Wanneer dit alles zich kon handhaven zonder oorlogsmogelikheid, of

zelfs zonder staatsafscheiding, zou dan de Nederlandse, Franse,

Duitse, Noorse taal, kunst, geest, kultuur zonder oorlogsgevaar

vervloeien, bij behoud van dezelfde isolerende en bindende faktoren,

bovendien nog gesteund door de wetgevende, politieke, rechtsbedélende,

staathuishoudkundige, bestuurlike staatsafbakening? Hier als ginds

is wedstrijd en tegenstelling, botsing of zelfs verongelijking

nodig om de gevoelens fel te doen oplaaien—hier noch ginds zijn

voor die strijd de schennende „wapenen der barbaren” vereist. Ja,

zou men zonder oorlog niet eer voor te veel dan voor te weinig

nationaliteitendom en taalparticularisme moeten vrezen? Zeker,

indien daar niet de grote, horizonverruimende, steeds wassende

transnationale verbindings- en scheidingsmachten waren: belangen

en tegenstellingen, die over alle volks- en staatsgrenzen heen

vliegen: ondernemerdom en arbeidersorganisatie (kapitalisme en

socialisme), verkeer, krediet, al die internationale verenigingen

en geestesstromingen, hygiene, wetenschap, om slechts een paar

grepen te doen.—Maar de staat, die niet een taal- of volks-eenheid

is, zal hij liefde kunnen wekken zonder oorlog, de Russiese staat,

Oostenrijk-Hongarije, Zwitserland? Het is mogelik, dat een „individu”

als de Russiese staat zich niet zonder wapengeweld, zonder oorlog zou

kunnen handhaven. Maar dat pleit dunkt mij minder vóór oorlog dan tegen

de Russiese staat. Een staat, die alleen door oorlog en vijandschap,

door „nood en gevaar” de toewijding en liefde van zijn burgers zou

kunnen winnen, zou liefde noch toewijding, laat staan levensopoffering,

waard zijn. Moet de Russiese intellektueel, die zijn volk liefheeft,

de Russiese staat beminnen, omdat de Russiese bureaukratie, de

regering, de tsjinownik een oorlog onderneemt tegen Japan of elders?

Voor wie is de tijdelike eenheid, die niet dieper wortelt dan in

een negatieve haat- en gevaarsolidariteit, de oorlogsoffers waard?

Geen beter toets-steen dan de vrede. Schijn- en dwang-eenheid, tegen

vrede niet bestand, verdwijne. Zonder vrijheid geen liefde, ook geen

vaderlandsliefde, die naam waardig. Zelfs het oorlogspatriottisme,

zover het meer is dan maakwerk en roes, dan massa-psychose, dan blinde

kollektieve opwinding van overprikkelde vijandig verhitte gemoederen,

zover het elementen van geestdrift, van gemeenschapszin, van liefde

inhoudt, geldt niet het abstractum „staat”, maar de konkrete „Heimat”,

„huis en hof”, recht, macht, eer van eigen doorleefde kultuur en

daardoor op z'n hoogst handhaving of herstel van geschonden recht als

zodanig. De oorlogsfilosofie, die slechts oog heeft voor staten als

militaire eenheden, kent als vaderlandsliefde slechts liefde jegens de

„staat”, met miskenning van heel het onderscheid ten deze tussen staat

en volk. Zo wordt dan de staat verpersoonlikt tot een „individu”,

met eigen wil en karakter, die geen „krachtig”, geen „lebenswertes,

intensives” leven kan leiden, zonder „gevaar en nood”, zonder

„aggressiviteit”, zonder te willen „worstelen” met andere „individuen”,

dat wil hier dus zeggen, zonder oorlogs- en roofzucht, het enige, wat

hem de „hete liefde” der zijnen kan doen winnen, nodig om dezen uit

hun suf, eng egoïsme op te stuwen tot ruim en vurig kollektief leven

(196–200). Wie voor de staat zulk soort „leven”, zulk soort „liefde”

vindiceert, moet zich wel beklagen, dat er „zu allen Zeiten nur wenige”

waren, „von der echten Liebe zum Staate ergriffen” en in staat

„wahrhaft staatlich zu denken”.

