IV.

Niets is zoo vast en zeker, dan dat de zon de open plaatsen voor de

kleine dorpskerkjes liefheeft. Is er niemand onder u, die heeft

opgemerkt, dat men nooit zóóveel zonneschijn bijeen vindt, als onder de

hoogmis, voor een kleine witte kerk?

Nergens is er zulk een dicht net van lichtstralen, nergens is er in de

lucht zulk een eerbiedige stilte. De zon staat daar goed op te passen,

dat de menschen niet buiten de kerk zullen blijven staan praten. Zij

wil dat ze behoorlijk in de kerk zullen zitten en naar de preek

luisteren, daarom laat ze zulk een rijkdom van stralen vallen buiten

den kerkmuur.

Misschien kan men er niet vast op rekenen, dat de zon alle Zondagen

wacht houdt voor de kleine kerkjes, maar zooveel is zeker, dat ze op

dien morgen, toen de schijndoode in ’t graf gezet was op ’t kerkhof te

Roglanda, een gloeiende hitte verspreidde op ’t pleintje buiten de

kerk. Zelfs de kiezelsteenen zagen er uit alsof ze vuur konden vatten,

zóó glinsterden ze in de wagensporen; het armoedige, platgetrapte,

korte gras krulde zich om, zoodat het er uitzag als dor mos, terwijl de

gele paardebloemen, die ’t grasveld versierden, zich uitspreidden en op

hun lange stengels opzwollen, zoodat ze bijna zoo groot als asters

werden.

Daar kwam een man uit de Westerdalen, zoo’n dwaas, die rondliep om

messen en scharen te verkoopen, den weg af. Hij was in een langen pels

van wit schapenvel gekleed, en op den rug had hij een grooten, zwart

leeren zak. In dat kostuum had hij al uren lang geloopen, zonder eenige

warmte te voelen, maar toen hij den grooten weg verliet en dat

kerkplein opkwam, duurde het geen minuut of hij moest den hoed afnemen

om het zweet van zijn voorhoofd te vegen.

Toen de man daar met zijn bloote hoofd stond, zag hij er goed en

verstandig uit. Hij had een hoog en blank voorhoofd, diepe rimpels

tusschen de wenkbrauwen, een goedgevormden mond met dunne lippen. Hij

droeg het haar recht over den schedel gescheiden, in den nek rond

afgeknipt; het hing over de ooren en krulde aan de punten. Hij was lang

en sterk gebouwd, niet grof, maar over ’t geheel goed gevormd. Maar ’t

was jammer, dat zijn blik onrustig was; zijn oogappels verdwenen

telkens bijna in de ooghoeken, als om zich te verbergen.

Om den mond waren trekken, die verwrongen en waanzinnig leken, iets

idioots en slaps, dat niet bij dat gezicht paste.

Goed wijs kon hij ook niet zijn, want hij liep met dien zwaren zak te

slepen op Zondag. Als hij bij zijn volle verstand geweest was, zou hij

geweten hebben, dat dit onnoodige moeite was, omdat hij toch niets

verkoopen zou. Van alle andere dalbewoners, die door ’t land zwierven

was er geen, die op Zondag den rug boog onder den zak, maar zij gingen

naar Gods huis, vrij en rechtop, zooals alle andere menschen.

Deze stumper had zeker in ’t geheel niet geweten, dat ’t een

heiligendag was, als hij niet op ’t kerkpleintje was blijven stilstaan

en ’t gezang in de kerk gehoord had. Maar zóó wijs was hij toch nog,

dat hij toen al gauw begreep, dat hij dien dag geen handel zou kunnen

drijven. En toen was het voor zijn arme hersens een geduchte inspanning

om uit te vinden, hoe hij dan zijn dag door moest brengen.

Lang stond hij voor zich uit te kijken. Als alles ging zooals

gewoonlijk, kon hij zich best redden. Hij had verstand genoeg om de

heele week van de eene hoeve naar de andere te gaan en op zijn zaken te

passen. Maar aan den Zondag kon hij maar niet wennen. Die kwam altijd

over hem als een groote onverwachte zorg.

De oogen stonden nu stil in zijn hoofd en de aderen aan zijn voorhoofd

zwollen op.

’t Eerste wat in zijn hersens opkwam, was de kerk in te gaan en naar

het gezang te luisteren. Maar daar kon hij niet toe besluiten. Hij

wilde wel graag het zingen hooren, maar hij durfde de kerk niet

binnengaan. Hij was niet bang voor de menschen, maar in sommige kerken

waren van die wonderlijke, gevaarlijke platen, die wezens voorstelden,

waar hij liever niet over denken wilde.

En nu kwamen zijn hersens met moeite zoover, dat hij begreep dat er,

daar hier een kerk stond, ook in de buurt een kerkhof wezen moest. En

als hij maar op een kerkhof kon komen was hij klaar. Als hij er een zag

van den weg af op zijn zwerftochten, dan ging hij er heen en bleef er

een poosje zitten, al was het ook midden in de week.

Toen hij nu naar het kerkhof wilde gaan, stuitte hij op een nieuwe

moeilijkheid. De begraafplaats te Roglanda ligt namelijk niet vlak bij

de kerk, die op een rotsachtigen heuvel staat, maar op een veld achter

de kerkeraadskamer. En hij kon niet bij den ingang komen, zonder langs

een weg te gaan waar de paarden van de kerkgangers stonden

vastgebonden.

