Verwijlen we tans nog een ogenblik bij de psychologie van

oorlog,—inzonderheid bij wat ons deze „echtste” aller oorlogen

daaromtrent leert—bij oorlogstemming en oorlogsdeugd:

oorlogspatriottisme en oorlogsheroïsme, die ons als de beste, hoogste

voortbrengselen van oorlog worden geprezen. Van stemming moeten we

spreken—tot karakterwijziging is oorlog weer niet in staat: men

_verliest_ zijn egoïsme niet, maar _vergeet_ het door oorlog... een

wijle.[57] Vooral kleine bekrompen zielen, voor wie in vrede geen

gemenebest bestond—ze beleven in oorlogstijd een ongekende wijding

en verheffing—ze worden letterlik boven zich zelf uitgeheven—zijn

beter, ruimer, groter dan ze zijn. Heel die massa, die van ouds

door haat en woede—de officiële krijgsterm is „heilige toorn”—eer

ontvlamt dan door verering en liefde, allen die bovendien ongevoelig

genoeg zijn voor het eindeloos triest en onherstelbaar leed, dat elke

oorlogsdag over de duizenden gezinnen neerzwaddert—zij kunnen in

oorlogsdagen een levensvolheid, een „Lebenserweiterung”, een zaligheid

genieten als nooit te voren, vooral na zegepralen, wanneer de vreugde

nog gekruid wordt door kontrast, kollektieve trots en leedvermaak. De

besten zullen het nooit verder kunnen brengen dan tot een elegiese

stemming, een weemoedige blijdschap. Maar de meesten zullen inderdaad

hun eng-persoonlike belangetjes, beslommeringen en verheugingen

kleiner zien dan anders, zich gedragen voelen, opgestuwd door een

machtige stroom van gemeenschapsleven. De betrekkelike waarde daarvan

ontkennen we niet—al is de oorlogsolidariteit slechts troebel

surrogaat van zuivere kultuurgemeenschap, en al werkt deze kollektieve

gemoedsberoering en aandachtbepaling als bewustzijnsvernauwing zeker

niet minder ten kwade dan ten goede. Allerlei frivoliteit schijnt

weggevaagd door de ernst van de tijd. Parijs en Berlijn heten „solide”

geworden. Maar laat ons van de nood geen deugd maken. Het Luna-park

werd lazaret. De neigingen zijn dezelfde gebleven, ook waar ze

tijdelik zijn verdrongen. En dan nog... Het krantenlezend publiek zou

vreemd opkijken, wanneer het las, hoe een der grote geneeskundige

tijdschriften (Frans, Duits of Engels, dat doet er hier niet toe)