Levens- en liefdesvoorwaarden zijn nu eenmaal voor een staat niet

alleen anders dan voor een enkeling[52], maar ook anders dan voor een

volk. Wat volksliefde, hoofdelement van vaderlandsliefde, werkelik

en mogelik maakt zonder oorlog, hebben we reeds gezien. Hoe de staat

zich verknochtheid kan en moet verwerven zonder oorlog, door wijsheid

en rechtvaardigheid in staatsbestel en staatsbestuur, door opheffing

aller bevoorrechting, STEINMETZ zelf wijdt daaraan welsprekende

ontboezemingen.[53] Onderscheiden we dus liefde voor volk en

staat—ongetwijfeld kan niet slechts het een ten koste van het ander,

maar kunnen ook beide door oorlog intenser worden. Intenser, maar niet

zuiverder. En als ideaal beschouwen wij niet „die höchste Steigerung

des menschlichen Lebens” (199) door de felste, de sterkste, de

heftigste, maar door de zuiverste, de edelste en hoogste gevoelens.

[52] „Elemente und Gesammtheiten sind aber nicht dasselbe: es ist ein

grosser Irrthum, die selben Lebensbedingungen bei den Staaten

als bei den Individuen vorauszusetzen und ihnen vorzuschreiben”

(_Krieg_ p. 25).

Met analogie bewijst men alles en niets. Vervang boven „staat”

door „kerk” en ge geeft aan een „aggressieve” ecclesia militans,

die zich wil en moet handhaven en uitbreiden, recht en plicht tot

wapengeweld, brandstapel en godsdienstoorlog. Zonder deze geen

„intensief” kerkelik leven, geen echte kerkliefde.

Hier zij nog opgemerkt, dat reeds de R. K. kerk STEINMETZ'

definitie van „staat” te schande maakt: „Der Staat ist die

weiteste reelle und lebendige Organisation der Menschen, die

existiert.”

[53] „O wenn er einmal wirklich wollte, wenn er einmal mit dem alten

Schlendrian bräche! wenn er z. B. bei seinen eigenen zahllosen

Anstellungen einmal nur auf die Befähigung acht gäbe, und diese

nicht konventionell beurteilte!.... Denken wir uns einmal eine

Regierung wie einen klugen, edlen Weisen! Das ganze sittliche

Milieu, das von viel grösserer Bedeutung ist als das physische,

würde anders werden. Stolze, vornehme Naturen würden dort erzogen

werden, selbständig im Urteilen, noch im Fühlen, stark im Wollen;

wie solche den fremden Völkern schwere Konkurrenz machen würden!”

enz. (201). Let op, hoe het slot plots detoneert! Man merkt die

Absicht... Vgk. ook over „die Abneigung gegen den Staat” bl. 208:

„Die ungeheueren Rückständigkeiten in manchen Verfassungen, die

vielen Reste absolut unberechtigten, veralteten Ständewesens geben

diesem Hasse einen sehr festen Grund.” Hoe goed wordt hier staat

en volk onderscheiden!

Tegenover het eng persoonlik egoïsme laat STEINMETZ slechts de keus:

òf de echte levende werkelikheid van „_vaderlandsliefde_”, dus staat

en oorlog, òf de dode schijn van „_mensheidsliefde_”, meest niets meer

dan een „onbeschaamde frase”. Doch we behoeven en begeren tegen het

egoïsme noch een onwezenlik, bloedeloos humanisme noch een bloedig en

bloeddorstig nationalisme. We hebben beters. Het is waar, de „mensheid”

laat de meesten van ons nog tamelik koud; voor het wel en wee van

wildvreemden (ook al zijn het kultuur-, volks- of zelfs stadgenoten)

