Wij hebben gezien, historiese noodzakelikheid kan selektief toeval

en doemwaardig onrecht zijn. En wij zullen ons niet overgeven

aan een _historisme_, dat spreekt van „_onvermijdelik—derhalve

rechtvaardig_”[34]—dat van enkelingen, volken en staten verkondigt:

„Was uns und sie als Ausfluss der Vergangenheit trifft, muss als

Folge hingenommen werden.”[35] Een historisme, dat zich niet alleen

tegen „onhistories radikalisme” maar ook tegen „actualisme” keert,

omdat het in de grond berust op een fatalisties _naturalisme_, bewust

en metterdaad reeds lang verloochend, maar onbewust nawerkend en

doorbrekend in een tragies pessimisme ten aanzien van de „kleine”,

„domme” mens, zijn geest en zijn macht, gepaard aan een even tragies

optimisme ten aanzien van de „grote” wijze natuur.[36] Vandaar dat

smalen op het recht der mensen met hun „ehrfurchtloses Eingreifen”,

„ausgeklügelte Mittelchen” van „uns und unseren Machenschaften”,

„den optimistischen Wahn, die Menschenwelt duren unsere berechneten

Eingriffe gestalten zu können”... en vandaar anderzijds die dithyramben

op de oorlog als „Richter und Reformator”: „Und gerade seine

Gerechtigkeit, ohne Gericht und Richterspruch, ist die allerhöchste,

weil die allersicherste, sie beruht _nur_ [ik cursiveer] auf der

inneren Notwendigkeit, der Gerechtigkeit der Natur, die der äusseren,

der vom Menschen eingesetzten so unendlich weit vorzuziehen ist”[37];

de oorlog „der Staatenhenker wie kein anderer”, voltrekt het vonnis

der „historische Gerechtigkeit”... „Es giebt nichts Grossartigeres,

nichts Erhebenderes und nichts Nützlicheres als dieses unerbittliche

Urteil!”....

[34] _Ph. d. Kr._ bl. 171: „Die Grösse des Staates ist also die

natürliche, unvermeidliche und daher gerechte Folge seiner ganzen

Vergangenheit.”

[35] ibidem.

[36] „Dieser Zug der Naseweisheit geht durch unsere ganze Zeit;

den dummen Menschen wird Vertrauen, den natürlichen Prozessen wird

Misstrauen entgegen-gebracht”. (236)

[37] bl. 222. Vgk. even kras bl. 283: „Die Gerechtigkeit des

Krieges ist eine unfehlbare[!], nie aussetzende, eben weil

sie eine automatische ist, eine, die in der Natur der Dinge

unwandelbar begründet und keines Richterspruchs bedürftig ist.”

Heilige oorlog—vlees geworden onfeilbare gerechtigheid—hoe moet

uw belijder u vereren!

Ziedaar kern en wezen van die „Philosophie des Krieges”.

Een natuur-optimisme, dat ons even roekeloos dunkt, „verrucht” zou

SCHOPENHAUER zeggen, als ons die „statenbeul” reeds is gebleken.

Wij hebben de waarborgen van gerechtigheid, die hij bood, gewogen

en te licht bevonden—hij bleek te verschalken door list, veil voor

toevallige macht, zonder beginsel en zonder geweten.

Natuurlik en histories noodwendig is ook het veile, gewetenloze,

rechtsverkrachting zo goed als het nog-niet-rechtelike. Ook het

onredelike „ligt in de rede”; wat werkelik is kan onredelik, wat

redelik is onwerkelik zijn.

„Die Weltgeschichte ist das Weltgericht”... dewijl de levende winnaars

en overweldigers de geschiedenis schrijven en Tote stille Leute zijn.

Maar de Waldenzen en Albigenzen aller tijden en al die nooit geweten en

vergeten martelaren, al die ware roemloze helden van de nog ongeboren

of verloren zaak, al die gesmoorde vermoorde minderheden—welk een

wereldgericht zouden zij houden over de wereldgeschiedenis! Gloria

victis!