klaagt over het schrikwekkend toenemen van geslachtsziekten onder

de troepen op het oorlogspad... over het door afschuwelike cijfers

geïllustreerd deernengevaar voor de strijdende legers zelf en voor

de gezinnen thuis. Ook tegen alkoholuitspattingen zijn in oorlog

de strengste verboden nodig—en ontoereikend. Maar met het nodig

voorbehoud erkennen we, dat oorlog, als alle nood, gevaar en smart,

de lust tot allerlei ijdel en wuft vermaak beneemt, allerlei klein

gehaspel, gekijf en gedoe aan kant zet. Het levensgevaar stemt ernstig,

het landsgevaar bovendien solidair, maatschappelik, offervaardig.—Zo

levert oorlog, nog boven pest en aardbeving, vermoedelik zelfs in

Nederland, de tekst voor menige waarlik niet onstichtelike preek over

„het nut der tegenspoeden”. En hij heeft daarenboven z'n verheffende,

soms zelfs verheven momenten. Want men offert dan toch z'n leven, z'n

man, z'n kinderen menigmaal zelfs min of meer vrijwillig. Ik weet

van een moeder, die vier zoons verloor en zich slechts beklaagt over

de vijfde, die zich niet heeft opgegeven als vrijwilliger. Dat zijn

ongetwijfeld „hoge gevoelens” ik zou niet eens durven zeggen, gelijk ik

ergens geschreven zag, „van lager orde”. Laat men offeren aan een waan,

blinde liefde kan groter zijn dan verstandige berekening. Toch blijft

oorlogstemming zóver beneden ware grootsheid, ware wijding, dat wij

geen volk er om zouden benijden, ook al was ze zonder oorlogsellende

te krijg. Te zeer is ze razernij, zelfs van haar deugden, te zeer

is vijandschap, haat de grondtoon, zelfs van haar solidariteit. De

verhitting der gemoederen en geesten is een bewustzijnsvernauwing,

die kritiekloos, uitzinnig, ontoerekenbaar maakt, als in roes, droom

of hypnose. Vals en krijsend zijn de geluiden uit oorlogsland, die

het volk zelf houdt voor zuivere bezielde muziek. Welk een walmen van

leugen en laster, geschimp en geschamper slaan ons tegen uit de pers!

Vergiftigd blijkt heel de atmosfeer. Iets poenigs is in de geesten

gevaren, iets van de „miles gloriosus” onzaliger gedachtenis, met

z'n chauvinisme, z'n eigengerechtigheid, z'n zelfoverschatting, „die

fruchtbarste Mutter der Laster” (STEINMETZ). Zo wordt het patriottisme

de doodsvijand van rechtszin en objektiviteit, en culmineert in het

bewust en schaamteloos _right or wrong, my country_![58] „Objektivität

wird da fast unmöglich, ja, sie gilt manchem als Verbrechen” schrijft

de vrij bezonnen gebleven KAUTSKY in de _Neue Zeit_[59] van 2

Oktober. De wijsgerige taal-kriticus FRITZ MAUTHNER getuigt in een

artikel over _Die Philosophie und der Krieg_: „Der gute Krieg ist

es, der jede Sache heiligt”.... „Auch unser moralisches Urteil ist,

ob wir wollen oder nicht, unwiderstehlich national und patriotisch

geworden. Das angeblich[!] wissenschaftliche und unparteiische Gerede

über völkerrechtliche Fragen widersteht uns”... „Die eigentliche

Philosophie, die nüchterne Erkenntniskritik, hat vorläufig zu

schweigen”. Maar fijner en erger is, wat STEFAN ZWEIG schrijft in

zijn bovengenoemd opstel. Voorbij nu de heerlike vriendschap, m'n

lieve vrienden, ik moet met m'n volk meehaten, „was in mir deutsch ist

überflutet mein ganzes Empfinden. _Noch vermöchte ich, euch gerecht zu

sein, aber ich finde den Willen nicht mehr, gerecht zu sein._ Heute

ist das Mass verwandelt” enz. (zie boven; ik cursiveerde). Blinde haat

is nu nodig, ik mag m'n soldaten niet door de stem van recht en rede,

die ik in mij hoor, die ge hier van mij hoort, vermurwen! „Erwartet

darum nicht, dass ich heute für euch spreche, dass ich sage, Belgiens

Menschen sind nicht Meuchelmörder und Schänder von Verwundeten, die

solche Taten tun, gehören in jene Unterschicht, die in jeder Masse

den trüben Bodensatz bilden und von den Ereignissen emporgeschüttelt

das Bild einer ganzen Nation trüben. Dass ich sage, Frankreich ist

friedlich und nur verleitet, und nicht jeder Engländer sei perfid

und pharisäisch, [laakt niet] dass ich nichts tue, mich mit Worten

jener Welle von Zorn entgegenzuwerfen, die Deutschland heute gegen

ihre Bedränger schleudert. Ich weiss, es wäre gerecht, dies laut zu

sagen, und weiss, wie schön es ist, auch in der Leidenschaft gerecht zu

sein. Aber für die Schönheit ist heute kein Raum in der Zeit”... „Wer

noch nicht mitkämpft, darf den anderen zumindest nicht in die Waffen

fallen”... „Aber glaubt nicht darum, ihr Lieben, es sei mir leicht,

dieses Schweigen!” Maar het moet terwille van de natie en haar eenheid.