Alle paarden stonden met den kop diep neergebogen over de hooihoopjes

of haverzakken, te eten, zoodat het voer onder hun tanden kraakte. Er

was geen sprake van, dat ze den man eenig kwaad zouden doen, maar hij

had nu zijn eigen meening over het gevaar van langs zulk een rij dieren

te loopen. Twee, drie keer probeerde hij ’t; maar de moed begaf hem en

hij moest terug keeren. Hij was niet bang, dat de paarden hem zouden

bijten of trappen. ’t Was al meer dan genoeg, dat ze zoo dichtbij

waren, dat ze hem zien konden. ’t Was al meer dan genoeg, dat hij ze

kon hooren rammelen met hun tuig of met de hoeven over den grond

schrapen.

Eindelijk kwam een oogenblik, dat alle paarden den kop neêrbogen en om

het hardst schenen te eten. Toen begon hij zijn tocht. Hij hield zijn

pels vast, dat die niet zou losfladderen en hem verraden en hij liep op

de teenen, zoo goed hij maar kon. Als een paard de oogen opsloeg, bleef

hij dadelijk staan en groette. Hij wilde graag beleefd zijn tegen dat

geheimzinnige, gevaarlijke wezen, maar ’t dier moest toch billijk zijn

en begrijpen dat hij niet buigen kon met een zak vol ijzerwaren op den

rug. Er bleef hem niets anders over dan te groeten.

Hij zuchtte diep, want zulk een tocht was een moeilijk en lastig ding

in deze wereld, omdat hij bang was voor alle viervoetige dieren.

Eigenlijk was hij niet bang voor andere dieren dan geiten, en voor

paarden, honden en katten zou hij in ’t geheel niet bang geweest zijn,

als hij er maar zeker van kon wezen, dat ze niet een soort van

veranderde geiten waren, maar dat vertrouwde hij nooit recht. En zoo

was ’t eigenlijk even erg voor hem alsof hij bang was voor alle

viervoetige dieren.

’t Was hem geen troost er aan te denken hoe sterk hij was en dat die

kleine boerenpaarden heelemaal niet gevaarlijk waren. Zoo iets kan

iemand niet denken, die eenmaal angst in de ziel heeft. Angst is een

vreeselijk ding, hij is zwaar te dragen voor hen, in wier ziel hij zich

eenmaal vastzet.

’t Was wonderlijk, dat hij toch voorbij de heele rij paarden kwam. Het

laatste gedeelte van den weg deed hij in twee groote sprongen en toen

hij op ’t kerkhof was, trok hij het ijzeren hek achter zich dicht en

balde de vuist tegen de paarden:

„Leelijke, ellendige, vervloekte geitebokken!”

Zoo deed hij met alle dieren. Hij kon niet laten ze geitebokken te

noemen. En dat was heel dom, want het had hem een bijnaam bezorgd, dien

hij niet hebben wou. Allen, die hem tegenkwamen noemden hem „Geitebok.”

Maar hij wilde zoo niet genoemd worden. Hij wilde, dat men hem bij zijn

rechten naam zou noemen, maar die scheen niet bekend te zijn bij iemand

in deze streek.

Hij stond een poosje bij ’t hek en genoot van de gedachte, dat hij de

paarden gelukkig ontkomen was, en toen ging hij verder het kerkhof op.

Voor ieder kruis en iederen steen bleef hij staan en groette. Maar nu

was het niet uit vrees, maar enkel uit welbehagen, omdat hij die lieve

oude bekenden weerzag. Zijn gezicht werd op eens zacht en

aantrekkelijk. ’t Waren juist dezelfde kruisen en steenen, die hij zoo

dikwijls vroeger gezien had. Hoe waren ze allen aan elkaar gelijk. Hoe

goed kende hij ze. Hij moest ze wel groeten.

Hoe heerlijk was ’t hier op ’t kerkhof. Geen dier kwam er grazen, geen

mensch kwam er schertsen en plagen. ’t Was ’t beste als er niemand was,

maar zelfs als er menschen waren, stoorden ze hem niet. Wel kende hij

menig mooi veld en bosch, waar hij nog liever zijn zou, maar daar had

hij nooit rust. Geen van hen was met ’t kerkhof te vergelijken. ’t Was

ook nog beter dan in ’t bosch, want in ’t bosch was de eenzaamheid zoo

groot, dat hij er bang van werd. Hier was ’t even stil als diep in ’t

bosch, maar hier had hij toch gezelschap—hier sliepen menschen onder

elken steen, onder elk heuveltje. Juist zooveel gezelschap als hij

noodig had om zich niet eenzaam en ongelukkig te voelen.

Hij ging al spoedig op het pas gegraven graf toe; hij deed dat

gedeeltelijk omdat er een paar schaduwrijke boomen stonden en

gedeeltelijk omdat hij naar gezelschap verlangde. Hij meende zeker, dat

’t mogelijk was, dat de doode, die daar pas was neergelegd, hem beter

tegen de eenzaamheid beschutten zou, dan die anderen, die al zoolang

sliepen.

Hij boog bijna de knieën met den rug tegen den grooten zandhoop aan den

rand van ’t graf. Het gelukte hem den zak daarop te schuiven, zoodat

hij staan bleef en hij maakte toen de grove lederen riemen los waaraan

de zak hing.

