I.

Het was een heerlijke herfstdag omstreeks 1838. In dien tijd stond er

in Upsala een hoog, geel geschilderd huis,—verdeeld in een boven- en

benedenhuis—, wonderlijk eenzaam op een kleine weide, ver weg, aan den

buitenkant van de stad. ’t Was een vuil, somber huis, maar ’t werd

versierd door een massa wilde wingerd, die er tegen op groeide en aan

de zonzij zóó hoog tegen den gelen muur op gekropen was, dat hij de

drie vensters van de bovenwoning geheel omlijstte.

In een kamer achter een van die vensters zat een student te ontbijten.

Hij was een groote, knappe, jonge man met een aristocratisch uiterlijk.

Hij droeg het fraai krullend haar hoog opgestreken boven ’t voorhoofd

en één lok gleed telkens neer over zijn oogen; hij was gekleed in een

gemakkelijke losse jas, die toch zeer elegant was. Hij had zijn kamer

keurig ingericht. Er stond een sofa, men vond er gecapitonneerde

stoelen, een groote schrijftafel, een prachtige boekenkast—maar bijna

geen boeken.

Vóór hij nog met zijn ontbijt gereed was kwam een student binnen; dat

was een man van een geheel ander type: een kleine, breedgeschouderde

gestalte, forsch en sterk, leelijk, met een groot gezicht, dun haar en

grof vel.

„Wel Hede,” zei hij, „ik ben gekomen om eens een ernstig woordje met je

te spreken.”

„Is er iets wat je hindert?”

„Och neen, mij niet,” antwoordde de andere, „’t is meer iets wat jou

raakt.”

Hij bleef een poos zwijgend zitten en zag voor zich neer. „’t Is

verduiveld vervelend om ’t je te zeggen.”

„Zeg het dan niet,” stelde Hede voor. Hij vond dien plechtigen ernst

zeer vermakelijk.

„Ja dat is ’t juist! ik kan het niet laten,” antwoordde zijn gast. „Ik

had al lang geleden moeten preken, maar ’t past me zoo slecht, begrijp

je wel? Mij dunkt je moet aldoor denken: „Die Gustaaf Alin, een zoon

van één van onze ondergeschikten, vindt nu, dat hij een heele kerel is

en komt me de les lezen.”

„Neen Alin,” zei Hede, „meen nu nooit, dat ik zoo iets denk. Mijn

grootvader was immers ook een boerenzoon.”

„Ja, maar daar denkt nu niemand meer aan,” zei Alin. Hij zat daar log

en traag voor Hede en hernam steeds meer van zijn boerenmanieren, alsof

dat hem uit de verlegenheid kon helpen.

„Zie je, als ik denk aan den afstand tusschen jouw familie en de mijne,

dan vind ik, dat ik zwijgen moet; maar als ik me herinner, dat je vader

me indertijd geholpen heeft, zoodat ik studeeren kon, dan vind ik dat

ik spreken moet.”

Hede zag hem aan met een zachte uitdrukking in de oogen.

„Spreek nu, zoodat je van die zorg afkomt,” zei hij.

„’t Is dit,” zei Alin, „dat ik de lui hoor zeggen, dat je niets

uitvoert. Ze zeggen, dat je haast niet in een boek gekeken hebt in dit

jaar, dat je aan de academie geweest bent. Je doet niets dan den heelen

dag op de viool spelen. En dat lijkt me niet onwaarschijnlijk, want je

hebt vroeger nooit iets anders willen doen, toen je in Falun op school

ging, behalve als je tot werken gedwongen werdt.”

Hede was wat stijf in zijn stoel gaan zitten. Alin werd hoe langer hoe

ongelukkiger, maar ging nu vastbesloten voort:

„Je denkt natuurlijk, dat hij, die een landgoed als de Monnikshut

bezit, kan doen wat hij wil: werken of niet werken, al naar ’t hem

aanstaat. Doet hij een examen dan is ’t goed. Doet hij ’t niet, dan is

’t bijna even goed. Want je wilt toch niet anders doen, dan je mijnen

exploiteeren en je heele leven op de Monnikshut wonen.—Ik begrijp best,

dat je zoo denkt.”