zijn we gematigd onverschillig, lezen we van verongelijking of

mishandeling, dan zijn we nog het eerst vatbaar voor een niet

onverdeeld onaangenaam gevoel van verontwaardiging en meewarigheid,

al blijft dit meest slapper, dan bij de waargenomen marteling van

een dier. Maar anderzijds is „vaderlandsliefde” een vlag, die lading

dekt van zeer verschillend allooi. Hoe velerlei patriottismen zijn

er niet, beminnelik en onschuldig of groots en diep of hatelik en

gevaarlik—schoolpatriottisme, societeits-, ambtenaars, officiers-,

politiek (soms feodaal, soms revolutionair), commercieel-industrieel,

dynastiek-imperialisties, kunstzinnig kultureel, grens- en

ballingschaps-patriottisme. Meest is het een mengsel van allerlei

gevoelens, hoog en laag. Van biezondere belangzucht afgezien, bovenal

een soort dankbaarheid, inzonderheid voor zoete jeugdherinnering, die

het diepst ontroert. Wie zijn jeugd moet vloeken zegent niet licht

zijn vaderland. Maar alle patriottisme zal, trots zijn principiële

begrensdheid, zo men wil bekrompenheid, te zuiverder en edeler zijn,

naarmate het minder negatief, dus minder onverdraagzaam, laatdunkend,

ijdel en heerszuchtig is—bijgevolg in de dubbele zin van de woorden

minder „offensief”, minder „terugstotend” optreedt—en meer positieve

elementen van liefde, gemeenschapszin, geestdrift voor geestelike

waarden bevat. STEINMETZ zelf prijst vaderlandsliefde als „die hohe,

selbstverständlich echte, tiefernste Begeisterung für ein grosses

Ganze”. De „hoogheid” echter van die geestdrift hangt niet af van

de kwantitatieve grootte van het geheel, waarvan men toevallig deel

uitmaakt, maar van de kwalitatieve grootheid van haar grond, doel

en ideaal. Zo is gemeenschap van hoge overtuigingen en idealen,

zuivere _geestverwantschap_ het beste, wat ooit vaderlandsliefde

inhoudt. Maar zulke geestverwantschap gaat bovendien alle nationale

beperktheid te boven, gaat hoog uit boven alle nationalisme zowel als

boven alle kleurloos humanisme. Het is de menselikste, menswaardigste

verwinning van het egoïsme—de innigste, diepste verknochtheid, die

alle vriendschap en alle liefde, zelfs tussen man en vrouw, eerst

adelt, die meer is, vrijer, bezonnener, redeliker, dan bloed- en

stam- en ras- en taal-verwantschap, en over alle eeuwen en alle

landen en alle scheidsmuren heenreikt, die met haar geestesstrijd de

heiligste geestdrift en doodsverachting doet ontbranden en met haar

geestesvrijheid neerziet op geweld en oorlog als op een ver verleden

van dierlike redeloosheid. O, STEINMETZ zelf kent en erkent ze wel,

„den hohen Enthusiasmus im Menschen”, „die echte, starke Begeisterung

für wirkliche Ideale”, wanneer hij het tegenover KIDD vanzelfsprekend

noemt, dat niet alleen de religie hoge, „opferfreudige” geestdrift

wekt, en uitroept: „Hat denn nicht jede Überzeugung, jede grosse

Liebe ihre Märtyrer gefunden? Besitzen die Besten unserer heutigen

Sozialdemokraten und Anarchisten keine tatkräftige Liebe für ihr Ideal?

Beruht die russische Reformationsbewegung, soweit sie ihren Ursprung

in bewussten absichtlichen Anstrengungen hat, nicht hauptsächlich auf

dem herrlichen, rein idealen Streben des besten Teils der russischen

Gebildeten?”

Ziedaar dan wat groepen bindt en scheidt, de liefde, de geestdrift

die geen bloed begeert, geen geweld behoeft, geen dwang zelfs

duldt. Zuivere geestverwantschap, die machtige, statenkruisende

internationale gemeenschappen vormt, is een nog betrekkelik jong, een

modern verschijnsel, met een grote, grootse toekomst, symptoom van

de vooruitgang der mensheid: Dwang, instinkt, erfelikheid, sleur,

traditie, ééns overmachtig en onontbeerlik voor de kudden, wijken

alom voor vrijheid, inzicht, rede, persoonlike verantwoordelikheid

en keuze. Zo bij het huwelik, waar tans ook voor de vrouw reeds met

haar ekonomiese en maatschappelike bevrijding het persoonlikheidsrecht

begint te gloren.[54] Zo bij geloof en wereldbeschouwing. Bij stand

en beroep. Bij omgang en verkeer. Bij alle groepvorming, van gezin tot

wereldbond. Erfvijandschap behoort in dubbele zin tot de historie.

De machten van het verleden, geschiedenis, voorvaderen, mos worden

verdrongen door de krachten van heden en toekomst: eigen begrip en wil,

zelfverworven overtuiging en ideaal. De romanticus mag het betreuren

en MAETERLINCK ons terecht vermanen, dat oud en blind instinkt soms

wijzer is en meer ziet dan de jonge ziende rede, heel het verleden komt

ons voor als een duistere drang naar onze nieuwe bewustwording en we

beklagen ons niet, dat wij niet eer, wel dat we te vroeg zijn geboren

voor de festijnen van de geest, die komende geslachten zullen vieren in

de tuin der mensheid.

