[66] Deze schrijver zegt: „Nein, der Krieg ist schön”—en behoort

tot die ophitsers, die naar deze oorlog gesnakt hebben. In

de „Jung-deutschland Post”, Wochenschrift für Deutschlands

Jugend, schreef hij in het artikel van 25 Jan. 1913, waaraan

het tekstcitaat is ontleend: Heidendom en Christendom leren,

dat de zielen der doden geen rust hebben „bis ein Kampf mit

Sieg und Triumph unserer Waffen geendet hat.” ....„Darum ist

der Krieg die hehrste und heiligste Aeusserung menschlichen

Handelns”... „Auch uns wird einmal die frohe, grosse Stunde eines

Kampfes schlagen. In Tagen zweifelnder, vorläufig nur heimlich

frohlockender Erwartung” klinkt dan de Ruf zur Schlacht en het

volk zingt ‚Es braust ein Ruf wie Donnerhall’... „Ein echter

Schlachtenchoral ist das Lied und doch klingt jauchzend des

Deutschen Freude an Krieg und Heldensterben hinein”... „Ja, das

wird eine frohe, eine grosse Stunde, die wir uns heimlich wünschen

dürfen. Der laute Wunsch nach Krieg wird oft zu eitlem Prahlen und

lächerlichem Säbelrasseln. Aber still und tief im deutschen Herzen

muss die Freude am Krieg und ein Sehnen nach ihm leben”.... het

is heerliker „auf der Heldentafel in der Kirche ewig fortzuleben,

als namenlos den Strohtod im Bett zu sterben.” Volgt geestdriftig

relaas van een soldatenlied, hoe de oude Fritz „im Wolkensaai

droben” de gevallen helden met „Präsentiermarsch” ontvangt....

„Das sei Jungdeutschlands Himmelreich. So sehne es sich, an

unseres Herrgotts Tür zu klopfen.” (Aangehaald uit: _Der deutsche

Chauvinismus_ van Prof. Dr. O. NIPPOLD, Veröffentlichungen des

Verbandes für Internationale Verständigung, Heft 9).