’t Was eene lange, vrije dag. En hij wierp ook zijn pels af. Met

welbehagen ging hij in ’t gras zitten, zoo dicht bij ’t graf, dat zijn

lange beenen met de groote kniekousen en de grove rijgschoenen over den

rand neerhingen. Hij moest een geruimen tijd stilzitten en naar de kist

kijken. Als men zulk een angst in de ziel heeft als hij, kan men niet

voorzichtig genoeg zijn. Maar de kist bewoog zich in ’t geheel niet, ’t

was onmogelijk haar van eenig boos opzet te verdenken.

Zoodra hij zeker van zijn zaak was, stak hij zijn hand in een tasch op

zij van zijn zak en nam er een viool en strijkstok uit. En hij knikte

tegen den doode in ’t graf. Omdat hij zich zoo stil hield zou hij nu

wat moois te hooren krijgen.

Dat was iets heel zeldzaams; er waren niet velen, die hem hoorden

spelen. Niemand hoorde hem ooit op de hoeven, waar ze de honden op hem

aanhitsten en hem „Geitebok” noemden. Maar nu en dan hoorde men hem in

een kamer, waar zachtjes gesproken werd en waar men zich langzaam

bewoog en niemand hem vroeg of hij ook geitevellen wou koopen. Daar nam

hij gewoonlijk zijn viool en speelde. En dat was een groote

onderscheiding, de grootste die hij ooit iemand bewees.

Terwijl hij daar zat te spelen op den rand van het graf, klonk het lang

niet leelijk. Hij speelde niet één valschen toon en zijn muziek was zóó

zacht en teer, dat men het op het volgende graf nauwelijks had kunnen

hooren.

Want ziet ge, eigenlijk was ’t zóó: ’t was niet de man die spelen kon,

maar zijn viool herinnerde zich een paar kleine melodieën. En ze kwamen

te voorschijn zoodra hij met den strijkstok over de snaren streek.

Misschien zou een ander er niet veel aan gevonden hebben, maar voor

hem, die zich geen enkele melodie herinneren kon, was het een heerlijk,

kostbaar bezit, zulk een viool te hebben, die van zelf speelde.

Terwijl hij speelde zat hij met een stralend gezicht en lachte, zooals

iemand die een kindje hoort praten en babbelen. ’t Was de viool, die

sprak, hij zat maar te luisteren. ’t Was toch wonderlijk dat hij al dat

moois hoorde, zoodra hij den strijkstok over de snaren liet glijden.

Dat had de viool graag; zij wist dan wel hoe het klinken moest en de

man zat maar te luisteren. Er kwamen melodieën uit de viool, zooals er

gras uit de aarde kwam. Ze groeiden. Niemand wist hoe dat ging. Onze

Lieve Heer had het zoo gemaakt.

Het was zijn bedoeling daar den heelen dag stil te zitten en de tonen

uit de viool op te laten bloeien als kleine witte en bonte bloemen; hij

zou een heele wei vol bloemen spelen, een heel lang dal, een eindeloos

groot veld.

Maar zij, die daar schijndood in de kist lag, zij had het vioolspel wel

gehoord en op haar had het een wonderlijke uitwerking. De tonen hadden

haar aan het droomen gebracht, en door wat ze in den droom had gezien

was ze zóó ontroerd, dat haar hart begon te kloppen; haar bloed kwam

weer in beweging en ze werd wakker.

Nu was alles wat ze beleefd had, terwijl ze daar schijndood lag, alle

gedachten, die door haar hoofd gegaan waren en zelfs haar laatste droom

weg en vergeten op hetzelfde oogenblik, dat ze weer tot bewustzijn

kwam. Ze wist niet eens, dat ze in haar kist lag, maar meende, dat ze

nog altijd ziek thuis te bed lag. Ze vond het alleen vreemd, dat ze nog

leefde. Kort geleden, eer ze insliep, had ze immers den dood voelen

komen. Nu had het immers al lang met haar gedaan moeten wezen. Zij had

van haar pleegouders afscheid genomen, van haar broers en zusters en

van de dienstboden. De proost zelf was bij haar geweest en had haar ’t

laatste avondmaal gegeven, want haar pleegvader was het te zwaar

gevallen dat te doen. Reeds eenige dagen had zij haar gedachten van het

aardsche afgewend. ’t Was toch vreemd dat ze niet dood was.

’t Verbaasde haar, dat het zoo donker was in de kamer waar ze lag.

Vroeger had er toch altijd licht gebrand als ze ziek was. En dan had

men ’t dek weg laten glijden, ze was zoo koud als ijs.

Ze hief zich wat op om de dekens over zich heen te trekken. Toen

stootte ze het voorhoofd tegen het deksel van de kist en zonk toen weer

neer met een lichten kreet van pijn.

Ze had zich vrij hard gestooten en werd weer nagenoeg bewusteloos. Ze

lag even onbewegelijk als een poos geleden en ’t was alsof het leven

weer geweken was. De man met de viool had den stoot gehoord; hij legde

onmiddellijk de viool neer en begon te luisteren. Maar hij hoorde niets

meer—volstrekt niets. Hij ging toen de kist even nauwkeurig bekijken,

als toen hij pas gekomen was. Hij zat met het hoofd te knikken, als

wilde hij zijn eigen gedachten bevestigen, n.l. dat niets hier op aarde

volkomen te vertrouwen is; hij had den meest rustigen, den

voortreffelijksten kameraad meenen te hebben en had die hem nu ook al

niet teleurgesteld!

Hij zat naar de kist te kijken, alsof hij er dwars doorheen wilde zien.

Eindelijk toen ze onbeweeglijk stil bleef, nam hij zijn viool weer op

en begon te spelen.