[54] „Den Verein wählt man nach seinem Geschmack, in den Staat wird

man hineingeboren, man muss sich mit ihm abfinden, wie es

eben geht. Wie unendlich erhöht das den Wert des Staates als

Lebensschule, als Lebensgemeinschaft! Jede andere Gemeinschaft

ist Spielerei neben ihm, er ist der Ernst des lebens, den man

nicht wählt, sondern würdig und tapfer trägt. Er ist die Ehe,

alle freien Vereine sind Konkubinate.” Dit is niet door een

Chinees geschreven ter handhaving van de gedwongen echt en tegen

de vrije huwelikskeuze. Evenmin door een Russies pope, die van

„staat” sprak, maar kerk bedoelde, noch zelfs door een middeleeuws

voorstander van landshorigheid of verbieder van Freizügigkeit!

Maar door STEINMETZ ter verdediging van een „staatsliefde”, die

dwang, traditie en—oorlog behoeft (_Ph. d. Kr._ 197).

Geestverwantschap is tot oordeel des onderscheids gekomen gemeenschap.

Wij zijn ontgroeid aan de oude distinktieloze kollektieve haat

en liefde, gelijk wij ontgroeid zijn aan de oude distinktieloze

kollektieve schuld en aansprakelikheid[55]. Een Chinees bokser kan nog

om wat een Engelsman of Rus of ander Europeaan hem of een der zijnen

misdeed een willekeurig Westerling—Fransman of Duitser, dat doet er

niet toe, als het maar een van de „vreemde duivels” is—haten en doden.

Met de kreet „de Joden hebben Jezus gekruisigd” kan een door staat,

kerk en wodki voldoende verstompt Moezjik nog altijd worden opgehitst

tegen de nakomelingen van het volk van Jezus. Waar ook nog stamwraak en

vendetta mogen heersen—onze rechtspraak en ons zedelik bewustzijn zijn

niet meer in staat, iemand te straffen of te verachten omdat zijn broer

of vader of voorvader zich misdragen of verachting verdiend heeft[56].

Wie onzer is nog grof genoeg om de Fransen, de Duitsers, de Joden, de

Russen, de Rooms-Katholieken te kunnen haten of liefhebben? Wij hebben

geleerd—en het behoort tot het kostelikste wat we geleerd hebben,

tot onze nieuwe humaniteit—de mensen met de nodige onderscheiding

te bejegenen. Maar de oude met waarheid en recht strijdige

kollektieve grofheid en onzuiverheid—het is de ware oorlogsfeer:

zij alleen heeft oorlog oorspronkelik mogelik gemaakt en wat is het

oorlogsnationalisme anders dan de vernederende, beschamende terugval in

deze geestesgesteldheid? Oorlog mist alle distinctie—daarom vloekt hij

met ons kultuurpeil, daarom is hij een leugen voor onze kultuurvolken,

met zijn valse solidariteit zonder geestverwantschap, zonder zedelike

eenheid en zijn valse haat zonder geestelik tegenstanderschap.—In een

roerende brief „An die Freunde in Fremdland”, waarmee de dichter STEFAN

ZWEIG, vertaler van VERHAEREN, afscheid neemt für lange Tage van zijn

kunstvrienden en geestesbroeders in Frankrijk, België en Engeland, het

fijnste, wat ik van Duitse oorlogstemming tot dusver las, schrijft

hij, hoe hij zijn persoonlike liefde en haat, zijn vriendschap en zijn

vrienden tans verloochenen moet: „Meine eigene Sache ist jetzt nicht

mehr, ich kenne keine Freundschaft, ich darf keine kennen, als die

des ganzen Volkes, meine Liebe und mein Hass gehören mir nicht mehr

zu. Und ich bin nur dann ganz wahr, wenn ich euch einzelne verleugne:

der geringste plattdeutsche Bauer, der kaum ein Wort meiner Sprache

versteht und sicherlich kein Wort meines Herzens, steht mir näher in

diesen Stunden als ihr, ihr Lieben, denen ich so oft mich hingab mit

meiner innersten Empfindung, immer von Verständnis umfangen, immer von

Vertrauen umfasst... Ich muss vergessen, was ich von euch empfing, um

besser fühlen zu können was alle anderen deutschen Leute empfinden.

