HOOFDSTUK I

Van de liefde van Gil Blas en van de dame Lorença Séphora.

Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend

ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk

bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld

meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen

te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen

op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had

gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om

mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden,

als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop

in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het

kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met

Julie en don Fernand naar Tolédo gegaan. Ik vond mijn nieuwen meester

verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem

te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij

op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.

Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren,

deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel,

waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega's vaak

doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds

gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen

maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk;

ik was een intendant, zooals men er geen beteren vindt.

Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de

god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart

van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke

neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw

geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering

een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk

en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik

gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude

vrijster-schap toeschreef.

Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare

liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan

niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken,

wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een

onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en

bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar

gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die

ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze

wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven,

dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had

getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde

ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed

zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker,

dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk

liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te

groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde

zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een

Vestaalsche maagd doorging.

Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien

van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er

in een huis voorvalt en dat dan oververtellen, deelde mij op zekeren

dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in

het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.

Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was

bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk

jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs

om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos

door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den

chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. 's

Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met

een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik

wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik

groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die

een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held

van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even

verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin,

hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.

Mijn handelwijze verraste hem. "Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe

die bewegingen van een dolenden ridder?"

"Mijnheer de barbier," zei ik, "ik ben ernstiger dan ooit en wil weten,

of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig

de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in

het kasteel bezoekt."

De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: "Bij den Heiligen

Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk

avontuur!"

Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig

lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: "Spot met

anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen."

"Ik zie wel," hernam hij, "dat ik verplicht ben te spreken, om een

ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u

een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg

kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug

heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor

de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is

de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar

zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te

spreken." Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.

Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was,

die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn

vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de

beste vrienden.

Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn

geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat

ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde

zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder

het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: "Mijnheer de intendant,

zeg mij als 't u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals

vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge

mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op

geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij

waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?"

De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet

goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins

beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk

een tijgerin als haar woede opgewekt werd.

"Ik geloof," zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt,

"dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door

hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden

zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb

verlaagd tot een ongelukkigen avonturier."

Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik

was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te

verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben

gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: "Mevrouw, als die

adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof

ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven."

Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijn gezicht,

zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik

wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk

onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets

had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen

het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen

er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het

reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek

was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met

haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar

deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in

hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om

mij te benadeelen.

Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in

een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat

het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. "Dat

verwondert u," voegde hij eraan toe, "maar het is waar. Ik weet niet

welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan

u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar

dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge

moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen

verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença,

die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe

lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna's in Spanje mogen omkomen

vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan

een ondergeschikte is."

Ik antwoordde hem: "Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal

van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen

voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn,

maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan."

Don Alphonse wilde daarvan niet weten. "Neen, neen," riep de

edelmoedige zoon van don César. "Laat mij Séraphine tot rede

brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de

grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven." Ik

overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon

herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid

te nemen van mijn meesters. In mijn kamer liet ik een schrijven

achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde

administratie.

De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier · 第 11 / 98 题