„Unsere Freundschaft ist vergeblich, solange unsere Völker in Waffen

sind, aber sie wird zwiefach wertvoll nach jenem grossen Ringen. Denn

dann wird statt jenes heiligen Zornes viel kleine Bitterkeit, viel

niederer Groll, viel erbarmliche Gehässigkeit in der Welt sein, dann

wollen wir unser Samariterwerk beginnen, die Wunden zu heilen, die

unsere Brüder geschlagen haben. Wir wollen versuchen, soweit unsere

Kräfte reichen, unsere menschliche Freundschaft vorbildlich zu machen

für eine der Völker”... Dat is smartelike, bijna edele verzaking van

recht en waarheid, waartoe het patriottisme deze voorname, nobele geest

verleidt.

[57] Vgk. STEINMETZ, 206: „Nie wird der natürliche Egoismus durch

Hunderttausende so vollständig vergessen als eben im Kriege.”

[58] Toch twijfelt bij de keuze tussen gerechtigheid en patriottisme

het zedelik besef geen ogenblik: het heeft van ouds de

gerechtigheid gemaakt tot attribuut van de Godheid en het

patriottisme zelfs voor een stam- of krijgsgod niet goed genoeg

geacht. Ook de God van Duitsland of van Rusland of van Turkije zal

wel een God zijn van „waarheid en gerechtigheid”.

[59] Dit tijdschrift heeft merkwaardig weinig van de oorlogstemming

geleden. Zie b.v. hoe ECKSTEIN er het befaamde manifest der 93 in

beoordeelt onder het motto: _Der Fachmann als Laie_ (16 Okt. '14).

Soortgelijke bewuste rechtvaardigheidsverzaking horen wij uit

Frankrijk, wanneer b.v. de oud-communard ALBERT GOULLÉ schrijft in zijn

_Le Salut Social_: „Als de jonge mannen van mijn land aan het vechten

zijn tegen de jonge mannen van een ander land, dan kan en wil ik niet

onpartijdig zijn. De onzen zijn helden. Zij die de onzen willen doden

zijn bandieten.—Ik schaam me er in het geheel niet over, dat ik te

hunnen aanzien vol haat en onrechtvaardigheid ben.”

En welk een vergroving en verruwing in het algemeen, ook en juist van

hen, die we gewend waren, als de grootsten en de besten van hun volk

te beschouwen, welk een ziekelike zelfverheerliking, en welk een lomp

smaden en schelden zonder billikheid en zonder matiging—eenzijdig,

klein en bekrompen. Belangwekkend en kenschetsend in deze zijn ook

de lagere regionen—zo bereiken de spotbladen bijvoorbeeld tans

een mate van ordinairheid, die zelfs in het eigen land weerzin en

verontwaardiging wekt—maar corruptio optimi pessima, het bederf van

de besten is het ergst. Onder de geestelike keurbenden woedt een

patriottiese verdwazing, die in haar al te kompromitterende uitingen

(ten onzent denke men aan het geval LASSON) door eigen landgenoten

als „intellektuele oorlogs-neurose” en als on-nationaal wordt

gedesavoueerd, maar in niet minder beklagenswaardige vertolkingen de

volksstemming maar al te zeer in 't gevlei komt. Wie had ooit van een

zo universeel wetenschappelik denker als WUNDT een pamflet verwacht

als zijn rede „_Über den wahrhaften Krieg_”? Alleen de eigen groep

(nu dus stellig ook Turkije) voert een waarachtige, een „_heilige_

oorlog”—de vijanden „den unwahren, den trügerischen und lügenhaften

Krieg”, hun oorlog is „ein ehrloser räuberischer Überfall, dessen

Mittel Mord, Piraterie und Flibustiertum sind, nicht der offene,

ehrliche Kampf mit den Waffen”. Vraagt men bij het vernemen, dat

de „wahrhafte Krieg” „nur die Abwehr fremder Vergewaltigung zum

Zweck hat” schuchter: dus België? dan luidt het antwoord: „Was

kümmern uns demgegenüber [sc. Engeland] die Belgier, die in ihrer

waghalsigen Verblendung diesen Krieg geführt haben, um vor aller

Welt endgültig ihre Existenzunfähigkeit als Staat zu beweisen?” Een

WUNDT, de psycholoog, die geen onderzoek behoeft om de berichten „über

angebliche Gewalttaten, die unseren wackeren Kriegern aufgebürdet

werden” voor leugens te verklaren en van de vijanden elke laagheid

te geloven: „Schweigen wir von den Greueln der Belgier, die zum

Teil weinigstens auf die bestialische Wut Einzelner zurückgeführt

werden mögen, wenn auch Anzeichen genug dafür vorhanden sind, dass

die Mörder im bürgerlichen Rock mit ihrer Regierung und Heerführung

konspirieren”.[60] Een WUNDT, de ethicus, die het Engels volkskarakter

smaadt met een beroep op het utilisme van BENTHAM, hier geduid als

de leer, wier grondstellingen luiden: „Jeder tue, was ihm selbst

nützlich ist” en „Das Gut, das mehr Geld kostet, ist das höhere Gut”!

