Lieve Mevrouw Pendleton,
Ik moet je een groot schandaal over de directrice van het J. G. H.
berichten. Zet het alsjeblieft niet in de krant, wil je. Het eenig
excuus voor haar optreden is, dat zij geen wreedheden kan zien.
Ik zat vanmorgen in het zonnetje bij het open raam een zoet boek over
Fröbel-methode bij de opvoeding van het kind te lezen: Blijf altijd
bedaard, spreek steeds vriendelijk tegen kleine kinderen. Hoewel ze
slecht lijken, zijn ze het toch niet in werkelijkheid; het komt
slechts door het feit dat zij nog niet juist voelen, of niets te doen
hebben en zich dus vervelen. Straf nooit, weet hen slechts af te
leiden.... Ik nam die raadgevingen vol aandacht in mij op, toen ik
door het geschreeuw van een paar kleine jongens onder mijn raam werd
afgeleid.
"Neen John, doe het niet!"
"Laat hem toch loopen!"
"Dood hem dan gauw!"
En tusschen hun uitroepen door hoorde ik het angstig geschreeuw van
een dier, dat pijn lijdt. Ik liet het Fröbel-boek vallen en vlug de
trap afloopend, kwam ik vóórdat zij erg erin hadden, plotseling op
hen af. Ze zagen me komen en verspreidden zich vlug naar links en
rechts terwijl zij Johnnie Cobden, die bezig was een muis te
martelen, alleen aan zijn lot overlieten. Ik zal je de griezelige
bijzonderheden besparen. Ik riep een van de jongens om dat arme
diertje vlug te verdrinken, maar Johnnie pakte ik bij zijn kraag en
sleepte hem al schreeuwend en trappend met mij mee naar de keuken.
Hij is een stoere, vierkant geschouderde jongen van dertien en hij
vocht als een kleine tijger, terwijl hij zich wanhopig aan de
deurposten vastklemde als hij er langs ging. Onder gewone
omstandigheden geloof ik niet dat ik hem had kunnen meester worden,
maar nu kreeg dat zestiende Ierschbloed-gehalte den boventoon en ik
vocht als een waanzinnige. Wij vielen de keuken binnen en ik keek
haastig rond naar een afstraffingsmiddel. De koekepan was het eerste
gereedschap, waarop mijn oog viel. Ik pakte die beet en sloeg het
kind met alle kracht, totdat de kleine tijger van vier minuten
geleden in een huilend, om genade smeekend wezentje was veranderd.
Natuurlijk moest weer niemand anders dan Dr. MacRae plotseling te
midden van die vreeselijke scène te voorschijn komen. Zijn gezicht
was een en al verbazing. Hij liep op ons toe, nam mij den koekepan
uit mijn handen en zette den jongen op zijn voeten neer. Johnnie
verschuilde zich gauw achter hem. Ik was zoo woest, dat ik niet kon
spreken; al mijn kracht had ik noodig om niet in tranen uit te
barsten.
"Kom, laten we hem mee naar uw werkkamer nemen", was al, wat de
dokter zei en daarheen marcheerden wij af, terwijl Johnnie zich zoo
ver mogelijk van mij verwijderd hield en jammerlijk jankte. Wij
lieten hem op het bureau achter, sloten de deur en gingen naar mijn
zitkamer.
"Wat heeft het kind in 's Hemelsnaam gedaan?" vroeg hij.
Tot eenig antwoord legde ik mijn hoofd op de tafel neer en begon te
huilen. Ik was zoo uitgeput, lichamelijk zoowel als geestelijk, alle
beschikbare kracht had ik noodig gehad voor de koekepanafstraffing.
Onder veel gesnik kon ik eindelijk alle bloederige details ten beste
geven en toen gaf hij mij geruststellend in overweging er niet langer
over te denken; de muis was nu eenmaal toch dood. Toen haalde hij een
glas water en liet me drinken en zei, dat ik maar stil uit moest
huilen. Dat zou me goed doen. Ik geloof heusch, dat hij daarbij zijn
hand even op mijn hoofd liet rusten. In elk geval was hij op en top
geneesheer. Ik zag hem datzelfde wel een dozijnmaal doen bij
hysterische vondelingetjes. Dit was voor het eerst sedert een week,
dat we iets anders dan "goedenmorgen" tegen elkaar zeiden.
Zoodra de toestand weer zoover hersteld was, dat ik behoorlijk kon
zitten en zelfs glimlachen, begon hij Johnnie's geval eens aan de
hand van het register ernstig te bestudeeren terwijl ik onophoudelijk
mijn oogen bette. De jongen stamt uit een ziekelijk geslacht en is
zelf ook eenigszins gedegenereerd, zegt Sandy. Wij moeten het geval
van geneeskundig standpunt behandelen, zooals ook ziektegevallen
behandeld moeten worden. Zelfs normale jongens zijn dikwijls wreed,
het zedelijk gevoel van een kind blijft onontwikkeld tot zijn
dertiende jaar.
