Waarom nu mogen enkelingen niet met alle middelen „konkurreren”, niet

met alle wapens strijden? Waarom mag de enkeling zijn mededinger niet

meer mishandelen, bedriegen, beroven, vermoorden? Soms omdat hij deze

bevoegdheid aan de staat heeft overgedragen en deze 't nu voor hem

doet?[46] Neen, in plaats van zich daartoe te lenen, heeft juist de

staat tot taak, tegen al dergelijk strijdbeleid te waken. Is het dan

misschien, omdat die uiterste middelen, als de bloedige worsteling op

leven en dood, niet afdoende, niet beslissend zouden zijn? Of zijn

ze te eenzijdig, te grof, te fysiek? Maar ze kunnen, als oplichting,

bedrog en dergelijke, zeer veelzijdig, fijn en „intellektueel” zijn.

Dan soms, omdat er offers bij vallen? Neen, die vallen ook in de

ekonomiese strijd met oorbare middelen dag in dag uit. Om het „leed”

dus al evenmin.

[46] Men zou het bijna denken, wanneer men bij STEINMETZ leest:

„Das äusserste Mittel darf nicht aus dem Arsenale verschwinden.

Die Einzelpersonen haben den Kampf mit allen Mitteln nur deshalb

an den Staat übertragen, weil der Staat ihnen mit seinen Mitteln

Hilfe leisten kann.... Die Individuen, die ihr äusserstes

Kampfmittel an den Staat abtraten und darauf den Volksgenossen und

den Einzelnen gegenüber ganz Verzicht leisteten, mussten dafür

im äussersten Falle auf den Staat mit seinen vollen Machtmitteln

rechnen können.” (_Ph. d. Kr._ 215). Waar we belanden met zulk

een beroep op de staat, niet als rechtshandhaver, maar juist als

geweldenaar? Wel, zegt STEINMETZ, wie individueel wedijverend met

alle zedelike en geestelike krachten het onderspit moeten delven,

kunnen nog door kollektief geweld winnen. Dus altans intellektueel

contraselektie? Nu ja, dat is een ander hoofdstuk. Maar waarom

zouden de zwakkeren, individueel minderwaardigen, heet het nu,

van hun kollektief wapengeweld afstand doen? Als de individuele

Rus het zonder geweldpleging zou afleggen van de individuele

Jood, dan heeft hij nog zijn Russies staatsgeweld, dat kan en

moet bijspringen, terwijl een Joodse staat ontbreekt. „Da ist es

wohl sehr begreiflich, dass der Jude keine[?!] staatliche Hilfe

verlangt und meist kein Freund der Kriegsgefahr ist [de niet-jood

wel?], und dass umgekehrt der Russe auf die grosse kollektive

Kraft seines Staates nicht gerne verzichtet, auch nicht seinen

individuell stärkeren Gegnern zuliebe.” (216). Waarom zou dus,

zo vervolg _ik_, de staat zijn Russen niet met Jodenontrechting,

pogroms en derg. mogen steunen? „Weshalb sollte doch nur” zo

vervolgt STEINMETZ „diese Kategorie von Kräften unbenutzt bleiben?

Weil sie Opfer fordert? aber tut das die individuelle Konkurrenz

vielleicht nicht? Den Schwächeren in dem letzteren Kampfe darf man

diese Waffe nicht versagen und die Sieger dürfen nicht verlangen,

dass ihre Gegner, die sonst unterliegen würden, ihnen zu Gefallen

diese letzte Wehr wegwerfen” (ibidem).

Wanneer dus weer dit redebeleid _niet_ voor echt-Russiese

pogroms van staatswege pleit—en ik kan mij niet voorstellen,

dat het er naar STEINMETZ' bedoeling voor zou pleiten—waarom

pleit het dan wèl voor oorlog—of liever—pleit het niet even

sterk tégen zulk een oorlogsverdediging als het vóór zulke

pogroms pleit? Wederom—wie te veel bewijst, bewijst niets, of

liever, pleit zich zelf ad absurdum!