Van deze laatste moraalregel verklaart WUNDT: „Diesen Grundsatz teilen

zwar keineswegs alle[!] utilitarischen Philosophen Englands, aber der

Dutzendengländer lebt nach diesem Rezept, und offenbar teilt ihn auch

die englische Regierung” etc. Zo staan tegenover het Engels geldzuchtig

utilisme „wij Duitsers” met ons heilig „idealisme”... Een WUNDT, die

als doel van de door Duitsland te dikteren vrede na „die Millionen

und Milliarden, die wir uns für die Not und das Elend dieser Wochen

als Kriegsentschädigung zahlen lassen” allereerst stelt: het kleine

Engeland te ontlasten van zijn „te veel” aan kolonies![61] Verder komen

de Balten en de Russiese Polen onder Duitsland en Oostenrijk, Finland

mag als zelfstandige staat Duitsland voor zijn bevrijding dank weten,

een „mitteleuropäische Föderation” zal met de Verenigde Staten de vrede

handhaven en zorgen, dat het Duitse volk „die führende Stellung gewinne

und bewahre, die ihm gebührt”, „der Revanchegedanke muss den Franzosen

für immer unmöglich gemacht werden”, terwijl België wordt overgeslagen

en blijkbaar is ingelijfd.

[60] Omtrent de dum-dum-kogels: „England und Frankreich benutzen diese

Geschosse”... enz. enz.

[61] Ik spot niet. „Von England freilich wird es wohl heissen: wem

viel gegeben ist, von dem kann man viel fordern. England trägt

ausserdem für einen kleinen Inselstaat allzu schwer an seinem

kolonialen Besitz. Es wird uns reichlich zahlen müssen von dem,

was es zu viel hat, wenn aus diesem Krieg eine gerechte Verteilung

der kolonialen Kulturarbeit der Nationen hervorgehen soll”.

Ziedaar wat de oorlog van een WUNDT heeft gemaakt, het was mij niet

mogelik, het u zonder zijn eigen woorden te doen beseffen. Er mag een

weinig overwinningsroes der eerste weken bij in 't spel zijn[62]—het

zijn nu eenmaal sterke benen, die de weelde van een zegepraal kunnen

dragen en hoeveel kwaad bloed heeft niet reeds overwinnaarshoogmoed

gezet sinds '70/'71—in 't algemeen hebben we hier een zuiver

voorbeeld, dat met tientallen zou zijn aan te vullen, van de wijze

waarop oorlog de geesten knauwt. Vertaal WUNDT's oordeel over de oorlog

der vijanden in het Engels—spreek dus van „a war of assassination,

pillage and destruction”—en ge hebt het algemeen Engels oordeel

over... Duitslands oorlog—letterlik aldus geformuleerd door WILFRID

WARD[63]. De Duitsers voeren „a campaign of systematic cruelty”.

„Chivalry, honour, and humanity seem to have almost disappeared from

the German army”... „the white flag has been constantly violated” enz.

en zo is zijn slotsom: „The spirit fostered by the war has brought out

in the one race an outburst of Christian virtue; in the other cruelty,

excess, and treachery”, waarnaast we weer eens stellen een woord

van de fijne Graecus en oud-grenadier WILAMOWITZ-MOELLENDORFF[64]:

„Ja, der Krieg ist darum etwas Grosses, weil er die Herzen wägt;

er bringt ans Licht, was in jedem Herzen ist”... zo heeft hij in

het Duitse volk onthuld dapperheid, eendracht en trouw tot in de

dood... „Und sehen Sie, was der Krieg enthüllt hat bei den anderen!