Maar nu wilde de viool niet meer. Hoe zacht en vleiend hij ook streek,

er kwam geen enkele melodie uit. Dat was zóó treurig, dat hij wel had

willen schreien. Hij had nu juist den heelen dag stil naar zijn viool

willen luisteren en nu wilde ze niet meer zingen. Hij begreep de reden

wel. De viool was onrustig en bang voor wat zich beneden in die kist

bewogen had. Ze had al haar melodieën vergeten en dacht er alleen aan,

wat ’t toch wel geweest kon zijn, wat tegen het deksel van de kist

gebonsd had. Want zoo is het immers, men vergeet alles als men bang is;

hij begreep, dat hij de viool moest geruststellen als hij nog meer

wilde hooren.

Hij had het juist zoo goed gehad, beter dan in jaren ’t geval geweest

was!—

Als er werkelijk iets in de kist was, wat gevaarlijk was, zou ’t dan

niet het beste zijn het er uit te laten? Dan zou de viool weer tevreden

zijn, de mooie bloemen zouden er weer uit opkomen. Hij deed

vastbesloten zijn grooten zak open en begon tusschen de messen en

hamers te zoeken tot hij een schroevendraaier vond. Onmiddellijk daarna

stond hij beneden in het graf en begon het deksel van de kist te

schroeven.

Hij haalde de eene schroef na de andere er uit, tot hij eindelijk het

deksel overeind kon zetten tegen den kant van het graf. Op datzelfde

oogenblik gleed ook het laken van het gelaat van de schijndoode.

Zoodra ze de frissche lucht voelde, sloeg Ingrid de oogen op. En nu was

’t immers licht om haar heen. Ze was zeker in een andere kamer

gebracht. Nu was ze in een geel vertrekje met groenen zolder en een

groote lichtkroon boven haar hoofd. De kamer was klein, maar haar bed

was nog kleiner. Waarom had ze een gevoel of armen en beenen

vastgebonden waren? Was dat omdat ze stil liggen zou in dit heele

kleine bedje?

Wat vreemd, dat ze haar een gezangboek onder de kin gelegd hebben. Dat

deed men immers alleen met lijken.

In de hand had ze een bouquetje. Haar pleegmoeder had een paar takken

uit haar mirtenboom geplukt en haar die in de hand gegeven. Ingrid

verwonderde zich daarover. Wat zou haar pleegmoeder daartoe bewogen

hebben?

Zij zag dat ze een hoofdkussen met breede kanten had en een batisten

laken, dat in fijne plooien lag. Dat vond ze prettig, want ze was graag

mooi. Maar ze zou wel liever een warm dek gehad hebben. ’t Kon toch

niet goed voor een zieke zijn, zonder dek te liggen.

Ingrid had lust de handen voor de oogen te leggen en te schreien. Ze

had het zoo bitter koud.

Maar op ’t zelfde oogenblik voelde ze iets hards en kouds tegen haar

wang. Zij glimlachte. ’t Was ’t oude roode houten paardje met drie

pooten, van Broertje. Hij kon niet slapen als hij het niet bij zich in

bed had. En nu had hij ’t bij haar gelegd. Dat was lief van Broertje.

En Ingrid had nog grooter lust om te schreien, toen ze er aan dacht,

dat Broertje haar met zijn houten paardje had willen troosten.

Maar ze kwam niet tot schreien. Op eens begreep ze de waarheid.

Broertje had haar zijn houten paardje gegeven, en Moeder de witte

mirtenbloemen en ’t gezangboek lag onder haar kin omdat ze meenden dat

ze dood was.

Ingrid greep met beide handen den rand van haar kist en ging overeind

zitten. ’t Kleine smalle bedje was een kist en ’t kleine gele kamertje

een graf. Dat was alles eerst moeilijk te vatten. Ze kon eerst

heelemaal niet begrijpen, dat dit met haar gebeurd was, dat zij in ’t

doodlaken was gewikkeld en in ’t graf gezet. ’t Was nog altijd alsof ze

thuis in ’t bed lag en dit alles droomde. ’t Zou wel gauw blijken, dat

’t niet waar was en dat alles was als gewoonlijk.

Op eens vond zij de verklaring van het geheel. Ik heb zoo vaak

wonderlijke droomen, dacht ze; dit is maar een visioen. En ze zuchtte

van verlichting. En ze ging weer achterover liggen. Ze was er nu zoo

zeker van, dat ze in haar eigen oude bed lag. Dat was waarlijk ook zoo

breed niet.

Al dien tijd stond de man met de viool aan ’t voeteneinde beneden in ’t

graf. Hij stond maar een paar el van haar af, maar ze had hem niet

gezien. Dat kwam nu niet, omdat hij, zoodra de doode in de kist de

oogen opsloeg en zich begon te bewegen, in een hoek gekropen was en

zich onzichtbaar had probeeren te maken. Ze had hem wel kunnen zien, al

hield hij ook het deksel van de kist voor zich als een schild, als er

niet tot nu toe iets als een witte mist over haar oogen gelegen had,

zoodat ze alleen het dichtstbijzijnde duidelijk zien kon. Ingrid had

immers niet eens gezien, dat ze gele zandmuren om zich heen had; ze had

de zon voor een groote lichtkroon aangezien en de lindebladen voor een

dak.