Hede zweeg en Alin vond, dat hij zich met denzelfden muur van

voornaamheid omgaf, die in zijn oogen altijd Hede’s ouders, den ouden

raadsheer en zijn vrouw, omringde.

„Maar ’t is nu zoo, dat de Monnikshut niet meer ’t zelfde goed is als

vroeger, toen de ijzermijn nog rendeerde,” ging hij voorzichtig voort.

„Dat wist mijnheer de raadsheer wel en hij bepaalde zeker daarom vóór

zijn dood, dat je zoudt studeeren. En Mevrouw weet het ook wel, ’t arme

mensch en de heele gemeente weet het. De eenige, die ’t niet weet, ben

jij, Hede.”

„Meen je,” zei Hede, wat koel, „dat ik niet weet, dat in de ijzermijn

niet meer gewerkt kan worden?”

„O neen, dat weet je wel,” zei Alin, „maar zie je, wat je niet weet, is

dat ’t heelemaal uit is met de Monnikshut. Denk zelf nu eens na. Dan

kun je toch wel inzien, dat men niet alleen van landbouw leven kan in

de Westerdalen. Ja, ik weet niet waarom je moeder dat voor je geheim

gehouden heeft. Maar bij jelui heeft nog geen boedelscheiding plaats

gehad, dus zij hoeft je nergens in te raadplegen. Iedereen thuis weet,

dat zij het krap heeft; zij leent hier en daar geld, zegt men. Zij

heeft je niet willen plagen met haar zorgen, denk ik, maar meent, dat

ze alles wel gaande kan houden, tot je je examens gedaan hebt. Ze wil

niet verkoopen, vóór je klaar bent en een eigen huis hebt.”

Hede stond op en begon de kamer op en neer te loopen. Toen bleef hij

voor Alin staan.

„Hoor eens kerel, je zit me hier wat wijs te maken. We zijn immers

rijk!”

„Ik weet wel, dat jelui bij ons thuis nog altijd tot de grootelui

gerekend wordt,” zei Alin. „Maar je begrijpt wel, dat ’t niet gaat als

er alleen uitgegeven wordt en er geen inkomen is. ’t Was wat anders

toen jelui de ijzermijnen nog hadt.”

Hede ging weer zitten. „Mijn moeder had me dat toch moeten zeggen,”

sprak hij. „Ik dank je, Alin, maar je hebt je door praatjes in de war

laten brengen.”

„Ja, dat dacht ik wel, dat je er niets van wist,” zei Alin; „thuis op

de Monnikshut zit Mevrouw te sparen en te werken om je geld te kunnen

zenden opdat je het prettig en goed zoudt hebben in de uren, dat je op

je kamer komt. En intusschen zit jij hier en voert niets uit, omdat je

niet weet, dat er onraad is. Ik kon ’t niet langer aanzien, dat jelui

elkaar bedrogen. Zij meende, dat je werkte en jij meende, dat zij rijk

was. Ik kon je niet je toekomst laten bederven zonder iets te zeggen.”

Hede zat een poosje zwijgend na te denken. Toen stond hij op en reikte

Alin de hand met een droevigen glimlach.

„Je begrijpt immers wel, dat ik weet, dat je de waarheid spreekt, al

wil ik ’t ook niet gelooven. Ik dank je.”

Alin schudde hem de hand, stralend van geluk. „Je begrijpt wel, Hede,

dat er nog niets verloren is, als je maar aan ’t werk gaat. Met jouw

kop kun je immers binnen twee jaar klaar zijn.”

Hede richtte zich op. „Wees maar gerust, Alin,” zeide hij, „ik zal nu

voortmaken.”

Alin stond op en ging naar de deur. Maar eer hij die bereikt had,

keerde hij om. „Ik had nog een ander verzoek,” zei hij en werd weer

heel verlegen. „Ik wou je vragen, of je mij je viool niet wilt leenen,

tot je op gang met je studie gekomen zijt.”

„Jou mijn viool leenen?”—

„Ja, rol hem maar in dien zijden doek en sluit hem in ’t foudraal en

geef hem mij meê. Anders kom je niet aan ’t werk.

