98 题