[Zie, dat wordt goed, denkt men; die heeft dus oog gehouden voor

hetzelfde verschijnsel buiten de grens]. Was ist herausgekommen aus

der belgischen Seele? [Bravo, men kan het kleine volk, dat men uit

nood moest overrompelen, altans z'n heroïsme nageven] Wie hat sie sich

offenbart als eine Seele der Feigheit und des Meuchelmordes!” enz.

Ieder weet „dass unsere Krieger unfähig sind zu den Gemeinheiten, zu

dem Meuchelmord, zu der Hinterlist, mit der sich die Feinde [hier

zijn het weer Fransen] nicht nur an unseren Soldaten, sondern auch an

unseren Ärzten und Pflegeschwestern vergreifen, und unsere Verwundeten

verstümmeln und abschlachten. Wir wissen, das kann ein deutscher

Soldat einfach nicht übers Herz bringen. Es ist schon schrecklich,

dass er es ahnden muss. Unsere Leute erfüllt es mit Ekel, wenn sie

die Bestien aufhängen müssen. Aber sie müssen es wohl oder übel tun.

Gebe Gott, dass unsere guten Leute draussen duren dieses scheussliche

Handwerk nicht selbst verroht werden und gezwungen niedersteigen auf

den tieferen Standpunkt der Zivilisation, dessen unsere Feinde sich

wohl gar berühmen.” enz. Men leze nu daarnaast weer het in December

gepubliceerde officiële Franse rapport van de 23 September benoemde

commission d'enquête omtrent het gedrag van de vijand in Frankrijk,

een rapport, dat voor een nuchter neutraal lezer niet meer en niet

minder vertrouwen verdient, dan de soortgelijke Duitse rapporten—en

men weet... nauweliks wat feller tegen de oorlogsgeest getuigt, de

mentaliteit die zich in zulke daden of die zich in zulke woorden uit.

Hoezeer het oorlogspatriottisme de geesten bezoedelt en de stemming

vergiftigt—laat ons de persoonlike voorbeelden verder sparen, alleen

nog opmerken, dat de Duitsers niet minder grof beledigd worden, b.v.

door een MAETERLINCK of een BERGSON, dan zij bij monde van een EUCKEN

of een SOMBART hun vijanden bejegenen. De grote namen vallen het meest

op. Maar in alle kringen woedt de „ziekte”.

[62] Maar over „waarheid” en „leugen” treft ons uit alle oorlogslanden

dezelfde verblinding. En nu pas nog, in Januarie, zegt Prof. REIN

uit Jena, dat dit een „Krieg höherer Art” is, waarin Ormoezd, de

heilige geest van licht en waarheid, staat tegenover Ahriman, de

geest der duisternis en des leugens, een oorlog, die dus „die

Entscheidung bringen soll über Wert und Unwert, Sinn und Unsinn,

Kraft und Ohnmacht dieser Welt”.

Precies zo, maar natuurlik in omgekeerde zin, noemen b.v. Engelse

theosofen als ANNIE BESANT dit een oorlog van de „witte” tegen de

„zwarte” krachten, van „Right against Might, Law against Force,

Freedom against Slavery, Brotherhood against Tyranny”.

[63] _The war spirit and Christianity_, Fortnightly Review, XII '14.

[64] _Zwei Reden_: Krieges Anfang, Die geschichtlichen Ursachen des

Krieges.

Normale waardering van 's vijands karakter wordt onmogelik, of

zwijgt, vermoedelik uit patriottisme, misschien ook door censuur. Wat

weet trouwens de gemiddelde Duitser van de gemiddelde Engelsman en

omgekeerd? Weinig meer dan niets. De taal isoleert deze volken nog

op een wijze, die wij polyglotten ons nauweliks kunnen voorstellen.

