II.

Het landgoed van Gunnar Hede: de Monnikshut, lag in een armoedige

boschachtige streek, ver weg in de Westerdalen. Een groote, eenzame

gemeente was het, de natuur karig en hard; men zag er niets dan

steenige heuvels met bosch begroeid en kleine meertjes. De menschen

zouden er hun brood niet hebben kunnen vinden, als ze niet het recht

gehad hadden, als marskramers het land door te trekken. Maar de heele

streek was dan ook vol sagen en legenden van arme boerenjongens en

meisjes, die uitgetrokken waren met hun mars op den rug en naar huis

kwamen rijden in een gouden koets met wagens vol geld.

Een van de mooiste van die sagen was die van Hede’s grootvader. Hij, de

zoon van een armen speelman, was, toen hij 17 jaar oud werd, met de

mars er op uitgetrokken. Maar waar hij ook heen trok, had hij de viool

als hulp bij zijn koopmanschap en hij had beurtelings het volk bijeen

gespeeld om te dansen en hun dan zijden doeken, kammen en haarnaalden

verkocht. Al zijn verkoopingen hield hij onder scherts en spel, en zóó

goed was alles gegaan, dat hij eindelijk de Monnikshut had kunnen

koopen met de mijn en het huis, van een buitenlandsch baron, die het

landgoed bezat.

Zoo was hij een heer geworden en was met de mooie dochter van den baron

getrouwd. En sinds dien tijd hadden de echtelieden aan niets anders

gedacht, dan om hun landgoed te verbeteren en te versieren. Zij hadden

het woonhuis overgebracht op het mooie eilandje, dat bij het strand van

’t kleine meer lag, waar omheen hun akkers en mijnen zich uitbreidden.

De bovenverdieping was er ook in hun tijd opgekomen, want zij wilden

graag veel kamers hebben om veel menschen te kunnen ontvangen en ook de

groote stoep met twee opgangen was aangebouwd. Het geheele eilandje dat

vol dennen stond, hadden zij met loofboomen beplant. Zij hadden smalle

slingerpaadjes in ’t steenige veld uitgehouwen; en hoog boven ’t meer

hadden ze kleine priëeltjes gebouwd, die aan vogelnestjes deden denken.

Zij hadden de prachtige fransche rozen aan den rand van het terras, de

hollandsche meubels, de italiaansche viool op de hoeve gebracht en zij

waren ’t ook, die den muur hadden laten bouwen, die den boomgaard voor

den noordenwind beschutte, en den wijngaard hadden aangelegd.

Zij waren opgeruimde en vriendelijke, ouderwetsche menschen geweest: de

Genadige Vrouw was wel een beetje voornaam, maar de oude heer in ’t

geheel niet. In alle pracht, die hem omringde, wilde hij er altijd wel

aan herinnerd worden, wat hij geweest was; en op zijn kantoor, waar hij

zijn zaken regelde en waar alle menschen kwamen, hingen zijn mars en de

roodgeschilderde viool vlak boven den lessenaar van den ouden man.

Zelfs toen hij dood was, bleven de zak en de viool op dezelfde plaats

hangen. En iedere keer als zij die zagen, werden zijn zoon en kleinzoon

met dankbaarheid vervuld. ’t Waren die eenvoudige werktuigen, die de

Monnikshut geschapen hadden en de Monnikshut was toch maar ’t beste wat

er in de wereld was. Hoe dit nu ook kwam—misschien wel omdat men

meende, dat ’t bij het landgoed hoorde, dat men er goed en vriendelijk

gestemd was en vrij van zorgen leefde—de familie Hede hing aan haar

bezittingen meer dan goed voor haar was. En vooral Gunnar Hede was zóó

aan de plaats gehecht, dat men van hem zei, dat ’t niet juist was te

beweren, dat hij een landgoed bezat. ’t Omgekeerde was waar. Er was een

oud buiten in de Westerdalen, dat Gunnar in eigendom had.

