V.

Moeder Stine was een oude vrouw, die diep in het bosch woonde. Ze kwam

helpen in de pastorie van zelf, alsof ze geroepen was zoodra er

gebakken of gewasschen moest worden. ’t Was een vlugge, verstandige

oude vrouw en zij en Ingrid waren goede vrienden. Zoodra het meisje

weer denken kon, besloot ze bij haar hulp te zoeken.

„Hoor nu eens,” zei ze tegen den man met de viool, „als je op den

grooten weg komt moet je ’t bosch ingaan. Loop dan door tot je aan een

hek komt en sla dan links af. Dan ga je recht door tot je bij den

grooten zandkuil komt. Daar vandaan kun je een huisje zien. Daar moet

je me heen dragen en daar zal ik voor je spelen.” Die korte, gebiedende

toon, waarin ze haar bevelen gaf, deed haar zelf pijn. Maar zóó moest

ze wel tegen hem spreken; anders hielp het niet. Maar ze zei tegen

zichzelf: „Ik ben wel de rechte om een ander te commandeeren, ik—die

niet eens recht heb om te leven.”

Ze kon na ’t gebeurde nooit meer voelen, dat ze recht had om te leven.

En dat was het ontzettende van wat haar overkomen was. Nu was ze zes

jaar in de pastorie geweest en ze had zich niet eens zoo bemind kunnen

maken, dat ze haar in ’t leven terug wenschten. En hij, dien niemand

liefheeft, heeft geen recht op ’t leven. Ze zou niet hebben kunnen

zeggen hoe ze wist, dat het zoo was, maar ’t sprak immers van zelf. Ze

wist het doordat ze, zoodra ze hoorde, dat ze niet van haar hielden,

een gevoel had gekregen, alsof een ijzeren hand haar om ’t hart

gegrepen en ’t samen geknepen had, als om ’t te doen stilstaan. Ja, ’t

leven was voor haar afgesloten geworden. En in ’t zelfde oogenblik, dat

ze uit den dood was teruggekomen en de levenslust hoog en krachtig in

zich had voelen opvlammen, was juist dat wat een mensch recht van

bestaan geeft van haar weggerukt.

’t Was erger dan een doodvonnis. Veel erger! Ze wist wel waar ze ’t mee

vergelijken kon. ’t Was als wanneer men een boom velt, niet op de

gewone manier dat men den stam afhakt, maar dat men in plaats daarvan

de wortels afsnijdt, en hem dan in den grond laat staan om van zelf te

sterven. En dan staat die boom daar en begrijpt niet, waarom hij geen

sappen en voedsel meer krijgt. Hij strijdt en worstelt om het leven,

maar de bladen worden al kleiner, hij schiet geen nieuwe loten, de bast

schrompelt. En hij gaat dood, omdat hij van de levensbron is

afgesneden. Daarom kan hij niet voortleven.

Eindelijk zette de man met de viool den zak neer op een grooten steen

bij dat kleine huisje, dat midden in ’t woeste bosch stond. De

kamerdeur was afgesloten, maar zoodra Ingrid uit den zak kwam, zocht ze

den sleutel in een gaatje onder den drempel, deed de deur open en ging

naar binnen.

Ze kende de kamer zoo goed, met alles wat er in was. ’t Was niet voor

’t eerst, dat ze daar haar troost ging zoeken. ’t Was niet voor ’t

eerst, dat ze bij de oude Stine kwam om te vertellen, dat ze ’t thuis

niet uit kon houden; dat haar pleegmoeder zóó hard voor haar was, dat

ze niet meer naar de pastorie terug wilde.

Maar telkens als ze kwam, had de oude zoo verstandig met haar gesproken

en haar weer tot bedaren gebracht. Ze had afschuwelijke koffie voor

haar gekookt, waar geen enkele koffieboon in was, enkel erwten en

cichorei. En eindelijk had ze er haar toe gebracht om alles te lachen,

zoodat ze dansend over de heuvels weer naar huis was gegaan.

Maar al was moeder Stine nu ook thuis geweest en al had ze haar

leelijke koffie voor Ingrid gekookt, deze keer zou ’t niet geholpen

hebben. De oude was in de pastorie op de begrafenis van het meisje,

want de dominésvrouw had niemand vergeten uit te noodigen, van wie haar

dochter gehouden had. Dat kwam zeker ook door haar gewetenswroeging.

Maar in de kamer van de oude Stine was alles zooals gewoonlijk. En toen

Ingrid de versleten canapé zag, de houten kastjes, de blank geschuurde

tafel en de kat en de koffiekan, toen was ze nog wel niet getroost en

opgebeurd, maar wel voelde ze, dat ze hier aan haar smart den vrijen

loop mocht laten.

’t Was een verlichting, dat ze nu aan niets anders hoefde te denken dan

om uit te schreien en te snikken.

Ze ging naar de sofa, wierp er zich op neer en lag daar te schreien—hoe

lang wist ze zelf niet.

De man met de viool zat buiten op den steen, hij wilde liever niet in

de kamer gaan om de kat, hij wachtte tot Ingrid naar buiten zou komen

om voor hem te spelen en hij had de viool al voor den dag gehaald. Toen

ze nog niet kwam begon hij zelf te spelen.

Hij speelde heel zacht, zooals hij gewoonlijk deed. Binnen kon men ’t

maar flauw hooren.