De onderlinge gezindheid is dus bijna uitsluitend oppervlakkig

persmaaksel. Maar zie, daar verschijnt in het Septembernummer van

Westermann's Monatshefte plots een artikel van Prof. Dr. ERNST SIEPER

(die te München Engelse filologie doceert, en jaren in Engeland heeft

gewoond) over „_Der Kulturwert Englands_”—men verwacht weer van

't uniform-laken een pak—en het blijkt van 't begin tot het eind

loutere, boven alle krijgsrumoer en vijandschappelike verdwazing

verheven hoogschatting van Engelse vrijheid en self-government (boven

dril en Massregelung), religieusheid en soberheid, karakterkracht,

„Kultur”... met getuigenissen als: „de Duitse docent heeft meer kennis,

de Engelse meer beschaving”... en waarin slechts één zinnetje aan

oorlog herinnert: ik schrijf allerminst om de Engelsen komplimentjes

te maken, maar ten dienste van mijn Duitsers, want ik houd het er

voor, dat men zelfs van z'n vijanden kan leren... Reeds voor gewone

tijden was het een weldadig-ruim, anti-chauvinisties artikel—tans

leek het mij groot—en groot het volk waarvan verwacht wordt, dat

het zulk een erkenning van 's vijands deugd verdraagt, als iets dat

van zelf spreekt. In het Oktobernummer verklaart de Redaktie: „Prof.

Ernst Siepers Aufsatz.... war, so gern wir das getan hätten, nicht

mehr zurüchzuhalten, als sich Englands wahres Gesicht durch die

Kriegserklärung vom 4 August vor uns enthüllte”... „nun die Tücke des

Feindes sich offenbart hat, wird das Schwert die Antwort geben und mit

dem Verbrechen des Gegners auch die eignen Irrtümer sühnen.” Zo spreekt

oorlog. En de schrijver zelf, aangevallen als een soort landverrader,

had reeds openlik zijn daad verloochend, zijn gebrek aan takt

betreurd.... het was een oud artikel geweest, dat tans niet had mogen

verschijnen... Sic transit...

En blijft de vergoding van eigen volk, zaak, stemming niet even

klein en onsmakelik als de kleinering van wat des vijands is? In één

adem wordt gewaagd van „die erhabene Weihe dieser heiligen Zeit”...

„wir kämpfen für das Göttliche”... en van „Verrat, Gemeinheit,

Verständnislosigkeit dreier Völker”. Alom is het patriottisme

geworden, „zur Kunst, mitzuheulen... zum Anreiz, grob absichtliche

Geschichtsfälschungen als Religion hinwegzunehmen und in diesem

Götzendienst seine Seele zu verraten” (SÄNGER). Hoor ook dat valse

pathos, dat in de talloze bundels „krijgspoëzie” de volksstemming

vertolkt, of in de krijgsretoriek tot uitbarsting komt. Neen, van een

gewijde, heilige tijd stellen wij ons ander geluid voor.

Maar halt, laat dan het oorlogspathos, laat ook de oorlogsleuzen vals

en voos wezen—oorlog is geen tijd van het woord, maar van de daad, en

erken, dat de daden subliem zijn, dat oorlog helden kweekt, heilige

offervaardigheid en stervensmoed. „Opferfreudige, sterbensbereite

Menschenliebe ist nun einmal keine Existenzbedingung unseres

gesellschaftlichen Lebens, Heroismus ist dagegen, wie alle Kriege bis

auf den letzten in erhöhtem Masse beweisen, die Bedingung des Sieges im

Völkerkampfe” (_Ph. d. Kr._ 205). „Ein Heer, in welchem der Heroismus

so selten wäre wie die todesfreudige Menschenliebe im Volke, ware der

Niederlage gewiss, es könnte kaum zum Kriege kommen.” (ib.)

Ik voel het, nuchtere kritiek doet hier, als zo dikwerf, aan als

heiligschennis. Maar laat ons hier als elders niettemin de moed der

waarheid hebben. En ik weet, gij mannen, die uw jonge levens en

gij ouders en vrouwen, die uw jongens hebt moeten offeren aan de

oorlogsmoloch, gij zult het mij niet euvel duiden, wanneer ik mij er

tegen verzet, dat hij uw offers zelf gebruikt als propaganda voor zijn

zaak.

Laat dan heroïsme één van de voorwaarden zijn van overwinning—ik

begin met de opmerking, dat alle oorlogen tot en met de allerlaatste

in verhoogde mate bewijzen, dat heroïsme zonder de nodige middelen het

aflegt tegen de nodige middelen zonder heroïsme, dat een kanon eer

een held of zelfs tal van helden uit de weg kan ruimen, dan dezen een

kanon. Al waren al die 800 mannen van het fort Loncin stervensvaardige

helden, de paar man, die het mortier bedienden, dat hen met één schot

verpletterd heeft, hadden geen heroïsme daarbij nodig.