„Eer ik de deur uit was zou je weer gaan spelen. Je bent er nu zoo aan

gewend, dat je ’t niet zoudt kunnen laten, als je hem hier hieldt. Zoo

iets kan een mensch niet overwinnen zonder hulp. Dat werd je te

machtig.”

Hede was onwillig. „Dat is immers onzin,” zei hij.

„Och neen, dat is geen onzin. Je weet immers wel, dat je ’t van je

vader geërfd hebt. ’t Zit je in ’t bloed, dat vioolspelen. En zoodra je

je eigen baas was hier in Upsala, heb je niet anders gedaan. Je woont

hier immers zoo ver buiten de stad, alleen om niemand met je spel te

hinderen. Je kunt hiermeê heusch jezelf niet helpen. Laat mij nu de

viool meênemen.”

„Ja, vroeger,” zeide Hede, „heb ik ’t spelen niet kunnen laten. Maar nu

geldt het de Monnikshut. Daar geef ik meer om dan om de viool.”

Maar Alin bleef staan en hield aan en vroeg om de viool.

„Maar waar dient dat voor?” vroeg Hede. „Als ik spelen wil, hoef ik

niet ver te gaan om een andere viool te leenen.”

„Ja, dat weet ik wel,” antwoordde Alin, „maar ik geloof niet, dat een

andere viool zoo gevaarlijk is. Het is die oude italiaansche viool, die

’t ergste is voor jou. En dan wou ik je ook voorstellen: laat je de

eerste dagen opsluiten. Alleen maar tot je op streek met je werk bent.”

Hij smeekte Hede toe te geven, maar tevergeefs. Hede wilde zich niet

aan zulk een belachelijken maatregel onderwerpen. Je op je kamer te

laten opsluiten!

Alin werd vuurrood.

„Ik moet die viool meê hebben,” zei hij, „anders helpt alles niets.”

Hij sprak heftig. „Ik heb er niet over willen spreken, maar ik weet,

dat het voor jou om meer dan om de Monnikshut te doen is. Ik zag een

meisje op ’t promotiebal verleden jaar. Men zei dat ze met jou

geëngageerd was. Nu—ik dans niet, maar ik genoot er toch van haar te

zien dansen. Ze straalde en schitterde als een bloem op de wei. En toen

ik hoorde, dat ze met jou geëngageerd was, speet me dat voor haar.”

„Speet je dat?”

„Ja! ik wist immers, dat er nooit iets van je terecht zou komen, als je

doorging zooals je begonnen was. En toen zwoer ik, dat het kind niet

haar heele leven zou zitten wachten op iemand, die toch nooit kwam. Ze

zou niet blijven zitten en verwelken door ’t wachten op jou. Ik wilde

haar niet over een paar jaar weerzien met scherpe trekken en diepe

rimpels om den mond.”

Hij brak plotseling af: Hede had hem zoo wonderlijk onderzoekend

aangezien.

Maar Gunnar Hede had al begrepen, dat Alin van zijn meisje hield. En

het ontroerde hem diep, dat deze hem onder die omstandigheden wilde

redden. En onder den indruk van dat gevoel, gaf hij toe en reikte hem

de viool over.

Toen Alin weg was, nam Hede een boek en werkte een uur lang als een

wanhopende; maar toen wierp hij het weg.

Wat hielp het studeeren! hij zou eerst over drie of vier jaar klaar

zijn. En wie stond er hem voor in, dat zijn landgoed in dien tijd niet

verkocht werd?

Hij voelde bijna met schrik, hoe hij dat oude huis liefhad. ’t Was als

een betoovering. Iedere kamer, iedere boom stond hem zoo levendig voor

den geest. Niets van dat alles kon hij ontberen, als hij gelukkig zou

zijn.

En nu zou hij stil bij de boeken zitten, terwijl dat alles hem dreigde

te ontsnappen.

Hij werd steeds onrustiger; hij voelde ’t bloed in zijn slapen kloppen,

alsof hij koorts had. Hij werd heelemaal wanhopend, omdat hij zijn

viool niet had om zich weer kalm te spelen.

