III.

Roglanda heette een gemeente ver weg in ’t oosten van Wermeland, dicht

bij de grenzen der Westerdalen, waar een rijke proost woonde, maar een

arme predikant in een kleine pastorie. Maar hoe arm de bewoners van dat

kleine huisje ook waren—zóó groot was hun barmhartigheid, dat ze een

pleegkind hadden aangenomen. ’t Was een meisje, dat Ingrid heette en ze

was daar aan huis gekomen toen ze dertien jaar was.

De predikant zag haar voor ’t eerst op de markt, waar zij zat te

schreien buiten een koordedanserstent. Toen was hij blijven stilstaan

om te vragen, waarom ze schreide. En zij had hem verteld, dat haar

blinde grootvader dood was en dat ze nu heelemaal geen familie meer

had. Ze was nu bij een paar koordedansers, die goed voor haar waren;

maar ze schreide omdat ze zoo dom was, dat ze nooit op het koord kon

leeren dansen en ze helpen geld te verdienen. En er was iets zóó

aandoenlijk bedroefds geweest in het kind, dat het den predikant

getroffen en bekoord had. Onwillekeurig kwam de gedachte bij hem op,

dat hij zulk een klein wezentje toch niet kon laten rondzwerven met die

landloopers. Hij ging de tent binnen, waar hij Mijnheer en Mevrouw

Blomgren aantrof en bood aan het kind in zijn huis op te nemen.

Het oude kunstenaarspaar begon te schreien en zeide, dat, hoewel ’t

meisje geheel onbruikbaar voor de kunst was, zij haar toch graag hadden

willen behouden. Maar zij geloofden, dat zij gelukkiger zou worden in

een echt tehuis bij menschen, die ’t heele jaar door op dezelfde plaats

woonden, en daarom zouden ze haar aan mijnheer den dominé afstaan, als

hij maar wilde belooven dat hij haar als zijn eigen kind zou

behandelen.

Dat had hij beloofd en sinds dien tijd had het meisje in de pastorie

gewoond. Ze was een stil en zacht kind, rijk aan liefde en teere zorg

voor allen om haar heen. Den eersten tijd hielden haar pleegouders veel

van haar, maar toen zij ouder werd, ontwikkelde zich bij haar een

sterke neiging tot droomen en fantasieën. ’t Rijk der verbeelding en

der visioenen ging voor haar open en bekoorde haar in hooge mate. En

midden op den dag kon ze haar werk in den schoot laten zinken en zich

in droomen verdiepen. Maar de dominésvrouw, een vlugge, nuchtere

persoonlijkheid, die alleen hard werken hoog stelde, zag dit met leede

oogen aan. Zij klaagde over de luiheid en traagheid van het meisje en

behandelde haar met zulk een strengheid dat ze heelemaal schuw en

ongelukkig werd.

Toen ze negentien jaar geworden was, werd ze ernstig ziek. Men wist

niet precies wat haar scheelde, want dit gebeurde lang geleden, in den

tijd, dat er nog geen dokter in Roglanda was. Maar ’t ging niet goed

met het meisje. Men merkte spoedig, dat ze zoo ziek was, dat ze sterven

zou.

Zij zelf deed niet anders dan bidden, dat ze niet meer zou behoeven te

leven. Ze wilde zoo graag sterven, zei ze.

En toen was het, alsof Onze Lieve Heer eens probeeren wilde of ze ’t

wel ernstig meende. Op een nacht voelde ze, hoe ze stijf en koud werd

door ’t geheele lichaam en dat een zwaar gevoel van slaap over haar

kwam. „Dat moet zeker de dood zijn,” zei ze tot zichzelf.

Maar ’t wonderlijkste was, dat ze haar bewustzijn niet verloor. Ze

wist, dat ze dood was, dat ze haar aflegden en in de kist neervlijden,

maar ze voelde geen vrees of angst voor begraven te worden, hoewel ze

leefde. Ze had maar één gedachte, dat ze blij was, dat ze dood was en

dit moeilijke leven verlaten mocht.

Ze was alleen maar bang, dat ze zouden ontdekken, dat ze maar

schijndood was en haar niet begraven. Wel moet het leven bitter voor

haar geweest zijn, dat ze zóó vrij was van alle vrees voor den dood.

Maar niemand ontdekte dat ze nog leefde. Ze werd naar de kerk gereden,

naar buiten, naar ’t kerkhof gedragen en in ’t graf gezet.

’t Graf werd toch niet gesloten boven haar, want volgens ’t gebruik in

Roglanda was ze op Zondagmorgen vóór de hoogmis begraven. De lijkstoet

ging naar de kerk na de begrafenis en liet de kist in ’t open graf

staan. Maar zoodra de Godsdienstoefening voorbij was, zou men komen en

den doodgraver helpen de aarde op de kist te werpen.