De „oude Dessauer” moge gelijk hebben: „Der liebe Gott ist immer mit

den stärksten Bataillonen”—de „oude Cato” had geen ongelijk: Victrix

causa deis placuit sed victa Catoni.[38]

[38] De goden kozen partij voor de winnende—voor de verloren zaak Cato.

De minderheid heeft niet altijd gelijk en het succès niet altijd

ongelijk—maar wij wraken meerderheid, overmacht en geschiedenis, god

Bonus Eventus, als richter over goed en kwaad, recht en onrecht.

„Alles rächt und lohnt sich”—op het toneel.

En wanneer dit optimisties en fatalisties naturalisme zich blindelings

neerlegt bij „Sieg und Niederlage” als „Endpunkte naturnotwendiger

Prozesse” en zich rauweliks keert tegen 's mensen Urteilssprüche

als „Ergebnisse menschlichen Nachdenkens, menschlicher Vorurteile

und Neigungen”, dan verzaakt het niet alleen menselike rede voor

onmenselike natuur, maar ook zich zelf. Want zijn deze laatste

Ergebnisse niet evenzeer „naturnotwendig”, evenzeer „Endpunkte

naturnotwendiger Prozesse”? En zou niet van alle machten der natuur,

der werkelikheid de bewuste rechtswil en het rechtsbesef (rechtsgevoel

en rechtsbegrip) juist datgene zijn, wat het zekerst gericht is op

verwezenliking der gerechtigheid, op terzijdestelling van vooroordeel

en partijdige neiging, op kering van machtsmisbruik, willekeur en blind

onrechtvaardig toeval?

Wij overschatten niet taak en betekenis van rechtspraak en

scheidsgerecht voor enkelingen en volken. Wij hebben boven reeds

betoogd, waarom zonder oorlog „de toekomst van rassen en volken en

heel de mensheid” evenmin „durch Richterspruch nach Schätzung und

Gesetzesparagraphen” zal worden bepaald, als tans de toekomst van

burgers en gezinnen, steden en geestesstromingen door wetsartikeltjes

wordt beheerst of vastgesteld. Maar zo als het recht hier de

„naturnotwendige” en aan „tiefgewurzelte Neigungen” te danken fysieke

geweldpleging, mishandeling, roof en doodslag heeft uitgeschakeld naar

vermogen, zo kan en moet het helpen om diezelfde „naturnotwendigen

Prozesse” te verdrijven uit volkerenverkeer en statenverhouding.

Want ook hier heerst niet recht, maar de gewetenloze „Riese Zufall”

(NIETZSCHE) zolang de „natuur” met haar oorlog er heerst.

Zo wraken wij dus de „innere Gerechtigkeit der Natur” in het algemeen

en de oorlog als rechter in het biezonder.

Daarmee is het pleit feitelik beslecht. Alle andere deugden van de

oorlog hangen aan zijn selektieve rechtvaardigheid.

3. Oorlog als hervormer en opvoeder.

Met de oorlog als Rechter valt de oorlog als Reformator. Om dezelfde

onbetrouwbaarheid. Zijn dure lessen kunnen verkeerd uitvallen: de

nederlaag kan verzwakken en in stand houden, de overwinning verslappen

en winst brengen (ook aan de verkeerde kant), het krijgskansspel luidt

nu eens qui perd gagne, dan weer qui gagne perd. We zagen dat boven.