De arme man stond te wachten, of dat wonderlijk iets, dat zich daar in

de kist bewoog, ook goed zou vinden heen te gaan. Dat sprak immers van

zelf, meende hij. ’t Had immers geklopt, omdat het er uit wilde. Hij

stond een heele poos met het hoofd achter het deksel verscholen en

wachtte tot het weggegaan zou zijn. Hij keek eens om een hoekje, toen

hij dacht dat het weg was. Maar ’t lag weer onbeweeglijk in zijn houten

bed.

Dat beviel hem niet. Hij wilde nu een eind aan die zaak hebben. Zijn

viool had in lang niet zoo mooi gezongen als vandaag en hij wilde weer

rustig bij haar zitten.

En Ingrid, die bijna weer ingeslapen was, hoorde zich plotseling in een

vreemd, zangerig dialekt toespreken:

„Nu dunkt me toch, dat het tijd wordt, dat je opstaat.”

Zoo gauw hij dit gezegd had, kroop hij weer weg. Hij trilde zóó, dat

hij het deksel haast liet vallen. Maar de witte mist voor Ingrids oogen

trok geheel op bij ’t hooren van een menschenstem.

Zij zag een man in een hoek gedrukt staan en een deksel van een kist

voor zich uithouden. Oogenblikkelijk zag ze in, dat ze niet weer kon

gaan liggen denken, dat alles een droomgezicht was. ’t Was de

wezenlijke werkelijkheid, en ze moest daarnaar handelen. ’t Scheen

wezenlijk zoo te zijn, dat de kist een kist was en ’t graf een graf en

dat Ingrid zelf voor een paar minuten een afgelegd en begraven lijk

was.

Voor ’t eerst werd ze wezenlijk ontsteld over wat er met haar gebeurd

was. O, denk eens aan, dat ze nu werkelijk dood had kunnen zijn! Een

akelig, ontbonden lijk!—Ze was in ’t graf gezet opdat de menschen zand

en aarde op haar zouden gooien, ze was niet meer waard geweest dan een

graszode; ze was verworpen geworden en de wormen hadden haar gerust

mogen opeten. Niemand zou er om gegeven hebben.

Ingrid had wel een mensch bij zich noodig in deze groote crisis. Zij

had den „Geitebok” herkend toen hij ’t hoofd achter het deksel te

voorschijn stak. Hij was een oude bekende op de pastorie en zij was in

’t geheel niet bang voor hem. Nu wilde ze hem bij zich hebben. Ze gaf

er niet om dat hij maar een arme dwaas was. Hij was in ieder geval toch

een levend mensch. Ze wou dat hij zoo dicht bij haar kwam, dat ze

voelde dat ze bij de levenden thuis hoorde en niet bij de dooden.

„O, in Godsnaam! kom bij me,” zei ze met tranen in haar stem. Ze zat

overeind en strekte de armen naar hem uit.

Maar de man had zijn eigen plannen. Toen ze hem zoo graag bij zich wou

hebben, besloot hij haar voorwaarden te stellen.

„Ik wil wel komen, als jij dan heengaat,” zei hij.

Ingrid probeerde hem dadelijk te gehoorzamen en uit de kist te komen,

maar ze was zóó vast in ’t laken gewikkeld, dat ze bijna niet kon

opstaan.

„Je moet me komen helpen,” zei ze. Half was het wel noodig, maar half

zei ze dat, omdat ze zoo bang was, dat ze den dood niet zou ontkomen.

Ze moest iemand bij zich hebben, die werkelijk leefde.

Hij kwam ook eindelijk en drong zich tusschen de kist en den grafwand.

Hij boog zich over haar heen, lichtte haar op en zette haar in het gras

bij de opening van het graf.

Ingrid kon het niet helpen, dat ze beide armen om zijn hals sloeg, het

hoofd tegen zijn schouder legde en snikte. Later kon ze niet begrijpen

hoe ze dat had kunnen doen, en dat ze niet bang voor hem geweest was.

Gedeeltelijk was het uit blijdschap: omdat hij een mensch—een levend

mensch was en gedeeltelijk uit dankbaarheid: omdat hij haar gered had.

O God, wat zou er van haar geworden zijn, als hij er niet geweest was.

Hij had het deksel van de kist genomen, en haar aan het leven

weergegeven. Zij wist wel niet hoe het gegaan was, maar hij had zeker

de kist opengemaakt. Wat zou er toch van haar geworden zijn, als hij

het niet gedaan had? Ze zou wakker geworden zijn in die zwarte kist. Ze

zou hebben geroepen en geklopt. Wie zou haar gehoord hebben, daar zes

voet onder den grond? Ingrid kon er niet aan denken! Ze voelde niets

dan dankbaarheid, omdat ze gered was. Ze moest iemand danken. Ze moest

haar hoofd tegen den schouder van een mensch leggen en schreien van

dankbaarheid.

’t Was wel ’t wonderlijkste van alles wat er dien dag gebeurd was, dat

de man met de viool haar niet wegstootte. Maar ’t was hem niet recht

duidelijk dat ze leefde. Hij meende, dat ze dood was en hij wist, dat

het gevaarlijk was een doode tegen te werken. Maar zoo gauw het hem

mogelijk was, maakte hij zich van haar los en dook weer neer in ’t

graf. Hij legde het deksel weer op de kist, zette er de schroeven weer

in en maakte haar dicht, precies als ze geweest was. Nu zou de kist wel

stil blijven, de viool weer rustig worden en melodieën zingen.

In dien tijd zat Ingrid in ’t gras en dacht na. Ze zag ginds de kerk en

kreeg de paarden en wagens op den kerkheuvel in ’t oog. Toen begon ze

alles te begrijpen. ’t Was Zondag, men had haar ’s morgens begraven en

nu zaten de menschen in de kerk.

