Gil Blas wordt de gunsteling van den aartsbisschop en het kanaal van
zijn gunsten.
Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij
in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur
geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op
het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en
vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt
daarover. "Zeg me eens eerlijk," zei hij, "ge zijt een te goed copiïst,
om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets
gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige
onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in
het vuur van mijn scheppingsdrang."
"O, monseigneur," zei ik bescheiden, "ik ben niet ontwikkeld genoeg,
om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben
ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren." De
prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk
merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.
Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot
dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand,
die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.
Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den
volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde
zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van
dacht, maar noodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij
het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op
te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging
ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het
schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei,
dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat
zoo aangenaam mogelijk zou maken. "Ik houd van je en om je dat te
bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken."
Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën
en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn
dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: "Ik wil u een bewijs
geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer
zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te
openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn
genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen
en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze
veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk
te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten
prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het
zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft
voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik
wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en
daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde
Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver,
mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom
gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u."
"Monseigneur," zei ik, "den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver
verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een
andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens
buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken,
steeds nieuwe krachten ontving." "Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn
leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam
veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je
waarschuwing beschouwen als een bewijs van je genegenheid. Bovendien
gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in
de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest
gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het
fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb."
Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den
aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone
beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna
niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie
maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een
goede gratificatie kreeg.
Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen,
mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis
Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een
eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd
had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen
door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade
te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een
buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik
stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met
den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het
zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. "Monseigneur,"
zei ik, "daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik
althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren."
"Ik ben over uw schrift tevreden," zei de prelaat, "maar ik geef toe,
dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben." "U
hebt maar te spreken," zei ik, "die man is een bekende van mij en
misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand,
waarin hij zich bevindt."
De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. "Hij heet Louis Garcia,"
zei ik, "en is wanhopig over de ongenade, waarin hij bij u gevallen
is." "Die Garcia," viel hij mij in de rede, "is, geloof ik,
aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen
hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn
geweest." "Monseigneur," hernam ik, "het is niet mijn bedoeling,
hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en
hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te
benadeelen, dan om de waarheid te zeggen." "'t Is mogelijk," zei de
prelaat, "er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens,
wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover
hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar."
Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid
vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.
Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een
kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in
het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester
en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de
buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen
worden aan hen, die ze verdienen.