En erkent niet STEINMETZ zelf, dat mensenverlies en contraselektie

door oorlogen „fataal” kan worden, dat immers oorlogen „abnorm häufig,

blutig und ohne entsprechenden Gewinn für die Entwicklung und die

Expansion des betreffenden Volkes stattfinden” kunnen?[39] Neen, de

werkelikheid pleit ook niet ondubbelzinnig voor de opvoederstalenten

van oorlog. Zijn de Turken, van ouds de krijgers bij uitnemendheid,

pioniers der beschaving? Bij al hun oorlogen zijn Rusland of Turkije

of de andere Balkanstaten tamelik voos en achterlik gebleven, bij al

hun vrede bleven Nederland en Skandinavië nog tamelik gezond en op

peil.[40] Exaktheid van berekening of bewijsvoering is hier natuurlik

weer uitgesloten; de geschiedenis kent bloei en verval na nederlagen

evenzeer als na overwinningen: propter of ondanks? Om 't even. In geen

geval betekent vrede: stilstand, bederf. Staten en volken bloeien

en kwijnen in vredestijd, zonder oorlog, als gezinnen en steden,

ondernemingen en partijen—nooit is vrede strijdeloosheid, integendeel,

arbeid en wedijver, het eigenlik ekonomies, politiek en geestelik

_leven_, produktie, wetenschap, kunst ze vereisen vrede—ze staan

stil, liggen lamgeslagen tijdens oorlog. De zgn. „Godsvrede” juist is

stilstand van produktieve, levenwekkende strijd—wee zo hij lang zou

duren. En gelijk de vrede beschikt over een gezondhoudende dynamiek

zo heeft hij ook zijn genezende, zuiverende, bederfkerende dynamiese

faktoren: al wat ziekelik of verkeerd of onvoldoende funktioneert in

volk of staat, al wat voos of rot is—wekt leed, ellende, misnoegen,

ontevredenheid, verontwaardiging („Empörung”:), verzet („Erhebung”:)

