Wat Gil Blas werd, nadat hij het kasteel de Leyva had verlaten en
van de gelukkige gevolgen, die zijn ongelukkige liefde had.
Ik reed op een goed paard, dat mij toebehoorde en had in mijn valies
tweehonderd pistolen, grootendeels afkomstig van de gedoode roovers en
van de drieduizend gestolen ducaten, die don Alphonse uit zijn eigen
zak had terugbetaald; ik kon dus onbezorgd de toekomst tegemoet gaan,
met het vertrouwen bovendien, dat men altijd heeft op een leeftijd,
dien ik toen had. Mijn doel stond nog niet vast; wel kon ik naar
Tolédo gaan, waar de graaf de Polan mij als een van zijn bevrijders
ongetwijfeld zeer goed zou ontvangen, maar ik wilde eerst reizen en
verlangde om Murcia en Granada eens te zien. In die laatste stad kwam
ik na enigen tijd zonder eenigen tegenspoed aan. Het scheen, dat de
fortuin, voldaan over zooveel parten, die ze mij den laatsten tijd
gespeeld had, mij eindelijk met rust wilde laten. Echter bereidde
zij mij andere voor, zooals men vernemen zal.
Een van de eerste personen, die ik in de straten van Granada ontmoette,
was don Fernand de Leyva, schoonzoon van den graaf de Polan. Wij waren
beiden even verrast elkaar daar te zien. Hij vroeg mij, hoe ik in
Granada kwam. Ik deelde hem mee, dat ik den dienst van don César en
diens zoon had verlaten en vertelde hem uitvoerig al wat er tusschen
Séphora en mij was gebeurd. Hij lachte er hartelijk om en wilde aan
zijn schoonzuster schrijven en als bemiddelaar optreden. Ik dankte
hem voor zijn aanbod, maar verklaarde hem, in geen geval naar het
kasteel de Leyva terug te zullen gaan. Wel verzocht ik zijn voorspraak,
indien soms een van zijn vrienden een intendant of secretaris mocht
noodig hebben.
Hij beloofde mij zijn hulp, zei, dat hij in Granada was om een oude,
zieke tante te bezoeken en dat ik hem over eenige dagen maar eens in
zijn hotel moest komen opzoeken. Misschien wist hij dan wel een goede
betrekking voor mij. Toen ik hem eenige dagen later bezocht, zei hij,
dat de aartsbisschop van Granada, een bloedverwant en vriend van hem,
een man noodig had, op de hoogte van literatuur en met een goede hand,
om zijne geschriften in het net over te schrijven. Hij had don Fernand
beloofd mij te zullen nemen, dus moest ik mij gaan presenteeren.
Ik kwam in een paleis, dat even prachtig was als dat van onze
koningen en vond in de zalen een groot gezelschap, geestelijken
en edellieden. De lakeien hadden zeer fraaie kleeren, men zou hen
eerder voor groote heeren dan voor knechts hebben aangezien. Ik
moest lachen toen ik ze gewichtig zag doen en dacht bij mezelf:
"die menschen zijn wel gelukkig, dat zij het juk der dienstbaarheid
niet voelen, want anders zouden ze zich minder hooghartig toonen." Ik
richtte mij tot een grooten en dikken man, die voor de deur van het
kabinet van den aartsbisschop stond, om die te openen en te sluiten,
wanneer het noodig was. Ik vroeg hem beleefd, of er gelegenheid was
monseigneur een oogenblik te spreken. Op hoogen toon zei hij mij,
dat ik moest wachten, dat monseigneur zou uitgaan om de mis te hooren
en mij dan een oogenblik audientie geven zou in het voorbijgaan.
Ik wapende mij met geduld en sprak eenige officieren aan, maar ze
namen mij van het hoofd tot de voeten op, verwaardigden mij met geen
woord en keken elkaar met een trotschen glimlach aan, omdat ik de
vrijheid had genomen mij in hun gesprek te mengen.
Nog had ik mij niet geheel hersteld van mijne verlegenheid op zulke
wijze te worden behandeld, toen de deur openging en de aartsbisschop
verscheen. Allen namen dadelijk een zeer eerbiedige houding aan. De
prelaat was een man van ongeveer zeventig jaar, kort en dik, ongeveer
als mijn oom de deken Gil Perez. Hij had kromme beenen en was zóó
kaal, dat er alleen nog maar een klein bosje haar achter op zijn hoofd
zat. Zijn gelaat vond ik als dat van een voornaam man, misschien wel
omdat ik wist, dat hij dat was. Wij gewone menschen beschouwen groote
heeren dikwijls met een vooringenomenheid, die hun een uiterlijk van
grootheid geeft, dat de natuur hun heeft geweigerd.