„O God!” zei hij, „die Alin zal me nog krankzinnig maken. Me eerst dat

te vertellen, en me dan mijn viool af te nemen!

„Een mensch als ik moet den strijkstok tusschen de vingers voelen in

smart en vreugde. Ik moet iets doen, ik moet geld verdienen, maar mijn

hoofd is zoo leeg! Ik kan niet denken zonder mijn viool!”

Hede was woedend, omdat hij opgesloten zat, alleen bij zijn boeken. ’t

Was immers onzinnig om langzaam voor een examen te gaan werken nu hij

geld, geld! geld! noodig had.

Hij kon ook dat gevoel van opgesloten zijn niet verdragen. En hij was

zóó boos op Alin, die zulk een dwaasheid bedacht had, dat hij bang

werd, dat hij hem slaan zou, als hij weerkwam.

Ja, zeker zou hij gespeeld hebben als hij de viool gehad had, maar dat

was juist wat hij doen moest. Zijn bloed kookte immers zoo van louter

onrust, dat hij bijna waanzinnig was.

Juist op ’t oogenblik, dat Hede ’t meest naar zijn viool verlangde,

kwam een rondzwervend speelman en begon beneden op de plaats te spelen.

’t Was een oude blinde man; hij speelde valsch en zonder uitdrukking,

maar Hede werd zoo aangedaan door dat hij juist nu een viool hoorde,

dat hij met tranen in de oogen en gevouwen handen luisterde.

En een oogenblik later wierp hij ’t venster open en klauterde langs den

wingerd naar beneden. Hij maakte er zich geen gewetensbezwaar van, dat

hij van zijn werk wegliep. Hij meende, dat de viool daar alleen gekomen

was om hem in zijn verdriet te troosten.

Hede had zeker nooit zóó onderdanig om iets gevraagd, als nu hij den

blinde verzocht hem zijn viool een oogenblik te leenen.

Hij stond steeds met de muts in de hand, ofschoon de man stekeblind

was.

De oude scheen hem niet te verstaan: hij keerde zich tot het meisje,

dat hem leidde. Hede boog voor het arme kind en herhaalde zijn verzoek.

Zij zag hem aan, zooals menschen doen, die oogen voor twee moeten

hebben. Die blik kwam zóó vast uit de groote, grijze oogen, dat ’t Hede

voorkwam, alsof hij voelde waar ze hem troffen. Nu waren ze bij zijn

boordje en zagen, dat hij een pas gesteven overhemd aanhad, nu zagen ze

dat zijn rok goed geborsteld was en zijn laarzen net gepoetst.

Hede had nooit zulk een onderzoek ondergaan. Hij zag duidelijk, dat die

oogen hem zouden onderschatten.

Maar dat bleef zoo niet. ’t Meisje had een bizondere wijze van lachen.

Zij had zulk een ernstig gezicht, dat men, als ze glimlachte, den

indruk kreeg alsof ze voor ’t eerst van haar leven er gelukkig uitzag.

En nu gleed zulk een zeldzame glimlach over haar lippen.

Zij nam de viool uit de handen van den ouden man en gaf haar aan Hede.

„Nu moet u de wals uit de Freischütz spelen,” zei ze.

Hede vond ’t eigenaardig, dat hij juist nu een wals zou moeten spelen,

maar eigenlijk kon ’t hem niet schelen, wat hij speelde, als hij maar

een strijkstok in de hand mocht hebben.

Iets anders had hij niet noodig. En de viool begon hem dadelijk te

troosten. Zij sprak tot hem met haar zwakke, krassende tonen.

„Ik ben maar een arme oude viool,” zei ze, „maar zooals ik ben, kan ik

toch een armen blinde troosten en helpen. Ik ben het licht, de kleur,

de gloed van zijn leven. Ik troost hem in zijn blindheid, zijn armoede

en zijn ouderdom.”

Hede voelde hoe zijn diepe verslagenheid, die hem alle hoop benam,

begon te wijken.