Ingrid voelde de eene rilling na de ander door haar lichaam gaan. Zoo

had ze zich gevoeld toen ze ziek werd. Ze dacht wel dat ze weer ziek

zou worden. ’t Was ook maar het beste, dat de koorts nu terugkwam en

haar dood maakte—echt dood, voor goed!—

Toen ze ’t vioolspel hoorde, ging ze overeind zitten en zag met

verwilderde oogen rond. Wie speelde daar? Was dat haar student?—Was hij

nu eindelijk gekomen?—

Maar ze begreep gauw, dat het de man met de viool moest zijn, en met

een zucht ging ze weer liggen.

Ze kon niet volgen wat hij speelde; maar zoodra ze de oogen sloot, nam

de viool de stem van den student aan. Ze hoorde ook wat hij zei: hij

sprak tegen haar pleegmoeder en verdedigde Ingrid. Hij sprak even mooi

als toen tegen Mijnheer en Mevrouw Blomgren. Ingrid had zooveel

behoefte aan liefde, zei hij. Dàt had ze gemist. Daarom kon ze niet op

haar werk letten, maar gaf zich aan droomerijen over. Maar niemand kon

begrijpen, hoe ze zou kunnen werken en sloven voor iemand, die haar

liefhad. Voor zoo iemand zou ze zorg en ziekte, armoede en schande

verdragen. Voor zoo iemand zou ze sterk als een reus en geduldig als

een slaaf zijn.

Ingrid hoorde hem duidelijk spreken, en ze werd rustig. Ja zeker, dàt

was waar. Als haar pleegmoeder haar maar had liefgehad, dan zou ze eens

gezien hebben wat Ingrid kon! Maar omdat ze niet van haar hield, was

Ingrid als met onmacht geslagen. Ja, zeker, zóó was het.

Ze voelde de koortsrillingen niet meer. Ze lag maar te luisteren naar

wat de student zei.

Nu en dan sliep ze wel—want telkens meende ze dat ze in het graf lag en

dan was het altijd de student, die haar uit de kist kwam ophelpen. Ze

lag daar met hem over te praten. „Nu ik droom, kom je wel,” zei ze.

„Ik ben ’t altijd, die je helpt, Ingrid,” antwoordde hij. „Dat weet je

immers wel. Ik neem je op uit ’t graf, ik draag je op mijn schouders.

Ik speel voor je. Ik ben ’t altijd.”

Wat haar telkens stoorde en haar nu en dan wakker maakte, was de

gedachte, dat ze op moest staan en voor den man met de viool spelen. Ze

richtte zich verscheidene malen op om het te doen. Maar ze kon niet!—

Zoo vaak ze neerzonk op de sofa, droomde ze. Ze zat in elkaar in den

zak en de student droeg haar door ’t bosch. Hij was ’t altijd.

„Maar dàt deed je toch niet,” zei ze.

„Ja zeker deed ik dat,” antwoordde hij en glimlachte bij haar

tegenpraten. „Je hebt immers iederen dag in al die jaren aan me

gedacht, dus kun je wel begrijpen, dat ik niet laten kon je te helpen

in zulk een groot gevaar.”

Dat vond ze dat van zelf sprak, en zoo begon ze in te zien, dat hij

gelijk had en dat hij ’t geweest was.

Maar dat was zóó zalig, dat ze weer wakker werd. En ze voelde hoe heel

haar wezen vol was van liefde. ’t Was alsof ze werkelijk met hem, die

ze het liefst had, gesproken had.

„Waarom komt hij toch nooit werkelijk!” zei ze halfluid. „Waarom komt

hij alleen maar in mijn droomen!”

Ze durfde zich niet te verroeren. Dan zou dat gevoel van liefde weer

weggaan. ’t Was alsof dat als een schuwe vogel op haar schouders zat en

ze was bang het te verjagen. Als ze zich bewoog, zou de vogel

wegvliegen en de smart weer macht over haar krijgen.

Toen ze eindelijk werkelijk wakker werd, was er een flauwe schemering

in de kamer. Ze moest dus den heelen middag en avond geslapen hebben.

Op dezen tijd van ’t jaar werd het niet donker voor tien uur.

’t Vioolspel had ook opgehouden. De man met de viool was zeker

weggegaan.

Moeder Stine was nog niet gekomen. Ze zou zeker den heelen nacht

wegblijven.

Dat kon het meisje niet schelen. Ze had nergens lust in, dan stil te

blijven liggen en te slapen.

Ze was bang voor al ’t verdriet en de wanhoop die over haar kwam,

zoodra ze wakker werd.—

Maar ze vond wat anders om over te denken. Wie had de deur dicht

gedaan? Wie had moeder Stine’s groote shawl over haar heen gelegd en

wie had een stuk hard brood naast haar op de sofa gezet? Had hij dat

gedaan, de Geitebok?—

Een oogenblik was het haar, alsof de droom en het leven naast elkaar

stonden en wedijverden om haar te troosten. En de droom stond daar

zonnig en lachend en stortte het geluk der liefde over haar uit om haar

op te beuren. Maar ook het arme, harde, moeilijke leven kwam met een

klein stukje vriendelijkheid om te toonen, dat het ’t niet zoo slecht

met haar meende als ’t kort geleden wel scheen.

Ingrid · 第 8 / 14 题