En vanwaar dan, moet STEINMETZ zich toch afvragen, bij zo weinig

offervaardige mensenliefde in het volk, al die helden, al die

opoffering in de legers? Doet gevaar, doet nood wonderen? Neen. Nood

leert bidden—wie niet vroom is, nood leert geven wie niet gul is,

nood leert durven aan wie laf is. „Selber den Feigen erzeugt er den

Mut” zegt SCHILLER terecht van de krijg. En STEINMETZ zelf heeft

indertijd eens opgemerkt: „Vele... militairen zouden geen helden zijn,

als zij maar laf dorsten wezen”—waarbij men denkt aan een gezegde

van TH. GAUTIER: „Peu de gens ont le courage d'être lâches devant

témoins”. Zo is oorlogsmoed dan voor een deel de moed der lafheid,

die het niet gebracht heeft tot de lafheid van de moed. En voor de

rest geeft oorlog ook hier geen ander karakter, geen andere neiging,

maar ander motief en ander gedrag. Wie geen held is vóór de oorlog

wordt geen held door de oorlog—en wie een held was van te voren hoeft

het door oorlog niet te worden. Helden worden niet gekweekt, maar

geboren... en gedood. De enige helden, die oorlog kweekt, zijn de dode

helden van de luguber-panegyriese verlieslijsten, familieberichten en

grafschriften. En de levende helden, die we zo nodig hebben, zijn nog

zeldzamer dan te voren. Het is moeiliker, heroiek te leven, dan heroiek

te sterven. Het vereist soms meer moed, zich te laten uitlachen, dan

zich te laten sneuvelen. Doodsverachting is levensverachting. En

levensverachting kan een zeer hoge—maar ook een zeer lage trap van

zedelikheid bewijzen. Levensverachting kan het natuurlik gevolg zijn

van een verachtelik leven, van een leven, dat het leven niet waard is.

De desperado's met hun „moed der wanhoop”, de verloren levens, zij

die niets meer te verliezen hebben, die niets of niet veel zaaks op

het spel zetten, wanneer zij hun leven op het spel zetten, dat reeds

verspeeld en verspild is, die bij wijze van uitgestelde zelfmoord

uitgaan op supreem avontuur en dienst nemen ergens in den vreemde—dat

zijn de heldhaftigste soldaten, de dappersten der dapperen. Van

het vreemdelingenlegioen zegt de deskundige PIERRE MILLE: „Tout le

monde y est brave, et la lâcheté le seul crime impardonnable”. Hoe

dieper de levensernst en dus de levensvreugde wordt en hoe rijker en

inniger de levensbanden, des te minder wordt er met het leven—ook

van anderen!—gespeeld. Hoe lager het peil van een volk, des te

groter, naar het schijnt, zijn doodsverachting, d.w.z. de verachting

en onverschilligheid voor eigen en anderer leven. Hoe jong is in de

geschiedenis de eerbied voor het leven van het kind, van de vrouw,

van de arbeider. Wanneer wij ons trachten voor te stellen, welk een

erbarmelik waardeloos ding het leven voor de grote massa bij tal van

volken nog is in onze dagen, en daarbij denken aan de rol van het

geloof, dat verlossing belooft en eeuwige hemelse zaligheid, dan

begrijpen we de wellust, de vervoering van die inlandse poepoetans

waarvan ons VAN KOL vertelt, die opperste doodsverachting van de

barbaarse Derwisjen, waarvan STEEVENS („_With Kitchener to Khartoum_”)

verhaalt bij NORMAN ANGELL, die voor hun Mahdi even prachtig sterven

als zij hem schandelik verraden en beroven. En ik herinner aan

het Russiese „nitsjewo”, „het doet er niet toe”, die berustende,

fatalistiese levensonverschilligheid, die zich gedwee de krijg en

de dood in laat drijven, waaromtrent STEINMETZ zelf citeert (126):

„Es ist unnütz, sich dem Willen Gottes zu widersetzen, und auch eine

Sünde... Sind wir nicht auf der Erde zu einer kurzen und schmerzlichen

Prüfung? Selig der, den der Himmel zu sich ruft. Warum lebt man,

arbeitet man, geht in den Krieg, tötet, gehorcht? Wer befiehlt alles?