Zou het niet zijn, omdat enkelingen onderling rechtens een minimum

en zedelik een maximum van _objektiviteit_ hebben te betrachten,

die eens anders „gelijk recht” erkent,—dus _rechten_ eerbiedigt,

een „rechtsorde” schept en daarmee voor ieder een zekere sfeer van

persoonlike en zakelike _onschendbaarheid_ verlangt en waarborgt, aan

ieder een zekere _integriteit_ van zijn lichamelike, geestelike en

zedelike vrijheid, van eer en leven en gezondheid, van eigendom en

huisvrede verzekert?—

Daarom alleen mogen enkelingen niet met alle middelen konkurreren, is

moord en mishandeling, dwang, afpersing en afdreiging, roof, inbraak,

brandstichting en derg. ook t.a.v. vreemdeling of persoonlike vijand

tot ongeoorloofde _schennis van rechten_ geworden, waartegen de staat

als rechtshandhaver waakt.

Waarom nu mogen staten niet met alle middelen „konkurreren”?

Vooreerst: omdat ook staten onderling rechtens een minimum en

zedelik een maximum van objektiviteit hebben te betrachten, die eens

anders „gelijk recht” erkent—dus verworven _rechten_ eerbiedigt,

een internationale „rechtsorde” schept en daarmee voor iedere staat

een zekere sfeer van _onschendbaarheid_ verlangt en waarborgt,

_integriteit_ van grondgebied, onafhankelikheid, „soevereiniteit”—die

evenzeer inmenging in binnenlandse aangelegenheden (rechtspraak,

wetgeving, administratie) als gewelddadige aanranding van grenzen

of domein of ook van vrijheid, leven of bezit der staatsburgers

verbiedt als zedelik en volkenrechtelik ongeoorloofde _schennis van

rechten_.—Daarom alleen reeds mogen staten niet met alle middelen

„konkurreren”, niet met het georganiseerd geweld, dat „oorlog”

heet, winstbejag zoeken ten koste van anderen, niet dus voor hun

burgers elders staatsinbraak of landsvredebreuk plegen („inval”

„raid”, „bezetting”) of op roof („verovering”, „annexatie”) en

afpersing („requisitie”, „schatting”) uitgaan, of zich aan afdreiging

(„ultimatum” dat inbreuk op soevereiniteit of op neutraliteit eist)

schuldig maken.

En vervolgens: is het niet een absurdum morale, een zedelike

gruwel, wanneer diezelfde staat, die rechtshandhaver, die alle

„konkurrentie” van enkelingen met nog zo geringe geweldpleging tegen

leven, vrijheid, eigendom verbiedt en wreekt—zelf voor diezelfde

enkelingen gaat „konkurreren” met al dat rechtschennend geweld, ja

zelfs hen organiseert en dwingt (desnoods tegen hun geweten in) tot

zodanige „wedijver” met behulp van mensenslachting, vrijheidsberoving,

brandstichting en vernieling, kortom tot schending en verachting van de

hoogste rechtsgoederen?

Men voelt wel algemeen, dat het gebruik van zulk soort „uiterste”

middelen slechts één rechtvaardiging, één verontschuldiging

kent—gelijkelik voor enkeling en staat—: _nood_ of _noodweer_, geweld

als énig middel van levensredding, rechtshandhaving of rechtsherstel.