tot opstand toe, reformatie of revolutie. Ziedaar het richtend en

hervormend automatisme, bestemd en geschikt voor de taak waarin

oorlog jammerlik te kort schiet.[41] Van de Russies-Japanse oorlog

lezen wij: „die Russen der höchsten und gebildetsten Kreise begehrten

die Niederlage ihrer Heere, da sie wussten, dass die Auferstehung

ihres Volkes hierdurch am besten gefördert würde.”[42] De oorlog

bracht de nederlaag. Maar de hervorming of omwenteling bracht hij

niet. Als een „onfeilbaar” middel tegen alle kwalen bij geval niet

helpt, ligt dat niet aan het middel, maar aan de patiënt: „Wie

gewissenlos, wie tierisch abgestumpft muss eine Regierung sein, die

durch solche Stimmung der besten Bürger nicht bewogen wird, die

gründlichste Reformation durchzuführen”.—Wij ontkennen niet, dat ook

oorlog een kata-strofe is, in de dubbele zin van het woord, ramp en

ommekeer,—en als zodanig z'n goede zijde heeft—wel allereerst deze

negatieve, zich te keren tegen zich zelf, z'n eigen einde telkens te

verhaasten naarmate hij ergerliker woedt—en op de duur zich zelf

ondragelik en onmogelik te maken, maar tegenover de zeer onzekere

kans op een versnelling van vooruitgang, die zijn schok, zijn keer

kàn brengen, staat hier wederom de zékerheid van stage vertraging

door zijn gewapende vrede, met z'n milliardenoffers, jaar in jaar uit

onttrokken aan sociale, produktieve, levenreddende, leedopheffende,

volkskracht en volksverheffing dienende doeleinden.[43] _Wel zwaar is

de verantwoordelikheid van wie voor zó onzeker een goed zó zeker een

kwaad aanvaardt!_ Ik laat nu nog buiten geding de naar het schijnt

nog lang niet overal uitgespeelde rol van leger en militarisme als

bolwerk van behoud en reaktie, van „feodaliteit”, als rem voor

stoffelike en geestelike volksbevrijding—en ik herinner er hier

slechts terloops aan, dat het beste, wat van de oorlog als opvoeder

der soldaten en officieren die er aan deelnemen kan worden gezegd,

nog dit is, dat de te verwachten „Zunahme von Roheit, Grausamkeit,

Missachtung fremden Eigentums und Lebens, Selbstüberhebung, Missachtung

fremder, besonders weiblicher Ehre und Persönlichkeit”... niet zodanige

afmetingen aanneemt, dat de kriminele statistiek er ondubbelzinnig

van getuigt... „Selbstverständlich bleiben die meisten Folgen solcher

Neigungen verborgen oder können sie wenigstens nicht recht objectiv

studiert und verglichen werden.”... In elk geval is de richting dezer

oorlogspedagogie onmiskenbaar, worden dergelijke ruwheid, wreedheid,

brutaliteit „aufs sorgfältigste gezüchtet, es gilt die umgekehrte

Moral von sonst, was soll es uns wundernehmen, dass so die Charaktere

verdorben, die Handlungen verbrecherisch werden. Das Schlimmste

muss hier zur Selbstverständlichkeit herabsinken”.—Aan de zedelike

hervorming en opvoeding van het in oorlog gewikkeld volk in z'n geheel,

de zegeningen van uiterste krachtsinspanning en offervaardigheid, van

oorlogsolidariteit en oorlogsheroïsme, dus wat we kunnen noemen de

volkspsychologie van de oorlog, zullen wij straks nog afzonderlik onze

aandacht wijden.

[39] _Der Krieg_ bl. 41.

[40] STEINMETZ' oorlogsfilosofie weet (zonder oorzakelik onderzoek) van

de Nederlanders: „die zu lange Friedensperiode erschlaffte ihre

gute Anlage”! Nederland verzuime dus niet de gelegenheid tot een

versterkend oorlogskuurtje—à la België.

[41] Zo noemt STEINMETZ zelf „die künstliche Züchtung der

Sozialdemokratie” in Duitsland „een soort straf” voor „das

persönliche Regiment” en „die Junkerprivilegierung, die beide in

einem Volke von gebildeten Menschen unduldbar sind” (_Ph. d. Kr._

227).

[42] _Ph. d. Kr._ 176/7.

[43] Vgk. weer _Ph. d. Kr._ bl. 100, wat met „den Unsummen, die der

Krieg im Frieden verschlingt” niet al kon worden bereikt: „Alle

staatliche Werkstätten könnten zu Musteranstalten werden, das

Bildungswesen könnte die jetzt überhaupt mögliche Vollkommenheit

erreichen, sogar die Arbeiterversicherung aller Arten brauchte des

Geldes wegen nicht eingeschränkt zu werden, jeder Staat könnte

seine drückenden Schulden ablösen, die Gemeinden hätten Geld, ihre

hygienischen und ästhetischen Veranstaltungen, die so unendlich

viel zur Verschönerung des Lebens beitragen, auszudehnen. Alles,

alles fast könnte getan werden ohne neuen Druck aufzulegen.”

4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen?

Wat blijft nu bij nader beschouwing van 's oorlogs _alzijdigheid_

over? Niets. Het schema was mooi en eenvoudig genoeg: Oorlog meet àlle

krachten; alle kulturele waarden, kunst, wetenschap, godsdienst komen

in oorlog ten oordeel: ze helpen een volk verslappen of versterken![44]

[44] „Im Kriege werden die vollständigen Resultanten _aller_ Kräfte

der betreffenden Staaten mit einander gemessen”.... „Alles wirkt

mit zum Siege oder zur Niederlage, aber eben Alles”..., „Man kann

getrost behaupten, dass keine einzige Kraft des Ganzen im Kriege

unbenutzt bleibt.” enz.

Maar weggeblazen wordt dat schema, wordt heel die alzijdigheid door

elk der boven aangewezen faktoren, die militair succès en volkskracht

scheiden, die nederlaag of overwinning onafhankelik maken van zedelik

en geestelik volkspeil.