Ingrid werd plotseling verschrikt bij de gedachte, dat de kerk gauw uit

zou gaan, en de menschen op ’t kerkhof zouden komen en haar zien. En ze

had bijna niets aan dan dat laken. Ze was bijna naakt. Goede hemel, als

zóóveel menschen haar zoo zagen. Dat zouden ze nooit vergeten. En ze

zou er zich haar geheele leven over schamen. Waar zou ze kleeren

vandaan halen?—Een oogenblik dacht ze er over den pels van den

vioolspeler te nemen, maar ’t kwam haar voor, dat ze er dan toch niet

als een gewoon mensch uit zou zien.

Ze wendde zich snel tot den waanzinnige, die nog met de kist bezig was.

„Hoor eens,” zei ze, „je moest mij in je zak laten kruipen.”

En op ’t zelfde oogenblik was ze bij den zak, waar genoeg koopwaar in

was voor een heelen winkel en begon hem open te maken.

„Och toe, kom me nu helpen.”

Ze behoefde ’t geen twee keer te vragen. Toen de man zag, dat ze aan

den zak raakte, kwam hij snel uit het graf.

„Ja, kom eens aan mijn zak!” zei hij dreigend.

Maar Ingrid lette niet op zijn boozen toon. Ze hield hem toch voor haar

allerbesten vriend.

„Ach, beste man,” zei ze, „help me toch, dat de menschen me zoo niet

zien. Doe die waren er uit en verberg ze ergens en laat mij in den zak

gaan en draag me naar huis. Toe doe het! Ik woon in de pastorie, en die

is maar een klein eindje hier vandaan. Je weet wel waar die ligt.”

De man stond haar aan te zien met een volkomen suf gezicht. Ze kon niet

merken of hij begreep wat ze zei.

Zij herhaalde het, maar hij bewoog zich niet.

Zij begon weer de waren uit den zak te halen, maar hij stampvoette en

trok haar den zak uit de handen.

Goede hemel! hoe zou ze er hem toch toe kunnen bewegen!

Naast haar op ’t gras lag een viool en een strijkstok. Zij nam die op,

eigenlijk zonder te weten waarom. Ze had zeker genoeg met vioolspelers

omgegaan, om niet te kunnen zien dat zulk een instrument op den grond

lag.

Zoodra zij de viool aanraakte, liet hij den zak los en rukte haar de

viool uit de handen.

Hij scheen woedend te zijn, omdat zij die had aangeraakt en de

uitdrukking op zijn gezicht maakte haar bijna bang.

Wat in de wereld zou ze toch verzinnen om weg te komen, eer de menschen

uit de kerk kwamen?

Ze begon hem allerlei moois te beloven, zooals men met kinderen doet om

ze zoet te houden.

„Ik zal Vader zeggen, dat hij een heel dozijn zeisen van je koopt. Ik

zal alle honden opsluiten, als je op de pastorie komt. Ik zal Moeder

vragen of ze je een lekkere portie eten geeft.”—

Maar ze kon niet merken, dat dit alles eenigen invloed op hem had.

Toen dacht ze in eens aan zijn viool en zei in haar wanhoop:

„Als je me naar de pastorie draagt, zal ik voor je spelen.”

En zie! een glimlach gleed over zijn gezicht. Dat was dus wat hij graag

hebben wou.

„Ik zal den heelen middag voor je op de viool spelen. Ik zal spelen

zoolang je maar wilt.”

„Wil je de viool nieuwe liedjes leeren?” vroeg hij.

„Ja zeker wil ik dat!”

Ingrid werd op ’t zelfde oogenblik verbaasd en bedroefd. Hij pakte den

zak stevig aan en rukte dien naar zich toe, hij sleepte hem meê over de

graven, zoodat de maagdepalm en averuit platgedrukt werden als onder

een kluitenbreker.

Hij ging naar een hoop dor loof en takken en oude bouquetten, die tegen

den muur van het kerkhof aan lag. Daar haalde hij alles te voorschijn,

wat in den zak was en verstopte het goed onder ’t loof.

Toen die leeg was, kwam hij er mee naar Ingrid terug.

„Nu kan je er wel instappen,” zei hij.

Ingrid kroop in den zak en zat in elkaar gedoken op den houten bodem.

De man maakte alle riemen weer even nauwkeurig vast, alsof hij zijn

gewone waren te dragen had, boog zich tot bijna op de knieën, zette de

armen in de hengsels, spande een paar riemen over de borst en stond op.

Toen hij een paar stappen gedaan had, begon hij luid te lachen;—hij

droeg een zak op zijn rug, die zoo licht was, dat hij er wel meê had

kunnen dansen.

’t Was maar een kwart mijl van de kerk naar de pastorie. De man kon het

in twintig minuten loopen. Ingrid hoopte maar, dat hij zoo flink zou

aanstappen, dat ze thuis kon komen voor de menschen uit de kerk en van

de begrafenis kwamen. Zij kon de gedachte niet verdragen, dat zóó veel

menschen haar zouden zien. ’t Was ’t beste als ze aankwam, terwijl haar

pleegmoeder en de dienstmeisjes nog alleen op de plaats waren.

Zij had uit de kist het bouquetje mirtebloemen van haar pleegmoeder

meegenomen. Daar was ze zoo blij mee, dat ze ’t herhaaldelijk kuste.