Toen stelde hij mij voor, mijn oogen met wat lauw water nog eens over
te betten en mijn waardigheid weer aan te nemen, wat ik deed. Daarna
liet hij Johnnie binnenkomen. Deze verkoos gedurende het verhoor te
blijven staan inplaats van te zitten. De dokter sprak met hem heel
aardig en gevoelig en menschlievend. Johnnie bracht tot zijn
verdediging te berde, dat een muis een schadelijk dier is, dat gedood
moet worden. De dokter weerlegde hierop, dat het welzijn van de
menschheid de opoffering van veel dieren te zijnen koste eischt, maar
dat deze dood met zoo min mogelijk pijn gepaard moet gaan. Hij legde
hem ook het zenuwstelsel van de muis uit en zei, dat dit diertje geen
enkel verdedigingsmiddel bezit. Hij zeide John, dat hij genoeg
verbeeldingskracht moest hebben om een zaak ook van het standpunt van
den tegenstander te bezien, ook al is die tegenpartij slechts een
muis. Toen ging hij naar de boekenkast en haalde daar een boek van
Burns te voorschijn en vertelde den jongen, welk een groot dichter
dit geweest is en hoe alle Schotten zijn herinnering nu nog
hooghouden.
"En dat schrijft hij over een muis", zei Sandy terwijl hij het "Wee,
sleekit, cow'rin, tim'rous beastie" opsloeg, hetwelk hij voorlas en
uitlegde, zooals alleen een Schot dat doen kan.
Johnnie trok zich berouwvol terug en nu wendde Sandy zich weer tot
mij. Hij zei dat ik vermoeid was en een verandering noodig had.
Waarom zou ik niet voor een week naar de Adirondacks gaan? Hij en
Betsy en Mr. Witherspoon zouden een bestuur vormen, dat de leiding
over het gesticht voor dien tijd overnam.
Je weet, dat dit juist was, wat ik zoo graag wilde. Ik heb behoefte
aan tijd om mijn gedachten te rangschikken en ook aan dennenlucht.
Mijn familie heeft het kamp net de vorige week opgeslagen en vindt
mij een monster, omdat ik niet wilde meekomen. Zij willen maar niet
begrijpen, dat, als je een werkkring als de mijne aanvaard hebt, je
die niet van tijd tot tijd aan een ander kunt overgeven. Toch kan ik
er gemakkelijk voor een paar dagen uit. Mijn gesticht loopt als mijn
acht-daagsche wekker en zal in gelijk tempo doordraven tot Maandag
vier uur n.m. wanneer mijn trein mij weer hierheen zal brengen. Dan
zal ik weer heelemaal op streek zijn als je hier komt, en je niet met
verwarde denkbeelden hinderen.
Intusschen verkeert Jongeheer Johnnie in een aangenamen staat van
kastijding, zoowel lichamelijk als geestelijk, en ik geloof heusch
dat Sandy's preek er veel beter in zal gaan, nu hij door mijn
koekepanbestraffing is voorafgegaan. Maar één ding weet ik tevens,
Suzanna Estella slaat de schrik om het hart wanneer ik maar de keuken
binnenkom. Ik nam onder het gesprek vanmorgen het aardappelmes al
spelend op, terwijl ik haar over de verzoute soep van gisteren
onderhield en dadelijk verschuilde zij zich achter de deur. Vanmorgen
om negen uur begon ik al reisvoorbereidingen te maken, nadat ik eerst
vijf telegrammen had verzonden. En heusch, Judy, je kunt je niet
voorstellen hoe zeer ik er naar snak me weer als een onbezorgd,
levenslustig jong meisje te voelen en op het meer te gaan roeien en
in het bosch te draven en uit te rusten en in het clubgebouw te
dansen! Ik verkeerde door die goddelijke vooruitzichten den heelen
nacht in een verbazenden staat van opwinding. Ik wist werkelijk niet,
dat ik zoo meer dan beu van dat gestichtsleven was.
"Wat u noodig hebt", zei Sandy, "is een korten tijd van hier weg zijn
en een beetje uitrazen".
En die diagnose is werkelijk uitstekend, want niets ter wereld zou ik
op het oogenblik liever doen dan eens echt uit te razen. Ik zou met
nieuwe wilskracht terugkomen, volkomen in staat om jou en een drukken
zomer met liefde af te wachten.
Als steeds,
je Sallie.
P.S. Jimmie en Gordon zullen er ook zijn. O, wat zou ik het eenig
vinden als je weer bij ons kon zijn! Getrouwd zijn lijkt me soms heel
lastig!
Kamp McBride. 29 Juli.
Lieve Judy,
Dit briefje schrijf ik je alleen om je de belangrijke mededeeling te
doen, dat de bergen hooger, de bosschen groener zijn en het meer
blauwer is dan ooit te voren.
De menschen schijnen dit jaar veel later naar de kampen te komen.
Het kamp van de Harriman's is het eenige, dat er buiten het onze aan
dezen kant van het meer geopend is. De danszaal is zeer schaars van
heeren voorzien, maar daar wij een zeer welwillenden jongen staatsman
te gast hebben, die dol veel van dansen houdt, lijd ik geen gebrek
door dien algemeenen nood.
De staatsbelangen en het bestuur over de vondelingen zijn op den
achtergrond getreden terwijl wij op dit heerlijk mooie meertje
spelevaren. Ik hoor mijn hart kloppen als ik met angst aan 7.56 a.s.
Maandag denk. Het nare van een vacantie is, dat op het oogenblik dat
je er juist heerlijk van begint te genieten, je met schrik eraan
denkt, dat de zaligheid gauw weer genoten is.
Ik hoor een stem onder de waranda, die vraagt of Sallie binnens- of
buitenshuis is.
Addio!
Sallie.