Nicht euch muss ich verleugnen und die Liebe zu euch, sondern mich

selbst, jeden einzelnen Gedanken knicken, der nicht aufschiesst in

der grossen deutschen Saat”. We zullen straks zien, hoe ZWEIG niet

alleen z'n kunstzinnig, maar ook z'n zedelik zelf, z'n gerechtigheid

bewust ten offer brengt. Doch wij moeten ZWEIG's dilemma nog een

weinig zuiveren en verdiepen. De vaderlandse boerenpummel kan nog

zedelik meer waard zijn, dan de uitheemse kunstbroeder. Maar zou

ook de verachtelikste Duitse schurk of vlegel ZWEIG nader staan in

deze dagen dan de nobelste Franse karakterheld? Ik vrees van ja. Zo

weinig kieskeurig, zo onpersoonlik en amoreel—of moet ik zeggen

onzedelik?—is nu eenmaal de oorlogs-, de gevaarsolidariteit en

de nationale oorlogshaat. Een ZWEIG kan zich eigenlik niet zo ver

vergeten. „Ich habe nicht vergessen, was ihr mir ward und zutiefst noch

seid, aber ich bin in diesen Tagen nicht der Gleiche, der mit euch

sass, mein Wesen ist gleichsam umgewandt, und das, was in mir deutsch

ist, überflutet mein ganzes Empfinden”... „Und diesen Hass gegen

euch—obzwar ich ihn nicht empfinde—ich will ihn doch nicht mässigen,

weil er Siege zeugt und heldische Kraft”.—Oorlog bindt en scheidt met

feloplaaiende massa-driften, volkshartstochten, zonder matiging—en

zonder diepte. Oorlog is voor de volken wat storm is op zee—een

oppervlakteverschijnsel. Huizenhoog steigeren golven van geestdrift

en kolken van haat woelen de wateren om tot op de bodem—zo schijnt

het. Maar tien of twintig meter onder het zeeoppervlak dringt geen

storm ooit door—oermachtig en onwrikbaar volgen de diepzeestromen hun

eeuwige baan en voeren het wrakhout en de lijken mee die er resten van

reeds lang vervlogen orkanen.

[55] Daarvoor omvangt ons een nieuwe zedelik-maatschappelike

verantwoordelikheid: wij allen zijn de dragers van onze

tijd—wij allen profiteren van de toestanden en instellingen,

die oorlog (gelijk prostitutie of proletariaat) onvermijdelik

hebben gemaakt—en straks in vrede van de offers, voor die vrede

gebracht... zo heeft ieder onzer zijn deel van de schuld te dragen

en te delgen.

[56] Merkwaardigerwijze reageert STEINMETZ tegen „unsere eng-private

Schuldauffassung”! (_Krieg_, p. 26).

Wat de geesten waarlik scheidt en bindt zijn geestestromingen, die wel

voor een ogenblik vergeten, maar niet verdrongen kunnen worden door

oppervlakkig stormend oorlogsgeweld. Geest smeedt beter dan bloed en

ijzer. En wat wij met millioenen gemeen hebben zonder geestverwantschap

kan nooit veel biezonders zijn, tenzij het tot die algemeen-menselike

biezonderheid behoort, die boven alle grenzen van tijd en ruimte de

eenheid van het mensdom vormt, de geesteswettelikheid van ons denken

met zijn ene, eeuwige waarheid, van ons zedelik oordeel met zijn ene

eeuwige heiligheid en van gevoel en aanschouwing met hun ene eeuwige

schoonheid.

Oorlog sprak bij monde van Keizer WILHELM in de Rijksdag: „Ik ken

geen partijen meer—ik ken slechts Duitsers.” Plots treedt een man

de zaal in en roept: „Ik ken geen Duitsers en geen vijanden—alleen

naasten, die ik liefheb als mijzelf.”—Gesis, gefluit, tumult—„grober

Unfug” wordt geroepen, verstoring van een histories moment! Men

wil de zonderling te lijf, die er uitziet als een jood. „Lafaard!”

„Vaterlandsloser Gesell!”, schreeuwt men hem toe. Daar klinkt weer zijn

stem over alles heen: „Ik ben de grootste, de volmaakte patriot, want

mijn vaderlandsliefde kent geen grenzen.” Men wil hem grijpen, maar hij

is verdwenen. De leden hernemen hun plaats, de wijding en orde keren

terug—en de Keizer vervolgt zijn rede: „Laat dus uw harten slaan voor

God, Keizer en Vaderland, en uw vuisten op de vijand.” Het smakeloos,

ergerlik incident der verschijning van die dwaas is vergeten—en

geschrapt door de censuur.

IV. OORLOGSPATRIOTTISME EN OORLOGSHEROÏSME. EEN GROTE TIJD?

Oorlogsfilosofie · 第 6 / 8 段