’t Meisje wist alles wat er gebeurde, maar ze voelde geen schrik. Ze

had geen beweging kunnen maken om te toonen, dat ze niet dood was, al

had ze ’t ook nog zoo graag gewild, maar ze zou zich stil gehouden

hebben, ook al had ze zich kunnen bewegen. Ze was steeds blij omdat ze

zoo goed als dood was.

Men kon ook niet zeggen, dat ze leefde. Ze had geen gevoel en ook haar

gewone bewustzijn niet. ’t Was maar een deel van haar ziel, dat in haar

leefde—dàt gedeelte dat ’s nachts droomt.

Ze kon niet eens zoover denken, dat ze begreep hoe vreeselijk ’t voor

haar zijn zou, wakker te worden, als ’t graf gesloten was. Zij had niet

meer macht over haar verstand als een droomende.

„Ik zou wel eens willen weten,” dacht ze, „of er iets is, dat er mij

weer toe zou kunnen brengen te willen leven.”

Zoodra ze dit gedacht had, was het haar alsof het deksel van de kist en

’t laken, dat over haar gezicht lag, doorschijnend werden. En vóór zich

zag ze geld en mooie kleeren en heerlijke boomgaarden met sappige

vruchten. „Neen, ik geef niets om dat alles,” zei ze en ze sloot de

oogen voor al die heerlijkheden.

Toen ze weer opzag was dat weg, maar in plaats daarvan zag ze

duidelijk, dat een engeltje op den rand van ’t graf zat.

„Dag engeltje van God,” zei ze tegen hem.

„Dag Ingrid,” zei ’t engeltje. „Terwijl je hier zoo ligt en niets te

doen hebt, zal ik wat met je praten over vroeger dagen.”

Ingrid hoorde duidelijk ieder woord wat de engel sprak, maar zijn stem

klonk heel anders dan wat ze ooit vroeger gehoord had. Die leek veel op

snarenspel en de tonen waren woorden. ’t Was geen gezang, maar viool-

of harpmuziek.

„Ingrid,” zei de engel, „weet je nog wel, dat je eens, toen je

grootvader nog leefde, een jong student hebt ontmoet, die met je

meeging van de eene hoeve naar de andere en den heelen dag op je

grootvaders viool speelde?”

’t Gezicht van de schijndoode werd door een lach verhelderd. „Meen je

dat ik dat vergeten heb?” vroeg ze. „Er is sinds dien tijd geen dag

voorbij gegaan, dat ik niet aan hem gedacht heb.”

„En geen nacht, dat je niet van hem droomde.”

„Neen, geen nacht, dat ik niet van hem droomde.”

„En nu wil je sterven, hoewel je je hem nog zoo goed herinnert,” zei de

engel, „dan kun je hem immers nooit meer zien.”

Toen hij dat zei, kwam het de schijndoode voor alsof ze het geluk van

de liefde voelde, maar zelfs dàt kon haar niet bekoren. „Neen, neen,”

zei ze, „ik ben bang voor het leven. Ik wil veel liever sterven.”

Toen wenkte de engel met de hand. En Ingrid zag een groote, eenzame

zandwoestijn voor zich.

Er waren geen boomen, de grond was onvruchtbaar, droog en heet, en

strekte zich eindeloos voor haar uit. Op ’t zand lag hier en daar iets

wat op ’t eerste gezicht op verspreide rotsen leek, maar toen ze beter

toezag, waren ’t dieren, monsterachtige, levende wezens met geweldige

klauwen en groote muilen vol tanden;—zij lagen op het zand en loerden

op roof. En tusschen al die verschrikkelijke dieren kwam de student

aan. Hij liep daar zorgeloos, zonder te vermoeden, dat die gestalten om

hem heen leefden.

„Maar waarschuw hem, waarschuw hem dan toch,” riep Ingrid den engel

toe, vol van onuitsprekelijken angst. „Zeg hem toch dat ze leven, dat

hij voorzichtig moet zijn.”

„Mij is niet vergund tot hem te spreken,” zei de engel, met zijn

klankvolle stem. „Je moet hem zelf waarschuwen.”

De schijndoode voelde met ontzetting, dat ze daar verlamd neerlag en

niet weg kon ijlen om den student te redden. Ze deed de eene

vruchtelooze poging na de andere om op te staan, maar de onmacht van

den dood hield haar gebonden. Maar toen eindelijk—eindelijk, voelde zij

hoe haar hart weer begon te kloppen, ’t bloed weer door haar aderen

voortdrong, en de stijfheid van den dood weer uit haar lichaam

verdween. Zij stond op en snelde naar hem toe....

Ingrid · 第 6 / 14 题