* * * * *

We moeten het er zelfs op wagen, te ontkennen, dat een grote oorlog

vanzelf betekent een „grote” tijd. Zeker, titanies zijn de krachten,

tans ontketend, tot verdelging, maar ook tot redding en behoud. Wat

titanies is, groot van afmetingen, wekt bewondering, imponeert. Groot

en groots, hoog en verheven hangen ook psychologies ten nauwste

samen. Maar hoeden wij ons wederom voor de schijnverhevenheid van

wat alleen door zijn afmetingen groot is en geweldig. Waarlik groot

en groots is een tijd van geestelik nieuw leven, nieuwe bezinning,

nieuwe verrijzenis, nieuwe schepping, nieuwe bevrijding—groot was de

Renaissance, de Hervorming, de Revolutie—maar niet een geesteloze tijd

van nieuwe verbittering, nieuwe verdwazing, nieuwe gebondenheid, die

geen hoger en ruimer idealen meer kent dan die van een verwoed geprangd

patriottisme. Zulk een tijd „heilig” te noemen is van een soortgelijke

frivoliteit als de hedendaagse fabricering van „heilige oorlog”. Neen,

groot is deze oorlogstijd nog lang niet, trots zijn grote momenten,

die we dankbaar erkennen[67]. Zeker, het is een tijd van katastrofe,

van ommekeer. Er kàn uit deze woeling en dit wee, uit deze baaierd

groots en blijvends te voorschijn komen... maar helaas, zowel ten kwade

als ten goede! Dat vergeet ons onverbeterlik illusionair, misschien

beminnelik maar stellig gevaarlik optimisme maar al te gaarne—en het

verkondigt al vast het hymnies geloof, „dat deze ontzettendste van alle

oorlogen een nieuwe aarde ons zal brengen, vernieuwing en verjonging

op elk gebied... uit georganiseerde krankzinnigheid, georganiseerde

gezondheid...”. Het kan zijn. Maar het kan ook zijn, dat tientallen

van jaren de volken op zichzelf en in hun onderling verkeer niet

weer kunnen brengen op het peil van vóór deze oorlog. Het kan

ook zijn, dat haat en wrok en wraakzucht blijven, wanneer de

noodsolidariteit al lang weer spoorloos is verdwenen. Het kan ook zijn,

dat deze oorlog voldoende verwikkelingen brengt (met het verre Oosten

bijvoorbeeld) voor tal van nieuwe oorlogen... Het kan ook zijn, al

klinkt het nog zo hard, dat al het bloed vergeefs is vergoten, dat voor

al wat onherroepelik verloren ging geen andere vergoeding ons wacht,

dan het trieste voordeel, dat deze oorlog ons altans verlost heeft—van

deze oorlog. Het kan zijn, zeer zeker, dat deze oorlog nu eens een

waarlik grote volksbeweging ontketent tegen die minderheidsmachten,

die de vreedzaam verkerende, stoffelik en geestelik wedijverende

volken in oorlog en vijandschap hebben gedreven: een aan vrede ziekend

militarisme, een feodale geheime onverantwoordelike diplomatie, een

„blint, van staetzucht aengevoert” chauvinisme, een veile stookpers en

last not least een deels dynastiek-militair, deels groot-kapitalisties

imperialisme. Maar het kan ook zijn, dat de volken de sukkels blijven,

van wie STEINMETZ profeteren kan: „nur ein bischen politische

Aufregung, die so leicht gemacht wird, und die Kriegsstimmung ist da!”

(337). De sukkels, die hun wereld door oorlog niet alleen met hun

bloed, maar telkens ook weer rijkelik met nieuwe oorlogskiemen laten

bezaaien voor kind en nageslacht. Nog altijd was oorlog het koren op de

molen van het militarisme; vulgair betekent nederlaag vóór alles: beter

bewapening, revanche—zegepraal: legerverheerliking. Zal het ditmaal

anders gaan? Zal men tans uit oorlogsroes en vijandschapswaanzin

ontwaken met een stille beschaming zonder overwinnaarsverwatenheid

en overwonnelingenwrok, tot een vrede, die geen wapenstilstand, maar

vergiffenis en verbroedering betekent? Zal er tans een machtig verzet

rijzen tegen oorlog als instelling, die met recht en geweten vloekt,

die hand en ziel bezoedelt met onschuldig broederbloed—tegen de

parasiet, die de volkskracht erger uitmergelt, jaar in jaar uit, dan

dat andere slechts voor de belanghebbenden „versterkende middel”, de

alkohol, en die van de resterende krachten dan nog het beste deel

verslindt in „krachtmetingen”, door onuitroeibaar redeloos „toeval”

bedorven? Zullen de volken, zal het volk eindelik waarborgen eisen en

nemen tegen overrompeling met „door niemand gewilde” krijg? Zullen zij

eindelik inzien, dat niet hun vijandschap of belangenstrijd oorlog

verwekt, maar juist omgekeerd oorlog alleen, oorlogsvoorbereiding en

oorlogskliek, hun belangen en hun gemoederen scheidt en hun geesten

verblindt voor hun wezenlike, bij stijgende kultuur steeds klaarder

besefte stoffelike en geestelike solidariteit? Ja, dàn zou dit waarlik

een grote tijd kunnen worden! _Maar zulk een grote tijd eist een groot

geslacht_—eist edelmoedigheid en wijsheid. En is niet oorlog de vijand

van deze deugden? Laat ons dus onze verwachtingen niet te hoog spannen.

Deze oorlog zal stellig niet de laatste zijn. Maar even stellig

zal oorlog wijken voor rechtsgemeenschap. Dat waarborgt ons heel de

ontwikkelingsgeschiedenis van enkeling en mensheid, die leidt „van

versnippering en strijd tot organisatie en eenheid”. Internationale

eenheid en organisatie is op komst in het ekonomies leven der

mensheid—internationale eenheid en gemeenschap straalt over de wereld

uit het rijk van de wetenschap (al verleidt oorlog zelfs hier tot

enkele persoonlike kleingeestigheden), van de kunst (al stempelt oorlog

waardering van een VAN GOGH, CÉZANNE, HOKUSAI tot „vaterlandsvergessene

Schwächlichkeiten”), van de wijsbegeerte, van zedelikheid en recht:

internationaal en één is de Objektieve Geest. Die zal de oorlog doden.

En het zal geen vloek zijn, maar een zegen.

„Dan zal hij scheidsrechter zijn tussen talrijke volken,

en sterke natiën hoe ver zij ook wonen terechtwijzen

en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden

en hun speren tot sikkelen,

niet meer zal volk tegen volk het zwaard opheffen

en zij zullen de krijg niet meer leren—

maar ieder zal zitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom

en niemand meer zal hen verschrikken”.

MICHA IV: 3, 4.