En hier blijkt nu inderdaad een groot verschil tussen enkeling en

staat: terwijl tegen rechtschennis door enkelingen de staat als

rechtshandhaver waakt en derhalve gewelddadig verweer slechts in het

uiterste geval en tegen „oogenblikkelijke” wederrechtelike aanranding

der hoogste rechtsgoederen nodig en geoorloofd zal zijn, ontbreekt

vooralsnog een boven alle statenwillekeur verheven bevoegde rechtspraak

en rechtsmacht ter handhaving der internationale rechtsorde, zodat

de objektiviteit van het volkenrecht, slechts heersend bij de gratie

van subjektieve willekeur, geschonden niet alleen maar uitgeschakeld

wordt door nagenoeg elk volkenrechtelik onrecht—en vervangen door

de rechteloze „natuurtoestand”, waarin gewelddadige zelfverdediging

(zgn. „eigenrichting”) niet het uiterste, maar het enig middel is

tot rechtshandhaving en rechtsherstel, dus recht bukt en wijkt voor

macht. Zo wordt hier alom gewelddadig verweer voorbereid ook tegen het

verst verwijderd gevaar—en ontstaat het monstrum van een wederzijdse

_noodweer met voorbedachten rade_, die op zijn best (d.w.z. bij

uitsluiting van elke aggressieve en offensieve, dus wederrechtelike

bedoeling) slechts dient tot het scheppen van de te keren nood!

Dat is de „gewapende vrede”, voorbereiding en voorwaarde van oorlog,

een vrede, wiens paleis slechts deze gevelspreuk verdient: #SI VIS

BELLUM. PARA PACEM#—wilt gij oorlog, wapen u ten vrede!

Zonder die geweldplegingsorganisatie, zonder leger en vloot, zou de

meeste, de eigenlike, gevaarlike, tot gewelddadig verweer nopende

volkenrechtschennis eenvoudig onmogelik zijn—van oorlog als middel

tegen dit soort schennis moeten wij zeggen: het middel schept de kwaal.

Wie dus volkenrecht wil, moet oorlog, niet slechts als rechtaanrandend

middel van rechts_verwerving_, maar ook als rechtuitschakelend middel

van rechts_behoud_ verfoeien; zal volkenrecht gelden, meer zijn dan

zoete waan en vrome wens—dan dient schennis voorkomen of berecht,

geschil beslecht in plaats van uitgevochten. Voorkoming schijnt

hier eer bereikbaar dan berechting: zelfstandige staten zullen zich

gemakkeliker tot een rechtsgemeenschap aaneensluiten, waarbinnen

_met de militaire grenzen niet slechts oorlogsmogelikheid, maar ook

oorlogsbelang verdwenen_ is (vgk. de Verenigde Staten of Duitsland),

dan bij behoud van militaire zelfstandigheid, oorlogsaanleiding en

oorlogsbelang hun internationale willekeur onderwerpen aan hoger

internationale rechtsoevereiniteit, al laat die hun „soevereiniteit

in eigen kring”, hun „eigen-meesterschap” even ongeschonden als

bondstaatvorming.

Maar wie het volkenrecht voldoende veracht om aan de staat, de

rechtshandhaver, zelfs wedstrijd, winstbejag „met alle middelen” ook

met het rechtschennend geweld, dat oorlog heet, te vergunnen—met welk

recht, op welke grond weigert hij hem _oorlog met àlle middelen_?

Waarom dan de zuivere kollektieve machtmeting bedorven door hinderlike

kleingeestige onderscheidinkjes tussen staat en volk, militair en

burger, combattant en non-combattant[47], al of niet of voorwaardelik

kontrabande, al of niet effektieve blokkade, partikulier en gemeente-,

dan wel staatseigendom, al of niet „open” steden en waarschuwing bij

bombardement, bommen en handgranaten of dum-dums en ontplofbare kogels,

„krijgs-list” of „krijgs-streek”, al of niet geven van kwartier en

wat dies meer zij? Nog klinkt het in ons na: „Das hiesse ja den Kampf

mit einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist

keine Entscheidung”... „Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle,

thatsächlich _alle_ Mittel verwenden”... En we herinneren ons: hoe

onmenseliker, hoe schrikwekkender de oorlog, des te korter, des te

menslievender. Wat moet, wat wil dus zogenaamd „oorlogsrecht”? En wat

vermag het? Oorlog trapt op de fijne onderscheidingen tussen verboden

en toegelaten onmenselikheid, verscheurt allereerst de papieren

muilkorven van recht en traktaat, „declaratie” en „conventie”...

dat is zijn recht, zijn „raison”: hij huichelt geen humaniteit of

rechtsontzag, die aan zijn doel en wezen vreemd zijn.[48] Wie hem wil

moet hem nemen zoals hij is, niet zoals brave naiveteit of geveinsdheid

hem op papier fatsoenneert. „Oorlogsrecht” strijdt met oorlog's recht.