Dat bracht er haar toe zachter over haar pleegmoeder te denken, dan

ooit te voren; maar natuurlijk zou zij in alle geval zacht over haar

gedacht hebben. Wie direkt uit het graf komt, denkt zacht en

vriendelijk over alles wat leeft en zich op aarde beweegt.

Nu begreep ze zoo goed, dat de dominésvrouw de andere kinderen, haar

eigen, veel liever moest hebben dan ze haar pleegdochter hebben kon. En

omdat ze zoo arm waren in de pastorie en geen kindermeisje konden

betalen, was ’t immers heel natuurlijk, meende ze nu, dat zij op de

kleine broertjes en zusjes passen moest. En als die niet altijd lief

voor haar waren, dan kwam dat alleen omdat ze er aan gewoon waren dat

ze hun dienstmeisje was. ’t Was ook niet makkelijk voor hen te

onthouden, dat zij in de pastorie was opgenomen om hun zuster te zijn.

En eindelijk kwam dat alles toch maar van armoede. Als haar pleegvader

maar eens een andere plaats kreeg, als hij maar eens proost werd of op

een andere manier bevorderd werd, dan zou alles nog wel goed worden.

Dan zouden die oude tijden weerom komen, toen allen haar hadden

liefgehad. Ja, zeker zou alles eens weer als vroeger worden. Ingrid

kuste haar bloemen. Haar pleegmoeder had misschien niet hard willen

zijn. ’t Was maar armoede, die haar zoo wonderlijk boos en knorrig

gemaakt had.

Maar nu kon het haar niet meer schelen, hoe ze tegen haar waren. Niets

zou haar nu meer kunnen bedroeven, want nu zou ze altijd blij zijn, dat

ze leefde. En als ’t leven haar ooit weer zwaar werd, zou ze denken aan

Moeders mirten en aan Broertjes houten paardje.

’t Was al genot genoeg te weten, dat ze levend langs den weg gedragen

werd. Dien morgen had niemand geloofd, dat ze nog eens door al die

hoekjes en over die heuvels zou zwerven. En geurende klaver, zingende

vogeltjes, heerlijke lommerrijke boomen, dat alles was er voor de

levenden om van te genieten.

Maar er was niet veel tijd om na te denken, want in twintig minuten was

de man bij de pastorie.

Daar waren alleen de predikantsvrouw en de dienstmeisjes thuis, juist

zooals Ingrid gehoopt had. De predikantsvrouw had zich den geheelen

morgen beziggehouden met het begrafenismaal. Nu verwachtte zij de

gasten, maar nu was ook alles zoo goed als klaar. Ze was juist in haar

slaapkamer geweest om haar zwarte kleeren aan te doen.

Zij keek den kerkweg op, maar nog kwam er niemand aanrijden. Toen ging

ze nog eens naar de keuken om de gerechten te proeven. Ze was heel

voldaan, want alles was goed gelukt en dat doet iemand toch altijd

genoegen, ook al heeft men verdriet. In de keuken was maar één meisje

en dat was een uit dezelfde gemeente als de predikantsvrouw, zoodat ze

dikwijls vertrouwelijk met haar sprak.

„Mij dunkt, Lize,” zei ze, „dat ieder tevreden zou wezen met zulk een

begrafenismaal.”

„Ik zou wel willen, dat ze ’t zien kon wat een eer u haar aandoet,” zei

Lize. „Dat zou haar pleizier doen.”

„Ach neen,” zei de predikantsvrouw, „ik kon haar nooit pleizier doen.”

„Nu is ze dood,” zei ’t meisje, „en ik wil niets zeggen van iemand, die

nauwelijks onder den grond ligt.”

„Ik heb dikwijls harde woorden van mijn man moeten hooren om

harentwil,” zei de pleegmoeder.

De predikantsvrouw had behoefte om met iemand over de doode te spreken.

Zij had gewetenswroeging gehad om harentwil en daarom had ze zulk een

groot begrafenismaal klaar gemaakt. Ze meende, dat haar berouw door al

die moeite, die ze gedaan had, wel zou overgaan. Maar dat was in ’t

geheel niet gebeurd. En haar man had ook berouw en zeide, dat ze ’t

meisje niet als een van hun eigen kinderen behandeld hadden, zooals ze

toch beloofd hadden, toen ze het aannamen. En hij zei, dat ’t beter

geweest was, dat ze haar nooit in huis genomen hadden, nu ze toch niet

hadden kunnen laten haar te doen voelen, dat ze meer van hun eigen

kinderen hielden. En nu had de pleegmoeder behoefte met iemand over ’t

meisje te praten, om te weten te komen of de menschen ook vonden, dat

ze haar slecht behandeld had.

Ze zag, dat Lize heftig in een pan begon te roeren, alsof ze met moeite

haar ergernis bedwong.

’t Was een slim meisje, dat wel wist, hoe ze bij haar meesteres in de

gunst kon komen.

„Men zou meenen,” begon Lize, „dat als men een moeder heeft, die altijd

toeziet dat men heel en schoon is, dan moest men die willen gehoorzamen

en haar pleizier doen. En als men in een goede predikantsfamilie wezen

mag en als een dametje wordt opgevoed, dan moest men probeeren zich

nuttig te maken en niet loopen suffen en droomen. Ik zou wel eens

willen weten hoe het gegaan zou zijn, als u niet gekomen was en u ’t

arme kind hadt aangetrokken. Dan had ze zeker rondgezworven met die

koordedansers, en was op straat als een slet gestorven.”