„Ge zijt jong en sterk,” zei de viool tegen hem. „Ge kunt strijden! Ge

kunt vasthouden wat u ontvlieden wil. Waarom zijt gij moedeloos en

bedroefd?”

Hede had met neergeslagen oogen gespeeld. Nu wierp hij het hoofd

achterover en zag naar wie om hem heen stonden. Er stond een vrij

groote schare kleine kinderen en voorbijgangers aan den weg, die op de

plaats gekomen waren om naar de muziek te luisteren.

Maar ze waren zeker niet enkel om de muziek gekomen. De blinde en zijn

geleidster waren niet de eenigen in den troep.

Vlak voor Hede stond een man in tricot met paljetten en bloote armen,

die hij over de borst gekruisd had. Hij zag er oud en afgesloofd uit,

maar Hede kon niet laten te denken, dat het een flinke kerel met hooge

borst en lange knevels was. En daar was zijn vrouw, kort en dik, en

niet heel jong meer. Maar ze straalde van pleizier over haar paljetten

en haar golvende, gazen kleeren.

Onder de eerste maten van de muziek stonden ze stil te tellen. Toen

kwam er een glimlach op hun lippen en ze namen elkaar bij de hand en

dansten op een klein stukje kleed.

En Hede merkte, dat de vrouw onder al deze equilibristische kunsten,

die ze uitvoerden, bijna stil stond, terwijl de man alleen aan het werk

was. Hij sprong over haar heen, tolde om haar heen en duikelde over

haar. De vrouw deed bijna niet anders dan vingerkussen naar het publiek

uitzenden.

Maar eigenlijk dacht Hede niet veel aan hen. Zijn strijkstok vloog over

de snaren. Die zeide hem, dat er geluk in strijd en verovering ligt.

Die prees hem gelukkig, omdat alles voor hem op het spel stond. Hede

stond daar en speelde zichzelf hoop en moed in en dacht niet aan de

oude kunstenmakers.

Maar plotseling merkte hij, dat ze onrustig werden. Zij glimlachten

niet langer en zonden geen vingerkussen meer aan het publiek. De

akrobaat sprong verkeerd en de vrouw begon zich op walsmaat heen en

weer te wiegen.

Hede speelde warmer, hij liet de Freischützwals varen en stormde voort

in een oud stroomgeestenlied, zulk een lied, dat alle toehoorders

placht meê te slepen, als ’t op een feest gespeeld werd.

De oude kunstenmakers verloren geheel hun zelfbeheersching; zij gaven

zich volkomen aan hun gloeiende bewondering over. En eindelijk konden

zij de verzoeking niet meer weerstaan. Ze namen een sprong, vlogen

elkaar in de armen en dansten een wals midden op hun kleed. En ze

dansten, ze dansten! Ze namen kleine trippelstapjes en snorden rond in

een kring, zoodat ze nauwelijks van ’t kleed afkwamen.

En hun gezichten straalden van verrukking. Er was jonge vreugd en

liefdesgeluk over de oude menschen gekomen.

En het volk jubelde, toen het ze zoo zag dansen. De kleine, ernstige

geleidster van den blinde lachte met haar geheele gezichtje, maar Hede

was diep ontroerd.

Zie, dàt kon hij met zijn viool; de menschen geheel buiten zichzelf

brengen. ’t Was een geweldige macht, waarover hij beschikte. Wanneer

hij maar wilde kon hij zijn rijk in bezit nemen.

Slechts een paar jaar studeeren in ’t buitenland onder leiding van een

of ander groot meester. Dan zou hij de wereld rondtrekken en geld, eer

en roem verwerven.

’t Was Hede alsof die akrobaten gekomen waren om hem dat te zeggen. Dat

was zijn weg. Nu lag die zoo licht en breed voor hem. En hij zei tot

zich zelf: „Ik zal musicus worden, ik moet. Dat is heel wat anders dan

studeeren. Ik kan menschen betooveren met mijn viool. Ik zal rijk

worden!”

Hede hield op met spelen. De akrobaten kwamen onmiddellijk naar hem toe

om hem te komplimenteeren.