Altans bij beschaafde volken. Want die vechten alleen nog uit nood. En

nood breekt wet, ja Not kennt kein Gebot.

[47] Getuigt de gehechtheid aan deze „essentiële” tegenstellingen

niet van een ietwat bijziende gevoeligheid? Alsof niet gemiddeld

elk schot, elke steek, die een man verminkt of vermoordt,

door het hart ging van een moeder of vader of vrouw of meisje

(gezwegen nog van de kinderen), die veelal liever zelf waren

gewond of neergelegd—en alsof combattanten niet even „weerloos”

aan onverhoedse lucht- of onderzeeaanvallen of andere moderne

machinale slachtmethodes waren overgeleverd. Ridderlikheid is

sparen van zwakheid, vloekt dus met krachtmeting. En zou niet

oorlog van korter duur, dus humaner zijn, wanneer op de vrouwen

en kinderen niet via de mannen, maar rechtstreeks en eerlik werd

gemikt?

[48] Gelijk de oude deskundige krijgsfilosoof CLAUSEWITZ verbiedt,

oorlog door een beginsel van „matiging” te bederven, zo zegt

admiraal JOHN FISHER: „Het wezen der oorlogvoering is geweld;

gematigdheid is domheid. Sla toe, sla hard en sla waar ge kunt.”

5. Oorlog als Genotmiddel.

Ontzeggen dus _rechtszin_ en _zedelik besef_—afgezien van alle

„medelijden”—aan volk en staat oorlog als wedijver met „àlle”, met de

„uiterste” middelen, is oorlog misdadig[49], dan zal men vergeefs ons

oorlog qua _uiterste kollektieve krachtsinspanning_, diepste kollektief

_gevaar_ en _leed_, aanprijzen als... _hoogste kollektief genotmiddel_,

als weg tot ondermaanse „_zaligheid_”.

[49] Het behoeft nauweliks opgemerkt, dat deze zedelike blaam slechts

de instelling treft en niet van haar onschuldige tot oorlogvoeren

gedoemde slachtoffers „misdadigers” maakt: slavernij, gewetensdwang,

ketterverbranding, bloedwraak noemen wij tans terecht misdadig—maar

die deze instellingen gehanteerd hebben kunnen hoogst achtenswaardige

mensen geweest zijn.

Vergeefs dan houdt men ons voor (bl. 220) „die tiefgehende

Bedeutung der Kontrastwirkung für die Steigerung der Lust”: „Um

himmelhoch jauchzen zu können, muss man erst zu Tode betrübt gewesen

sein”. Vergeefs dan raadt men ons oorlog aan als middel tegen

„Lebensüberdruss”, plaatst men ons voor het hedonisties dilemma:

vrede—„veiligheid en verveling”, of oorlog—„gevaar en zaligheid”.

Vergeefs dan roemt men ons (bl. 210) als heerlike ruil voor „die im

Kriege zerschossenen Glieder und die verschwundenen Milliarden” de

vreugden van het oorlogspatriottisme als „beglückender Leidenschaft”,

„diesem die Millionen beseelenden und beseligenden Gefühle”, ja,

noemt het de ergste misdaad, ons leven te beroven van zulk een „üppig

springender Glücksquelle”!

