De aartsbisschop krijgt een beroerte. Van de verlegenheid, waarin
Gil Blas zich bevindt en op welke wijze hij er weer uitkomt.
Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik
ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie
betrekking, die ik gekregen had. "Ik ben daar zeer tevreden," zei
ik. "de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over
het verlaten van don César en zijn zoon."
"Ik ben er van overtuigd," zei hij bij het scheiden, "dat uw vroegere
meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar
misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele
familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot."
Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk
paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter,
scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok
gekregen. Ik merkte dat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik
wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik
alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar
in stilte toe. "Komaan, mijnheer de criticus," zei ik tot mijzelf,
"nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur
minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn
vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult
dan geschrapt worden in zijn testament."
Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere. De waarschuwing
was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen
met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik
verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad
om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te
hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil
te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om
het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik
te spreken.
Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig
kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen,
wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd
zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen
indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar
verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde
zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit
met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn
laatste preek in kracht bij de andere achterstond.
Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen
glimlach: "Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil
Blas?" "Ik vond het uitstekend," hernam ik, "maar het stond niet even
hoog als uw ander werk."
"Ik begrijp u," antwoordde hij, "Het schijnt u toe, dat ik minder
word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken." Ik
zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot
hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik
dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat
hij mij dit niet kwalijk zou nemen. "Daar denk ik niet aan, om het
u kwalijk te nemen," zei hij, "ik zou al zeer onrechtvaardig zijn,
indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge
mij uw meening zegt. 't Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerd
vind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand."
Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar,
die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter
te stemmen. "Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon,"
zei hij, "ge zijt nog te jong, om het ware van het valsche te
onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb
geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest
heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik
echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan
gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen,
dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de
hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen
voorspoed en een weinig meer smaak,"