HOOFDSTUK III

Gil Blas wordt de gunsteling van den aartsbisschop en het kanaal van

zijn gunsten.

Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij

in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur

geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op

het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en

vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt

daarover. "Zeg me eens eerlijk," zei hij, "ge zijt een te goed copiïst,

om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets

gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige

onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in

het vuur van mijn scheppingsdrang."

"O, monseigneur," zei ik bescheiden, "ik ben niet ontwikkeld genoeg,

om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben

ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren." De

prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk

merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.

Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot

dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand,

die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.

Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den

volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde

zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van

dacht, maar noodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij

het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op

te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging

ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het

schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei,

dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat

zoo aangenaam mogelijk zou maken. "Ik houd van je en om je dat te

bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken."

Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën

en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn

dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: "Ik wil u een bewijs

geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer

zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te

openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn

genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen

en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze

veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk

te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten

prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het

zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft

voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik

wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en

daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde

Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver,

mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom

gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u."

"Monseigneur," zei ik, "den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver

verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een

andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens

buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken,

steeds nieuwe krachten ontving." "Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn

leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam

veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je

waarschuwing beschouwen als een bewijs van je genegenheid. Bovendien

gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in

de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest

gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het

fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb."

Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den

aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone

beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna

niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie

maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een

goede gratificatie kreeg.

Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen,

mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis

Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een

eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd

had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen

door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade

te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een

buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik

stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met

den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het

zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. "Monseigneur,"

zei ik, "daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik

althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren."

"Ik ben over uw schrift tevreden," zei de prelaat, "maar ik geef toe,

dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben." "U

hebt maar te spreken," zei ik, "die man is een bekende van mij en

misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand,

waarin hij zich bevindt."

De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. "Hij heet Louis Garcia,"

zei ik, "en is wanhopig over de ongenade, waarin hij bij u gevallen

is." "Die Garcia," viel hij mij in de rede, "is, geloof ik,

aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen

hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn

geweest." "Monseigneur," hernam ik, "het is niet mijn bedoeling,

hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en

hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te

benadeelen, dan om de waarheid te zeggen." "'t Is mogelijk," zei de

prelaat, "er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens,

wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover

hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar."

Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid

vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.

Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een

kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in

het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester

en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de

buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen

worden aan hen, die ze verdienen.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 13 / 98 题