„Himmelhoch jauchzend—Zum Tode betrübt”... het is de stemmingswisseling

der verliefdheid, die GOETHE bij monde van Egmont's Clärchen aldus

bezingt—zonder deze climax van het „Freudvoll und leidvoll” al te

tragies te bedoelen: het liedje vervolgt en besluit: „Glücklich allein

ist die Seele die liebt”—Hier bij STEINMETZ daarentegen wordt het

bloedige, tragiese ernst:

/#

„Wir verwehren uns gegen das letzte, deshalb wird das erste uns

selbstverständlich versagt. Wir ziehen Sicherheit und Langeweile der

Gefahr und der Seligkeit vor.

Die Richtigkeit dieser Lebenspolitik scheint mir nicht so sehr über

jeden Einwurf erhaben, dass man berechtigt wäre, sie auch auf die

Völker anzuwenden”.

#/

Mij schijnt de juistheid van die andere, ietwat avontuurlike, ik zou

haast zeggen hysteriese levenspolitiek, die speelt met dodelik leed

en gevaar, een „politiek”, waar niemand leven of geluk van de zijnen

of zichzelf aan waagt, niet zó zeer boven alle bedenking verheven,

dat men zelfs zuiver hedonisties het recht zou hebben, er volken

aan prijs te geven. Hoe troostrijk en verheffend het ook weze voor

de verminkten en de achtergebleven weduwen en bruiden, ouders en

kinderen der gesneuvelden, dat hun leed en verlies en het lijden en

sterven van hun dierbaren tot hoogste genotmiddel dient voor vijand en

volksgenoot, ik vrees, dat geen volk, wanneer het zelf de beschikking

in handen neemt over oorlog en vrede, verlicht genoeg zal zijn om zijn

zonen, goed en bloed te offeren voor de kans op hemelhoog gejuich. Mij

dunkt, zelfs voor zuivere, door recht noch plicht geplaagde genotzucht

wordt oorlog's korte kontrastzaligheid nog vergald door een hinderlik

lijkenluchtje en een wee smaakje naar bloed en tranen.

Maar al kon men tegenover het „oneindig” oorlogswee „oneindig”

oorlogsgenot stellen, ongerechtvaardigd bleef het oorlogsonrecht.

En een mensheid, zó levensarm en geesteloos, dat zij oorlog als

levensprikkel zou behoeven of hanteren, deed beter te gronde te gaan,

zich dood te vervelen.

6. Staat en volk, isolement en liefde zonder oorlog.

Verwerpelik was oorlog als rechtsverloochening, onrecht als aanranding

van de grenzen en rechten, de vrijheid en zelfstandigheid van staten

en volken. Maar moet niet wie _staten_ en _volken_ wil, oorlog willen,

als het enige, wat voldoende _isoleert_ en _bindt_? Zonder oorlog

geen isolement, dus geen staat—zonder oorlog geen liefde, geen echte

innige zelfopofferende gemeenschapsliefde, zonder oorlog „endosmose”,

„Atomisirung der Menschen”. Zo luidt het schema—dat voor de

werkelikheid weer geen stand houdt.

Isolement en liefde—toetsen we beide.

„_Isolement_” was nodig voor het ontstaan der soorten, de term

behoort tot de inventaris van het Darwinisme. Een zeker isolement is

ongetwijfeld ook voor instandhouding van groepen, van volken vereist,

wier rijke verscheidenheid van fijngedifferentieerde kulturen niet

zonder grote schade kon worden gemist. Maar voor dit „isolement”

der volken, der nationaliteiten zijn niet eens staten, voor het

„isolement” van staten geen oorlogen nodig. STEINMETZ noemt oorlog

een middel, zelfs het enige middel voor staten om „sich gegenseitig

abzuschliessen”, om „die Staaten und die Völker einigermaassen

zu isoliren”, en doet het dan voorkomen, als ware oorlog, of

oorlogsmogelikheid, een soort middel tot wering van immigratie, van

vreemdelingen, die zich bij „vollständige internationale Freizügigkeit”

overal „einnisten” konden[50]. Het verband tussen oorlogsmogelikheid

en dit soort „isolering” ontgaat mij. Tegen „transfusie” door

verhuizing—voor onze kultuurstaten, naar het mij voorkomt, een niet al

te dreigend gevaar—waken uitsluitend en afdoende beperkingsbepalingen

op de immigratie, voor de rest is ieder tans reeds even vrij om naar

een andere staat te verhuizen, als naar een andere provincie. Heel

wat meer Ieren trekken naar Amerika dan naar Engeland. Verhuizing

naar aangrenzend anderstaats doch gelijktalig gebied kan heel wat

makkeliker zijn dan naar afgelegener andertalig eigenstaats gewest.