Als hij zich niet tot slaaf van een groot, oud woonhuis, van een paar

ton akkerland en bosch, en een paar vergroeide appelboomen gemaakt had,

zou hij zijn studie wel hebben voortgezet of liever nog zich aan de

muziek gewijd, wat toch zijn eigenlijke roeping scheen hier in de

wereld. Maar toen hij uit Upsala kwam en alles wat het landgoed betrof,

gehoord had;—toen hij werkelijk zag, dat het verkocht zou moeten

worden, als hij niet spoedig veel geld zou kunnen verdienen,—toen zette

hij alle plannen voor de toekomst op zij en besloot als marskramer de

wereld in te gaan, zooals zijn grootvader gedaan had.

Zijn moeder en zijn meisje bezwoeren hem liever ’t buiten te verkoopen,

dan er zich op die manier voor op te offeren—maar hij was niet te

bewegen. Hij kleedde zich als boer, kocht waren in en begon door ’t

land te zwerven als koopman. Hij geloofde, dat hij in een jaar genoeg

zou kunnen verdienen om alle schulden af te doen en ’t landgoed te

redden.

En voor zoover het zijn buiten betrof, had hij zegen op zijn arbeid.

Maar hij haalde zich zelf een vreeselijk ongeluk op den hals.

Toen hij zoowat een jaar had rondgeloopen met de mars op den rug, kwam

hem het in den zin, dat hij eens probeeren moest véél geld op eens te

verdienen. Hij trok ver naar ’t noorden en kocht een massa geiten,

zeker wel een paar honderd. En die wilde hij met een kameraad naar de

groote markt in Wermeland brengen, want daar kostten geiten eens

zooveel als in het noorden.

Als hij al zijn geiten verkoopen kon, zou hij prachtige zaken doen.

’t Was nog maar in November en ’t veld was vrij van ijs en sneeuw, toen

Hede en zijn kameraad met hun geiten op weg gingen. Alles ging goed den

eersten dag maar op den tweeden, toen ze in ’t groote bosch waren, dat

tien mijlen lang is, begon het te sneeuwen. ’t Werd een felle

sneeuwjacht met sterken storm en eindelijk hadden de dieren moeite een

weg door de sneeuw te banen. Wel zijn geiten sterke en moedige dieren

en ze worstelden lang voort, maar de sneeuwstorm duurde een paar dagen

en nachten en ’t werd vreeselijk koud.

Hede deed wat hij kon om de dieren te redden, maar sinds de sneeuw

begon te vallen, had hij ze geen voer of water kunnen bezorgen. En toen

ze een dag door de hooge sneeuw geloopen hadden was het vel hun van de

pooten geschaafd. Dat deed hun zeer en ze wilden niet langer loopen. De

eerste geit, die zich aan den weg neerwierp en niet meer wilde opstaan

om de kudde te volgen, nam hij op de schouders en droeg haar voort.

Maar toen er een tweede en een derde liggen bleef, kon hij ze niet

allen dragen. Er bleef niets anders over dan het aan te zien en verder

te gaan.

Misschien weet ge niet wat een bosch van tien mijlen zeggen wil. Geen

hoeve, geen hut, mijlen ver alleen bosch! Hoogopgroeiend dennenhout!

met steenharden bast en hoog zittende takken!—geen jong hout met zachte

schors en weeke takjes, die de dieren konden eten. Als de sneeuw niet

gekomen was, zouden ze in een paar dagen door ’t bosch gekomen zijn; nu

konden ze er in ’t geheel niet doorkomen. Alle geiten bleven daar en

ook de menschen waren er bijna omgekomen.

Zij kwamen al dien tijd geen mensch tegen. Niemand kon hen helpen. Hede

probeerde de sneeuw weg te schuiven, zoodat de geiten ’t mos konden

eten, maar de sneeuw viel dicht en aanhoudend en ’t mos was aan den

grond vastgevroren. En hoe zou hij ook op die manier aan tweehonderd

dieren voer kunnen verschaffen?