De aartsbisschop naderde mij en vroeg op zachten toon, wat ik
verlangde. Ik antwoordde, dat ik de man was, van wien don Fernand
de Leyva hem had gesproken. "Ah! zijt gij het, van wien hij mij
zooveel goeds heeft verteld? Ik verbind u aan mijn dienst, ge zijt
een goede aanwinst voor mij. Ge kunt hier wonen." Na die woorden
sprak hij nog een oogenblik met eenige geestelijken en verliet het
vertrek. Nauwelijks was hij weg, of dezelfde officieren, die eerst
niet met mij hadden willen spreken, kwamen naar mij toe. Ze betuigden
mij hun vreugde, dat ik met hen in het paleis zou wonen. Ze hadden
de woorden gehoord, die hun meester tot mij had gesproken en brandden
van verlangen om te weten in welke positie ik was geplaatst, maar ik
had er een genoegen in om hun nieuwsgierigheid onbevredigd te laten
en mij op die wijze te wreken over de minachting, die ze mij eerst
hadden betoond.
Monseigneur kwam spoedig terug en liet mij bij zich komen in zijn
kabinet. Zooals ik wel vermoed had, begon hij met een onderzoek naar
mijn kennis. Hij deed mij verschillende vragen op het gebied van
geschiedenis en letterkunde. Op alles gaf ik hem voldoende antwoorden
en hij maakte de opmerking, dat mijn opvoeding niet verwaarloosd was
geworden. Vervolgens moest hij mijn schrift zien, ook daarover was
hij zeer tevreden. Hij zei, dat hij zijn neef dankbaar was, dat deze
hem een zoo geschikt persoon had aanbevolen.
Er werd bezoek aangediend en ik begaf mij onder de officieren, die
mij met beleefdheden overlaadden. Toen het tijd er voor was, ging
ik met hen eten. Wederkeerig beschouwden wij elkaar en ik vond, dat
de geestelijke heeren er zeer wijs uitzagen. Zij leken mij heilige
personages, zoo was ik onder den indruk van de plaats waar ik mij
bevond. De gedachte kwam niet bij mij op, dat het valsche schijn was,
alsof zooiets uitgesloten was bij de vorsten der kerk.
Aan tafel zat ik naast een ouden kamerdienaar, genaamd Melchior de la
Ronda. Daar hij de attentie had, om er voor te zorgen, dat ik van het
beste bediend werd, was ik zeer beleefd tegen hem, wat hem kennelijk
genoegen deed. Na tafel zei hij me, dat hij graag een onderhoud
met mij wilde hebben en hij nam mij mee naar een gedeelte van het
paleis, waar wij door niemand beluisterd konden worden. Hij zei:
"Mijn zoon, van het eerste oogenblik, dat ik u heb gezien, heb ik
mij tot u aangetrokken gevoeld. Ik wil u daarvan een zeker bewijs
geven, door u vertrouwelijke mededeelingen te doen, die u van groot
nut zullen zijn. Ge zijt hier in een huis, waarin ware en valsche
vromen met elkaar leven. Er zou voor u een heele tijd noodig zijn,
om het terrein te verkennen. Ik wil u die lange en onaangename studie
besparen, door u het een en ander mee te deelen omtrent het karakter
van verschillende personen. Daarnaar kunt ge u gedragen.
Ik zal beginnen met monseigneur. Hij is een zeer vrome prelaat. Al
sinds vijf en twintig jaar leeft hij uitsluitend voor het heil van
zijn kudde. Hij is een zeer geleerd man en een groot redenaar. Hij
preekt graag en zijn toehoorders hangen aan zijn lippen. Misschien is
hij daar een weinig ijdel op. Indien het mij overigens geoorloofd was
aanmerkingen op mijn meester te maken, zou ik zeggen, dat hij voor
zwakke broeders dikwijls te streng is en hen te zwaar straft. Een
ander gebrek heeft hij met vele andere aanzienlijke heeren gemeen;
hij houdt wel van de personen, die in zijn dienst zijn, maar let
weinig op hun werk en hunne verdiensten. Hij zal ze oud laten worden
in zijn huis zonder er aan te denken voor hen te zorgen. Wanneer hij
hun soms een gratificatie geeft, dan hebben zij die te danken aan de
goedheid van iemand, die voor hen gesproken heeft."
Na dit portret van onzen meester kreeg ik er een van de verschillende
geestelijken, met wie wij gedineerd hadden. Naar wat ik ervan hoorde,
waren het niet zoozeer slechte menschen, dan wel slechte priesters. Hij
zonderde er enkelen uit, wier deugd hij prees. Van dien avond af was ik
niet verlegen meer met mijn houding tegenover de heeren. Dienzelfden
dag nog aan het souper schafte ik mij een wijs gezicht aan net als
zij. Dat kost niets. Men moet zich niet erover verbazen, dat er
zooveel huichelaars zijn.