Wat verplaatsing op grote schaal belemmert ook binnenslands of

bevordert ook buitenstaats zijn niet militaire grenzen, maar heel

andere, voornamelik ekonomiese faktoren en het volksverbindend en

volkenscheidend middel bij uitnemendheid, de taal. „Im Princip muss

jedes staatlich organisirte Volk das Recht behalten sich auf seinem

Territoir abzuschliessen”. Natuurlik. Maar geen volk is zo dwaas, van

dit recht gebruik te maken—en elk volk houdt dit recht ook zonder

oorlog. Ja, zonder oorlog zou ieder ongewenst „indringer” te weren,

„overstroming” niet meer te duchten zijn. Gaan we na, wat isoleert

en bindt, dus voor afzonderlik groepsbestaan zorgt, dan moeten we

onderscheiden, wat de oorlogsfilosofie meest dooreenhaspelt: staat en

volk. Dat _staten_ voor onderlinge afscheiding en afzonderlik bestaan

geen militaire grenzen, dus oorlog noch oorlogsmogelikheid behoeven,

wordt niet alleen reeds door de werkelikheid bewezen (Beieren,

Wurtemberg, Pruisen zijn op z'n minst even welgescheiden organismen als

de Middel- of Zuid-Amerikaanse Staten) maar ligt ook voor de hand: heel

het staatsbestel is afbakening: afzonderlike rechtsbedéling, wetgeving

en politiek leven, bestuur en administratie. Van „transfusie” geen

sprake... dan alleen juist zover oorlog in 't spel komt.—Hoe staat

het nu met de _volken_? Hier zijn de isoleringsfaktoren van ietwat

ander gehalte; maar ook hier komt oorlog, die immers voor STEINMETZ een

zeer zeldzame kortstondige uitzonderingstoestand behoort te worden,

nauweliks in aanmerking, terwijl oorlogsmogelikheid, dus militaire

grensafscheiding, in werkelikheid al weer niet nodig blijkt (waar woedt

de nationaliteitenstrijd, het volken-antagonisme feller dan binnen de

staat Oostenrijk-Hongarije? De Vlamingen onderscheiden zich van de

Walen binnen België, de Ieren van Schotten en Engelsen, hoeveel feller

is de tegenstelling tussen Oostpruisiese Polen en Pruisen, dan tussen

Duitse en Russiese Polen, hoeveel volken handhaven zich niet in de

Nederlandse of eerst in de Engelse kolonies!) en weliswaar strijdige

belangetjes, meer van ondergroepen dan van volken schept (havens en

riviermonden, kolonies en derg., „imperialisme”), maar in 't niet

zinkt, vergeleken bij de diepe, wezenlike, volkenschiftende faktoren:

_ekonomiese honkvastheid_ gepaard aan _taalverschil_ (eigentaalse

literatuur, pers, onderwijs, kultuur), versterkt dan dikwels nog door

ras- en geloofsverschil en statelike of gewestelike gezagsorganisatie

(die taalgrenzen weer zoveel scherper helpt afbakenen: plots andere

officiële bestuurs- en onderwijstaal enz). De taal is zó belangrijk en

overheersend, dat de ethnografiese grenzen en de taalgrenzen overal

nagenoeg samenvallen: men kijke b.v. weer naar Oostenrijk Hongarije,

met z'n Tsjechen en Magyaren, België met z'n Vlamingen, Rusland met

z'n Finnen en z'n Polen, om van z'n tientallen andere welonderscheiden

nationaliteiten te zwijgen, Spanje met z'n Basken, Engeland met z'n

Ieren enz. enz. Vooral Vlaanderen, met z'n eigen taal, kultuur, kunst,

eigen geest en karakter, trots en boven z'n altijd wisselende militaire

samenhorigheid (bij Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Nederlanden, België,