Zeker, de godsdienst is lang niet zonder militair belang, al voeren

wij geen godsdienstoorlog meer. Maar als de Turken en hun bondgenoten

het winnen—heeft dan de Islam gelijk gekregen boven de godsdienst van

hun tegenpartij? Zelfs komt het mij twijfelachtig voor of velen onzer

de Islam met zijn „heilige oorlog” tegen de ongelovige honden en zijn

soldatenhemel zullen vereren b.v. boven het zachtmoedig, onbaatzuchtig,

verdraagzaam Boeddhisme. Neen, onze godsdienstkritiek is nog iets

anders dan krijgsgeschiedenis.

Ook als kunstkriticus moeten wij de oorlog wraken. Zeker, zelfs voor

de kunst kan wie zoekt nog wel enig selektief verband met oorlog

vinden: een slap en week aesthetendom kan misschien de militaire kracht

schaden! Maar kan zéker geen grote kunst voortbrengen! Dekadentie

straft zich zelf onmiddellik in haar produkten, allereerst in de

kunst. Dekadentie gaat zonder oorlog aan zich zelf te gronde—waar

oorlogspolitiek desnoods zelfs dekadentie beschermt en overeind houdt

(Turkije, Portugal). Wat een volk voor de kunst en de kunst voor een

volk betekent, dat zou in oorlog blijken, alzijdig,—beter blijken dan

in vrede? Voorwaar, wij kennen oorlog ook als kunstrechter: Reims,

Yperen, Mechelen, Leuven enz. Van de bouwkunst wordt altans gemeten,

in hoeverre sommige van haar produkten verschansingen, sein- of

observatieposten leveren en tegen bombardement bestand zijn—maar wat

van de schilderkunst, skulptuur, muziek? Een wereldkunst kan bloeien

bij een klein, militair onaanzienlik volk (Vlaanderen!). Wee het

kunstvonnis van militaire machtmeting!

Neen, al moge dan groepsgeweld minder eenzijdig zijn dan individuele

geweldpleging, verre van alzijdig, in eenzijdigheid geboren en

tot eenzijdigheid gedoemd is de wedstrijd, welk volk, neen welke

volkengroepering ad hoc, op een gegeven tijdstip het meeste en

geschiktste levend en dood moord- en vernielingsmateriaal oplevert,

welke partij de andere het eerst het ondragelikst vermag te knauwen.

Juist al wat aan een volk zijn eigen karakter, zijn biezondere waarde,

zijn betekenis voor de mensheid geeft, de volksziel, de volksgeest,

zoals die zich uit en onderscheidt in zijn taal, zijn letteren, zijn

zang en muziek, zijn beeldende, scheppende kunst, zijn geestelik besef,

zijn dichten en denken, levenshouding en levensstijl—al die fijner

en hoger kulturele waarden, die in vredestijd wedijveren en hun

geestesstrijd strijden—dat alles komt in oorlog op soortgelijke wijze

tot zijn recht als op het slagveld de biezondere gaven en ontwikkeling,

kunst en wijsheid, karakter en kennis der enkelingen, die als „troepen”

worden misbruikt.