De man vertelde, dat zijn naam Blomgren was. Dat was zijn burgerlijke

naam. Hij had een anderen als hij optrad; hij en zijn vrouw hadden

vroeger aan een circus meegewerkt. Mevrouw Blomgren heette vroeger Miss

Viola en maakte kunsten op den rug van ’t paard. En nog heden, hoewel

zij ’t circus verlaten hadden, waren zij kunstenaars met hart en ziel.

Dat had hij wel kunnen zien. Want daarom hadden zij zijn viool niet

kunnen weerstaan.

Hede ging een paar uur met de akrobaten mee; hij kon niet van de viool

scheiden. En hem bekoorde de verrukking van de oude kunstenmakers over

hun vak. En hij onderzocht zich zelf: „Ik wil zien of er

kunstenaarsbloed in me is;—of ik verrukking kan wekken, of ik maken

kan, dat kinderen en zwervers me volgen van plaats tot plaats,” dacht

hij.

Toen ze zoo voortgingen, wierp de Heer Blomgren een oude versleten

paletot om en Mevrouw Blomgren hulde zich in een bruine, ronde

pelerine; en zoo uitgedost, liepen ze met Hede te praten.

Mijnheer Blomgren wilde niet spreken van al de eer, die hij en Mevrouw

Blomgren geoogst hadden in den tijd toen ze bij een werkelijk circus

hoorden. Maar de directeur had Mevrouw Blomgren haar ontslag gegeven,

onder voorwendsel dat ze te corpulent werd. Mijnheer Blomgren was niet

ontslagen; maar hij had ontslag gevraagd. Niemand zou toch van den Heer

Blomgren verwachten, dat hij zou blijven dienen bij een directeur, die

zijn vrouw ontslagen had.

Mevrouw Blomgren had de kunst lief en om harentwil was de Heer Blomgren

besloten een vrije kunstenaar te worden, zoodat zij kon blijven

optreden. ’s Winters als het te koud werd om voorstellingen op straat

te geven, speelden ze in een tent. En daar hadden ze een rijk

repertoire. Dan gaven ze pantomimen, goochelden en jongleerden.

„’t Circus had ze verloochend, maar de kunst niet,” zei de Heer

Blomgren. Zij dienden nog steeds de kunst. Ze was waard dat men haar

trouw bleef tot den dood. Altijd, altijd kunstenaars!

Dat was de opinie van Mijnheer Blomgren en dat was ook die van

Mevrouw.—

Hede liep zwijgend te luisteren. Zijn gedachten zwierven onrustig van

het een naar het andere. Soms kan men dingen ontmoeten, die voor ons

staan als symbolen, als teekens, die men verklaren moet. Wat hem nu

gebeurde moest een beteekenis hebben. Als hij het goed begreep, kon het

hem helpen het juiste besluit te nemen.

De Heer Blomgren verzocht mijnheer de student eens te letten op dat

kleine meisje, dat den blinde leidde. Had hij ooit zulke oogen gezien?

Meende hij niet, dat zulke oogen wat moesten beteekenen? Kon men zulke

oogen hebben zonder voor iets groots te zijn aangelegd?

Hede wendde zich om en zag naar het kleine, bleeke kind. Ja, zij had

oogen als sterren in het treurige en uitgeteerde gezichtje.

„Onze Lieve Heer weet wel wat Hij doet,” zei Mevrouw Blomgren, „en ik

geloof zeker, dat Hij zijn bedoeling er mee heeft, dat Hij zulk een

kunstenaar als Mijnheer Blomgren op straat laat optreden. Maar wat

dacht Hij, toen Hij dat meisje die oogen en dien glimlach gaf?”

„Ik zal u eens wat zeggen,” zei Mijnheer Blomgren. „Zij heeft niet den

minsten aanleg voor kunst. En dan die oogen!”

Hede begon ze te verdenken, dat ze niet voor hem spraken, maar dat ze

het kleine meisje een lesje gaven. Zij liep achter hen en kon ieder

woord hooren.

„Ze is al meer dan dertien jaar, en volstrekt niet te oud om wat te

leeren: maar onmogelijk—onmogelijk! geheel zonder aanleg. Leer haar

naaien, mijnheer de student, als ge uw tijd niet verspillen wilt, maar

leer haar niet op ’t hoofd staan.”