om 't even) illustreert treffend mijn bedoeling. Eigen taal is eigen

volk—trots ras en geloof en staat. Zorgden voor taalafscheiding en

taalbehoud niet de genoemde volkenisolerende faktoren buiten oorlog,

oorlog zou tegen taal- en volkenmenging niets vermogen, daar oorlog

met z'n oppervlakkige telkens wisselende staatsgewijze groepering van

vijand en bondgenoot om taal noch volk noch ras zich bekommert—met

dezelfde blinde redeloosheid taalbroeders, volksgenoten, stamverwanten

tegen elkaar injaagt, waar er maar militaire grenzen zijn (denk aan

al de Duitse staatjesoorlogen, laatstelik nog Pruisen en Oostenrijk,

aan Middel-Amerika nog altijd, aan Italië en de Verenigde Staten

vóór hun éénwording, aan de Polen, die aan weerskanten mee moeten

doen in deze krijg), als hij taalstrijd, nationaliteitsverschil,

kultuurtegenstellingen zo nodig verdoezelt en verdringt (b.v. tans in

Oostenrijk-Hongarije en België).

[50] „Der Staat muss sich gegen fremde, unerwünschte Personen

abschliessen können. Ein Staat, der sich überfliessen lässt, läuft

Gefahr zu zerfliessen, und damit würde seine Existenz aufhören”

(196). Hoe denkt men zich dit „gevaar”, dit overstromen... zonder

oorlog, zonder georganiseerd wapengeweld?

En nu de _liefde_, die groepen bindt en samenhoudt, gemeenschapszin en

samenhorigheid—is daarvoor oorlog nodig? Ja—zo de mens een onsociaal,

een niet-maatschappelik wezen ware, dat alleen door kollektieve

vijandschap en haat tot de kollektieve solidariteit van het bedreigd

groepsegoïsme kon komen! Gelukkig is dit pessimisties schema weer eens

in strijd met de werkelikheid, gelukkig zijn er positieve bindende

faktoren, ten dele reeds in de vorige alinea aangeduid. Want wat naar

buiten isoleert, bindt naar binnen. Laten we de kleinere en kleinste

groepen hier buiten beschouwing—de gezinnen met hun weergaloze

eenheid en opofferingsgezindheid, de dorpsaanhankelikheid en liefde

tot de geboorteplaats, die onuitroeibaar wortelt in de diepten der

jeugdindrukken[51], de verenigingsbanden, de partijsolidariteit en de

geloofsgenootschap—dan is het weer bovenal de _taal_gemeenschap die

gepaard met territoriaal verband en verkeer een volkseenheid schept

en onderhoudt boven alle ras- en geloofs- en staatsverdeeldheid,

eenheid van letteren, geschiedenis, kunst, kultuur, eenheid van

zeden en gewoonten, van volkszang en volksgeest, met echt en diep

samenhorigheidsgevoel, innige, vurige volksliefde: zó het Pools, het

Hongaars, het Provençaals, het Bretons, het Vlaams, het Fries, het

Zigeuners, het Baskies, het Fins.

[51] Volgens STEINMETZ' schema ook geen „hete” dorpsliefde zonder

oorlogje: „Nur noch kleine Dörfer, die sich mitunter einmal mit

den Nachbardörfern herumschlagen, dürften echte[!] heisse Liebe im

Herzen der Insassen erwecken, und nur solche[!] feurige Liebe...

nimmt eine Stelle in unserem Leben ein” (197).

Oorlogsfilosofie · 第 5 / 8 段