Oorlogvoeren, bruikbare, kostelike troepen leveren, met haat en

dapperheid uitgerust en geld en wapentuig bijeenbrengen, dat kunnen

vooralsnog al onze kultuurvolken—het spel kan zijn gang gaan—maar een

lid van de bijeengekonkelde volkengroep, die het dan op een bepaald

tijdstip van de andere „wint”, toont daarmee nog geen eerbiedwaardige,

laat staan alzijdige superioriteit boven enig lid der verliezende

groep. Al „winnen” de Duitsers en Hongaren het met de Turken en

Toearegs—vermoedelik zullen er zelfs nog Duitsers zijn, die voor

de Franse genius, voor Franse kunst en wetenschap, Frans karakter,

kultuurpeil, staatsbestel nog meer eerbied hebben dan voor Turkse

kunst, wetenschap, kultuur en staat. En al „wint” de Triple Entente met

haar bondgenoten—zelfs een Fransman zal allicht de Duitse dichters en

denkers, Duitse werkkracht en organisatie, zeden en ontwikkelingspeil

niet stellen onder die van Servië of Montenegro, of de Russiese

administratie gezonder achten dan de Duitse, of de „vitaliteit” en

„volkskracht” van Duitsland zwakker dan die van Portugal. Ja, zou wel

iemand onzer, zou zelfs STEINMETZ de positieve of negatieve graad van

zijn eerbied of genegenheid jegens een der betrokken volken of rassen

wijzigen naar overwinning of nederlaag? Ik geloof het nauweliks. Tenzij

dan juist de nederlaag sympathie zou wekken of verinnigen, haat of

antipathie dempen en verzoenen.

Neen, wij hebben gezien, eerbiedwaardig _hoeft_ een overwinning niet

te zijn en nederlaag geen schande,—alzijdig _kan_ geen oorlogsuitslag

wezen.

* * * * *

Met de kollektief-selektieve rechtvaardiging en de kulturele

alzijdigheid van oorlog valt nu ook het principieel verschil tussen het

ruw, grof eenzijdig, „_niet-beslissend_” individueel geweld, dat tot

„abnormaliteit, misdaad” werd en de naar het heette niet grove, niet

ruwe, alzijdige, dus „_beslissende_” staatsgeweldpleging.

Ja, zolang men het schone schema kon aanvaarden: bloedige

worsteling—het grofste, slechts op brute kracht seligerend middel

van individuele konkurrentie, maar het enig en onmisbaar want op

geestesadel, op „altruïsme”[45] seligerend middel van kollektieve, van

staten-wedijver!

[45] „Der Krieg ist der einzige altruistische Kampf.”

Maar zelfs toegegeven, dat „staten” _als zodanig_ alleen konkurreren

in en door oorlog (dus niet ekonomies en via hun onderwijs,

recht, verkeer, gezondheidszorg enz.) en dat er geen andere

groepsgewijze strijd bestaat (klassenstrijd, vakverenigingen contra

werkgeversorganisaties, talenstrijd, politieke partijenstrijd enz.) dan

nog zou die enige „kollektieve” oorlogselektie naar wij betoogden èn

misbaar èn wegens haar onbetrouwbaarheid onduldbaar zijn.

Dat schema zal dus wel niet meer imponeren.

Noemen wij nu „_alzijdig_” (derhalve rechtvaardig) en dus „_beslissend

in laatste instantie_”, „onaanvechtbaar” een meting van _alle_

kulturele krachten (behalve de lichamelike ook de intellektuele,

morele, artistieke vermogens) dan heet _terecht_ de bloedige

tweestrijd, „das physische Gefecht zwischen Einzelnen”, _nicht

entscheidend_.... maar evenmin mag dàn oorlog entscheidend heten, mag

men dàn Kriege „vollgültige Entscheidungen, unanfechtbare Messungen”

noemen: te veel kulturele waarden worden daarbij òf toevallig in 't

geheel niet òf eenzijdig en verkeerdelik naar een ongepaste, met hun

wezen niet strokende maatstaf gemeten.

Doch nu tracht die nieuwe term „beslissend” ons te vangen in een

misleidende dubbelzinnigheid. Want „alzijdig” en „beslissend in laatste

instantie” kan men ook noemen, en noemt STEINMETZ ook—de strijd _met

àlle, ook en inzonderheid de alleruiterste middelen_, de strijd, die

geen wapen ongebruikt laat, of de strijd, „om het uiterste”, op leven

en dood.—Wie àlle middelen, dus ook geweld, bedrog en dergelijke,

heeft uitgeput, moet zich wel bij de beslissing neerleggen—indien hij

niet reeds is... neergelegd.

Maar in deze zin is weer individueel geweld tussen enkelingen op z'n

minst _even beslissend_ als oorlog tussen staten. Een uit de weg

geruimd mededinger heeft het definitief afgelegd op elk gebied.