Daar kwam een man de plaats over, met een zak op den rug, hoewel ’t

Zondag was. Hij kwam stil door de geopende keukendeur en groette, toen

hij binnenkwam. Maar niemand groette terug. De huismoeder en het

dienstmeisje zagen hem allebei, maar toen ze zagen wie het was, bleven

ze doorpraten. De predikantsvrouw wilde graag ’t gesprek voortzetten.

Ze voelde, dat ze juist hooren zou, waar ze behoefte aan had, om haar

geweten gerust te stellen.

„’t Is misschien maar goed, dat ze weg is,” zei ze.

„Ik wil Mevrouw wel zeggen,” zei ’t meisje levendig, „dat ik geloof,

dat de dominé er ook zoo over denkt of ten minste er gauw genoeg zoo

over denken zal. Nu komt er vrede in huis, dat zal Mevrouw wel zien. En

daar zal de dominé ook wel blij om zijn.”

„Ach ja,” zei de pleegmoeder, „ik moest immers maat houden. Altijd

moest er geld zijn voor haar kleeren. ’t Was al te gek. Hij was er zoo

op gesteld, dat ze als de anderen gekleed zou gaan, dat ze soms nog

meer kreeg dan zij. En ze had zooveel noodig, ze was al volwassen.”

„Nu laat Mevrouw Greta zeker haar neteldoeksche jurk dragen.”

„Ja, Greta krijgt die, of misschien neem ik die ook zelf.”

„Ze laat niet veel na, die stakker.”

„Niemand begeerde, dat ze veel na zou laten,” zei de pleegmoeder. „Men

zou al blij zijn, als ze de herinnering aan een goed woord achterliet.”

Dat waren nu alleen maar zulke praatjes, die men houdt als men

gewetenswroeging heeft en zich daartegenover verdedigen wil. ’t Was

volstrekt niet, wat de pleegmoeder eigenlijk meende.

De man met de viool deed precies alsof hij wat kwam verkoopen. Hij

bleef een poosje staan en zag rond in de keuken, legde toen heel

voorzichtig den zak op de tafel en begon het hengsel en de riemen los

te gespen. Toen keek hij nog eens rond om te zien, of hij ook

overvallen kon worden door een kat of een hond, richtte zich op en

begon de twee lederen deksels los te maken die met ontelbare gespen en

knoopen vast zaten.

„Je hoeft dien zak niet open te maken vandaag,” zei Lize. „’t Is immers

Zondag en dan weet je wel, dat we geen handel doen.”

Maar ze lette er niet verder op, dat de arme dwaas voortging de riemen

los te maken.

Zij wendde zich weer tot de predikantsvrouw. Dit was een mooie

gelegenheid om bij haar in een goed blaadje te komen.

„Ik weet niet eens of ze wel goed voor de kinderen was. Dikwijls hoorde

ik ze schreien en jammeren in de kinderkamer.”

„Zooals ze tegen hun moeder was, zal ze ook wel tegen hen geweest

zijn,” zei de predikantsvrouw, „maar nu schreien ze natuurlijk omdat ze

dood is.”

„Ze kennen hun eigen best niet,” zei het meisje, „maar Mevrouw kan er

wel zeker van zijn, dat over een maand niemand meer om haar schreit.”

Op dat oogenblik keerden zij zich van de pan af en zagen naar de tafel,

waar de man met de viool zijn grooten zak stond open te maken. Ze

hoorden een vreemd geluid—iets als een zucht of een snik. De man deed

juist het deksel open en uit den zak kwam de pas begraven pleegdochter,

juist zooals ze haar in de kist gelegd hadden.

Maar ze zag er zoo wonderlijk uit. Nu leek ze veel meer op een doode,

dan toen ze haar neerlegden. Toen had ze nog meer de tint van een

levende, nu was haar gezicht aschgrauw, blauwzwart om de lippen, en de

oogen griezelig ingezonken.

Ze zei niets. Maar de grootste wanhoop lag op haar gezicht, en de hand

waarin zij den mirten-bouquet hield, die ze van haar pleegmoeder

gekregen had, strekte ze verwijtend en smeekend naar haar uit.

Dat was meer dan een mensch verdragen kon. De pleegmoeder viel

onmiddellijk bewusteloos neer. ’t Dienstmeisje stond een oogenblik naar

moeder en dochter te kijken, sloeg toen de handen voor de oogen en

vloog naar haar kamertje, dat ze afsloot.

—„Neen,” zei ze, „om mij komt ze niet. Daar hoef ik niet bij te zijn.”

Maar Ingrid wendde zich weer tot den man met de viool. „Doe je zak weer

dicht en breng me weg van hier. Hoor je? Hoor je ’t wel? O, breng me

hier van daan. Breng me weer waar je me van daan gehaald hebt.”

Toevallig zag de man met de viool naar buiten. Daar kwam een lange rij

wagens aanrijden de laan in en de plaats op. Neen! dan wilde hij hier

niet blijven. Dat stond hem in ’t geheel niet aan.

Ingrid kroop ineen in den zak. Ze vroeg niets meer, ze snikte alleen.

Het deksel ging toe: riemen en gespen werden vastgemaakt en ze werd

opgelicht en weggedragen.

Zij die aan kwamen rijden, lachten hartelijk om den Geitebok, die zoo

hard wegliep als hij kon en ieder paard, dat hem voorbijging, eerbiedig

groette.

Ingrid · 第 7 / 14 题