„Die glimlach van haar brengt de menschen ’t hoofd op hol,” zei

Mijnheer Blomgren. „Alleen om dien glimlach krijgt ze aanhoudend

aanbiedingen van families, die haar als kind willen aannemen. Zij kon

opgroeien in een rijk huis, als ze haar grootvader wilde verlaten. Maar

waar heeft ze dien glimlach voor noodig, als ze zich nooit op een paard

of aan een trapeze wil vertoonen?”

„Wij kennen andere kunstenaars,” zei Mevrouw Blomgren, „die een kind

van de straat hebben opgenomen en ze voor het vak opleidden, om te

spelen, als zij zelf niet meer kunnen optreden. Zoo is het meer dan één

gelukt een ster te vormen en een groot honorarium te verdienen. Maar

Mijnheer Blomgren en ik hebben nooit aan honorarium gedacht. We dachten

er alleen aan hoe heerlijk ’t zijn zou, Ingrid door de hoepels te zien

vliegen, terwijl ’t heele circus trilde van ’t applaudisseeren. Dat zou

ons weer heelemaal jong gemaakt hebben.”

„Waarom houden we haar grootvader?” zei Mijnheer Blomgren. „Is hij een

kunstenaar, dien wij hoog stellen? Wij konden immers wel een lid van de

hofkapel mee krijgen. Maar we hebben ’t meisje lief, we kunnen ze niet

meer missen, we houden den ouden man om harentwil.”

„Is ’t nu niet leelijk van haar, dat ze ons niet wil toelaten een

kunstenares van haar te maken,” zeiden ze.

Hede zag om. De kleine geleidster van den blinde liep daar met ’t

lijden op haar gezichtje. Hij kon aan haar zien, dat ze wist dat wie

niet op ’t koord kon dansen een weinig begaafd, verachtelijk wezen was.

Zij waren juist bij eene nieuwe hoeve gekomen, maar eer de voorstelling

begon, sprong Hede op een omgekeerden kruiwagen en begon te spreken.

En nu verdedigde hij ’t arme meisje. Hij verweet Mijnheer en Mevrouw

Blomgren, dat ze haar aan ’t groote, wreede publiek overleveren wilden,

dat haar een tijd lang zou liefhebben en toejuichen, tot ze oud en

afgewerkt was, om haar dan op straat in regen en kou te laten

rondloopen. Neen, er waren kunstenaars genoeg, die de menschen gelukkig

maakten. Zij, Ingrid, moest haar oogen en glimlach voor een enkele

gebruiken, ze voor één enkele bewaren. En die eene zou haar niet

verlaten, maar haar een thuis geven, zoolang hij leefde.

De tranen kwamen Hede in de oogen, terwijl hij sprak. Hij sprak meer

voor zichzelf dan voor de anderen. Hij voelde plotseling hoe vreeselijk

het was, in de wereld uitgedreven, van het stille huiselijk leven

gescheiden te worden.

Toen zag hij hoe de groote sterren-oogen van het jonge meisje begonnen

te stralen, het was alsof ze elk woord begrepen had. ’t Was alsof ze ’t

leven weer aandurfde.

Maar Mijnheer Blomgren en zijn vrouw waren heel ernstig geworden. Ze

drukten Hede de hand en beloofden hem, dat ze nooit meer zouden

beproeven het meisje te dwingen kunstenares te worden. Zij zou den weg

mogen gaan, dien zij wilde. Hij had hun hart getroffen. Zij waren

kunstenaars, vurige kunstenaars, zij begrepen wat hij bedoelde, als hij

van liefde en trouw sprak.

Toen nam Hede afscheid van hen en ging heen. Hij zocht niet meer naar

een geheimzinnige bedoeling van dit avontuur. Want alles samen genomen

was er geen andere bedoeling in, dan dat hij dat arme, bedroefde kind

bewaren zou voor zich dood te treuren over haar eigen onbruikbaarheid.

Ingrid · 第 4 / 14 题