[67] Groot is bijvoorbeeld het antwoord van de Belgiese regering

en het Belgiese volk op het ultimatum van de Duitse regering. Want

„_De_ [Duitse] _Waarheid over den Oorlog_” heeft gelijk (bl. 67):

„De Belgen zouden wijs gehandeld hebben, als zij vrijwillig den

doortocht van de Duitsche troepen hadden toegestaan. Zij hadden

daarmede de ongereptheid[?] van hun gebied verzekerd, en met de

goed en contant betalende Duitsche troepen geen slechte zaken

gedaan.” Heil de Belgen, die de dwaasheid van de plicht, al kost

die het land en het leven, hebben verkoren boven de wijsheid van

de goede zaken.

INHOUD.

Blz.

I. INLEIDING. TEGEN STEINMETZ' METHODE 5

II. DE OORLOGSRECHTVAARDIGING.

1. De Oorlogsnadelen. Gestoorde illusies 13

2. Oorlogs onmisbare kultuurfunktie 18

III. DE KEPER.

1. „Staties” Recht en „dynamiese” Oorlog 22

2. De kollektieve selektie 25

A. Gunstige individuele selektie. Groepenstrijd en

selektieverbetering zonder oorlog 26

B. Wat oorlogs kollektieve selektie verhindert en bederft 32

a. Geen groepsuitroeiing meer 32

b. Contraselektieve faktoren? 33

c. De non-selektieve faktoren: het oorlogstoeval 36

d. Besluit: Oorlog als wereldgericht. Des Pudels Kern 44

3. Oorlog als hervormer en opvoeder 47

4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen? 49

5. Oorlog als Genotmiddel 58

6. Staat en volk, isolement en liefde zonder oorlog 59

IV. OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD? 70

Bij den Uitgever dezes is vroeger verschenen:

KENNISLEER

CONTRA

MATERIE-REALISME

BIJDRAGE TOT „KRITIEK” EN KANT-BEGRIP

DOOR

LEO POLAK, JUR. DOCTS.

XVI+434 blzn., prijs [f]#3.90# ing., [f]#4.50# geb.

„De eerste pennevrucht van den heer Leo Polak is niet een boek, dat

gelezen, goed- of afgekeurd en daarna weder vergeten zal worden. Want

het is een boek van een denker”............ „In dien dubbelen zin zijn

er maar weinige denkers”........ „door zijn enorme belezenheid, zijn

goed begrip en zijn buitengewoon critisch talent was hij instaat een

boek te leveren van groote zelfstandige waarde”.

(Uit het art. van Prof. Dr. Jhr. VAN DER WYCK in

_Onze Eeuw_, October 1913, over „Het Boek van Leo Polak”.)

BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ

V/H ROELOFFZEN-HÜBNER & VAN SANTEN,

AMSTERDAM.

+--------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: wordt niet voordurend deze verhouding |

| C: wordt niet voortdurend deze verhouding |

| B: geen oorlogslachtoffers, hoe talrijk ook, |

| C: geen oorlogsslachtoffers, hoe talrijk ook, |

| B: verfoeit,die hem zedelik |

| C: verfoeit, die hem zedelik |

| B: zelfopvoeding der mensheid_”[15] En wij |

| C: zelfopvoeding der mensheid_”.[15] En wij |

| B: aanhang invloed, macht en eer |

| C: aanhang, invloed, macht en eer |

| B: oordeel over Rusland, _Ph. d Kr_ |

| C: oordeel over Rusland, _Ph. d. Kr._ |

| B: levenshouding en levenstijl—al die fijner |

| C: levenshouding en levensstijl—al die fijner |

| B: geestestrijd strijden—dat alles komt |

| C: geestesstrijd strijden—dat alles komt |

| B: of „veelzijdig” „intellektueeel” bedrog, |

| C: of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, |

| B: Wederom—wie te bewijst niets, |

| C: Wederom—wie te veel bewijst, bewijst niets, of |

| B: en geestestromingen, hygiene, wetenschap |

| C: en geestesstromingen, hygiene, wetenschap |

| B: die geen „krachtig” geen „lebenswertes, |

| C: die geen „krachtig”, geen „lebenswertes, |

| B: „Van deze laatste moraalregel verklaart |

| C: Van deze laatste moraalregel verklaart |

| B: zijn, daat haat en wrok en wraakzucht |

| C: zijn, dat haat en wrok en wraakzucht |

| |

+--------------------------------------------------------+

Oorlogsfilosofie · 第 8 / 8 段