Hij droeg alles moedig tot de geiten begonnen te jammeren.

’t Was een vroolijk, uitgelaten, vermakelijk troepje geweest den

eersten dag. Hij had de handen vol gehad met op te passen, dat allen de

kudde volgden, en elkaar niet met de horens doodstaken onderweg. Maar

eindelijk schenen zij te begrijpen dat ze niet meer te redden waren. En

toen werden ze heelemaal moedeloos. Ze begonnen te blaten en te

klagen—niet zwak en zacht, zooals geiten gewoonlijk doen;—maar sterk en

luid, al luider hoe hooger de nood steeg. En toen hij dat blaten

hoorde, werd hij bang, dat hij waanzinnig zou worden.

’t Was een woest, eenzaam bosch. Nergens was hulp te vinden. ’t Eene

dier na het andere zonk neer aan den weg. Sneeuw warrelde om hen heen

en bedekte ze. Toen Hede terugzag op die rij sneeuwhoopen langs den

wegkant, die elk een dier verborgen en waaruit men horens en hoeven nog

zag uitsteken, begon het te warrelen in zijn hersens.

Hij rende toe op de dieren die neervielen, zwaaide zijn zweep over hen

en sloeg ze. ’t Was immers de eenige manier om ze te redden, maar ze

bewogen zich niet. Hij nam ze bij de horens en sleepte ze voort. Ze

lieten zich sleepen, maar deden zelf geen stap. En toen hij de horens

losliet, likten ze hem de handen, alsof ze hem smeekten hen te helpen.

Zoodra hij maar bij hen kwam likten ze zijn handen.

Dit alles maakte op Hede zulk een vreeselijken indruk, dat hij voelde,

dat hij op ’t punt was waanzinnig te worden.

Toch is ’t niet zeker, dat het zoo slecht met hem gegaan zou zijn, als

hij niet, toen alles voorbij was daar in het bosch, dadelijk op reis

gegaan was naar iemand, die hij heel liefhad. Dat was niet zijn moeder,

maar zijn meisje.

Hij meende, dat hij spoedig naar haar toe moest gaan om haar te zeggen,

dat hij zóóveel geld verloren had, dat hij in vele jaren nog aan geen

trouwen kon denken. Toch ging hij rustig op weg naar haar toe, alleen

omdat hij haar wilde hooren zeggen, dat ze hem innig liefhad,

niettegenstaande zijn ongeluk.

Hij geloofde, dat zij de herinnering aan dat vreeselijke bosch zou

kunnen wegnemen.

En dat had ze misschien ook kunnen doen maar ze wilde niet. Ze was al

ontevreden geweest, omdat hij met de mars rondliep en er uitzag als een

boer. Zij vond, dat het daarom al moeilijk was hem lief te hebben

zooals vroeger. Nu zij hoorde, dat hij nog vele jaren daarmee moest

doorgaan, zeide ze dat ze niet langer op hem kon wachten. En toen

verloor Hede zijn verstand.

Hij werd niet bepaald krankzinnig. Hij had nog zooveel verstand over,

dat hij handel kon drijven. Hij deed zelfs nu en dan beter zaken dan

anderen, want het vermaakte den menschen den gek met hem te steken. Hij

was altijd welkom bij de boeren; zij plaagden hem graag; maar dat was

in zekeren zin goed voor hem, want hij wilde zoo graag rijk worden. En

een paar jaar later had hij genoeg verdiend om alle schulden te betalen

en zonder zorg op zijn landgoed te leven. Maar hij begreep dat niet en

bleef stompzinnig en onwijs van de eene hoeve naar de andere loopen, en

dacht er niet aan, dat hij een heer was.

Ingrid · 第 5 / 14 题