Wer kann das wissen? Die Vorgesetzten wissen es... So ist der Russe; so

haben sie ihn gemacht”. „Für ihn ist alles verboten. Etwas unternehmen,

verboten! Wünschen, verboten! Denken, verboten! Was hat er dafür zum

Ersatz? Den Himmel”... „Er weiss zu sterben, sonst nichts”.

Zo kan dus levensopoffering alles wezen—van het verhevenste

martelaarschap tot de genotzuchtigste spekulatie en de lafste

levensontvluchting—moedeloosheid en zwakheid evenzeer als moed

en kracht. Doodsverachting is derhalve geen bewijs van zedelike

grootheid en karakter. Allerminst in oorlog, met zijn fataal moeten,

zijn kollektieve zelfvergeten bezinningloosheid en zijn atmosfeer

van levensgevaar, waarvan de druk ten slotte niet meer wordt

gevoeld. Al verdienen ongetwijfeld tal van vrijwilligers onze volle

bewondering—wij moeten ons hoeden voor de romantiese overschatting

van het krijgsheldendom. Een volk van helden sans peur et sans

reproche is evenzeer krijgslegende als een volk van huichelaars of

van onmensen.[65] Gelukkig worden ons van alle strijdende legers

tans ongeveer dezelfde deugden en ondeugden gemeld—hoe minder reden

voor verhovaardiging en verwijt, des te meer kans op verzoening sans

rancune. Oorlog en romantiek zijn van ouds verwante leugenmachten

geweest. Wee de dubbele leugen der oorlogsromantiek! Want oorlog is

waarlik een te ernstige zaak om ons te laten verblinden en verzoenen

door de schone, de demonies schone schijn.

[65] Hoe er met het „heldendom” gesold wordt in oorlogstijd blijkt het

best, wanneer b.v. een officier schrijft over de „heldendood”

van de... paarden, of de hofdichter JOSEPH VON LAUFF zelfs een

krijgspoëem aldus besluit:

„Wird gewiss die fleissge Berta

Unsre grösste Heldin sein!”

En laten wij het rustig dragen, wanneer men ons matig ontzag voor

het oorlogs-heroïsme en zelfs ons tegenstanderschap van oorlog in

het algemeen duidt, gelijk men pleegt te doen, als gebrek aan eigen

moed. Zo schrijft STEINMETZ van de reeks denkers, die oorlog hebben

veroordeeld, dat zij dat mogelik deden „aus eigenem Mangel an den von

uns angeführten Kriegsqualitäten” (sc. een zekere graad van egoïsme

en van meedogenloosheid benevens „Mut und Wagelust”), „was öfter als

man meint der Fall sein wird”. Een ander vurig oorlogsvriend noemt de

tegenstanders „alte Weiber in Männerhosen, die den Krieg fürchten und

_darum_ jammern, er sei grausig oder hässlich”[66] of „Stubenhocker,

die uns den Krieg verleiden wollen”, of „Friedensseuchler”, „weibische

Pazifizisten”... We willen hierop alleen antwoorden, dat de vrouw de

kunst, heldhaftig te leven, waarschijnlik beter verstaat dan de man,

dat harer is dat minder opzichtig, minder roemrucht, maar zuiverder en

verhevener heroïsme van het dageliks leven, het heldendom van de stille

glimlach, die andere moed, die ook in oorlog van haar wordt gevergd

en verwacht, „l'autre courage, dont le génie n'est qu'une longue

patience”, naar SARCEY's fijne variant. En voorts, dat „Stubenhocker”

soms meer moed behoeven en betonen dan ooit het „veld van eer”

vereist—dat mogelikerwijze bijvoorbeeld LUTHER zijn stellingen of

GIORDANO BRUNO, „de martelaar der nieuwe wereldbeschouwing”, zijn

denkbeelden achter de warme kachel heeft uitgebroed.

Oorlogsfilosofie · 第 7 / 8 段