De tweeërlei „alzijdigheid” of „beslissendheid”: enerzijds _meting

van àlle krachten_ en anderzijds _strijd met àlle middelen_ (ook

de uiterste van geweld enz.) mag niet verhaspeld; in plaats van

één te zijn vormen zij een tegenstelling,—hoe meer en hoe eer het

geweld beslist, des te minder meting aller vermogens, zowel bij de

statenstrijd als bij de individuele wedijver.

Ook verwarre men niet „uiterste krachtsinspanning” met „meting van

àlle krachten”, wanneer men verneemt, dat alleen oorlogen laatste

beslissingen zijn, waarbij zowel staten als enkelingen „sich beruhigen

können, sich beruhigen müssen, weil es nun einmal keine andere,

grössere Anstrengung gibt. Es wurden ja alle Kräfte verwendet.”

We zijn tans dunkt me voldoende gewapend tegen de aanprijzing van

beslissend geweld, van strijd met alle middelen, die ik hier letterlik

laat volgen:

„Streit ohne Benutzung der besten, letzten Waffen ist aber gar kein

Streit, keine Messung _aller_ Kräfte, keine _äusserste_ Anstrengung:

die Bedeutung des Streites liegt gerade hierin. Wer würde sich für

besiegt halten, der sich bewusst wäre noch eine unverwendete Waffe zu

bezitzen?

Wenn es also den Individuen erlaubt bleiben soll, die Kräfte ihrer

Gesammtheiten zu benutzen, und das ist doch selbstverständlich, so ist

es unmöglich ihnen den Krieg zu verbieten. Das hiesse ja den Kampf mit

einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine

Entscheidung. Wenn die geistigen und moralischen Kräfte erschöpft

sind, bleiben hier noch die physischen; wer durch die erstern besiegt

ist, muss zu den letzten greifen, sonst wäre er noch gar nicht

besiegt. Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlich

_alle_ Mittel verwenden”. (_Der Krieg_, p. 14/5) „Wer diese äussersten

Mittel noch nicht erschöpft hat, der ist noch gar nicht besiegt, der

kann seinen Gegner noch niederwerfen.” (_Ph. d. Kr._ p. 217).

Wanneer uit deze redenering _niet_ volgt—en het volgt er gelukkig

ook voor STEINMETZ _niet_ uit!—dat enkelingen met àlle geestelike

en „fysieke” wapens moeten of mogen konkurreren en vechten, dus als

alle andere, „tamme”, middelen faalden tot bloedig geweld, bedreiging,

mishandeling, doodslag, of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, roof

en derg. hun toevlucht moeten of mogen nemen, daar ze anders niet

„overwonnen” zijn, nog niet de „zwakste” zijn gebleken—dan volgt _uit

deze redenering_ datzelfde _evenmin_ ten aanzien van de staten. Wie te

veel bewijst, bewijst niets! Aldus STEINMETZ, die als volgt voortgaat:

„Wenn der Staat seine[n] Bürger[n] in jeder Weise geholfen hat,

moralisch und geistig, und die [zahmen, _Ph. d. Kr._] Hilfsmittel der

Diplomatie erschöpft sind, da muss er das letzte Mittel angreifen, den

Krieg, sonst liefert er seine Bürger unbesiegt, unnötig, dem Gegner

aus, der sich dann gar nicht als der wirklich Stärkere erwiesen hat”.

(_Krieg_ p. 15.)

Ge voelt wel: hier is reeds ondersteld, dat oorlog een geoorloofd

middel van wedijver, verrijking of geschilbeslechting is—en over het

al of niet toelaatbare van strijd met àlle of zelfs met bepaalde

middelen, zo voor enkelingen als staten, kan niet op deze wijze, moet

op heel andere gronden worden beslist.

Oorlogsfilosofie · 第 4 / 8 段