en doemwaardig onrecht zijn. En wij zullen ons niet overgeven
aan een _historisme_, dat spreekt van „_onvermijdelik—derhalve
rechtvaardig_”[34]—dat van enkelingen, volken en staten verkondigt:
„Was uns und sie als Ausfluss der Vergangenheit trifft, muss als
Folge hingenommen werden.”[35] Een historisme, dat zich niet alleen
tegen „onhistories radikalisme” maar ook tegen „actualisme” keert,
omdat het in de grond berust op een fatalisties _naturalisme_, bewust
en metterdaad reeds lang verloochend, maar onbewust nawerkend en
doorbrekend in een tragies pessimisme ten aanzien van de „kleine”,
„domme” mens, zijn geest en zijn macht, gepaard aan een even tragies
optimisme ten aanzien van de „grote” wijze natuur.[36] Vandaar dat
smalen op het recht der mensen met hun „ehrfurchtloses Eingreifen”,
„ausgeklügelte Mittelchen” van „uns und unseren Machenschaften”,
„den optimistischen Wahn, die Menschenwelt duren unsere berechneten
Eingriffe gestalten zu können”... en vandaar anderzijds die dithyramben
op de oorlog als „Richter und Reformator”: „Und gerade seine
Gerechtigkeit, ohne Gericht und Richterspruch, ist die allerhöchste,
weil die allersicherste, sie beruht _nur_ [ik cursiveer] auf der
inneren Notwendigkeit, der Gerechtigkeit der Natur, die der äusseren,
der vom Menschen eingesetzten so unendlich weit vorzuziehen ist”[37];
de oorlog „der Staatenhenker wie kein anderer”, voltrekt het vonnis
der „historische Gerechtigkeit”... „Es giebt nichts Grossartigeres,
nichts Erhebenderes und nichts Nützlicheres als dieses unerbittliche
Urteil!”....
[34] _Ph. d. Kr._ bl. 171: „Die Grösse des Staates ist also die
natürliche, unvermeidliche und daher gerechte Folge seiner ganzen
Vergangenheit.”
[35] ibidem.
[36] „Dieser Zug der Naseweisheit geht durch unsere ganze Zeit;
den dummen Menschen wird Vertrauen, den natürlichen Prozessen wird
Misstrauen entgegen-gebracht”. (236)
[37] bl. 222. Vgk. even kras bl. 283: „Die Gerechtigkeit des
Krieges ist eine unfehlbare[!], nie aussetzende, eben weil
sie eine automatische ist, eine, die in der Natur der Dinge
unwandelbar begründet und keines Richterspruchs bedürftig ist.”
Heilige oorlog—vlees geworden onfeilbare gerechtigheid—hoe moet
uw belijder u vereren!
Ziedaar kern en wezen van die „Philosophie des Krieges”.
Een natuur-optimisme, dat ons even roekeloos dunkt, „verrucht” zou
SCHOPENHAUER zeggen, als ons die „statenbeul” reeds is gebleken.
Wij hebben de waarborgen van gerechtigheid, die hij bood, gewogen
en te licht bevonden—hij bleek te verschalken door list, veil voor
toevallige macht, zonder beginsel en zonder geweten.
Natuurlik en histories noodwendig is ook het veile, gewetenloze,
rechtsverkrachting zo goed als het nog-niet-rechtelike. Ook het
onredelike „ligt in de rede”; wat werkelik is kan onredelik, wat
redelik is onwerkelik zijn.
„Die Weltgeschichte ist das Weltgericht”... dewijl de levende winnaars
en overweldigers de geschiedenis schrijven en Tote stille Leute zijn.
Maar de Waldenzen en Albigenzen aller tijden en al die nooit geweten en
vergeten martelaren, al die ware roemloze helden van de nog ongeboren
of verloren zaak, al die gesmoorde vermoorde minderheden—welk een
wereldgericht zouden zij houden over de wereldgeschiedenis! Gloria
victis!
De „oude Dessauer” moge gelijk hebben: „Der liebe Gott ist immer mit
den stärksten Bataillonen”—de „oude Cato” had geen ongelijk: Victrix
causa deis placuit sed victa Catoni.[38]
[38] De goden kozen partij voor de winnende—voor de verloren zaak Cato.
De minderheid heeft niet altijd gelijk en het succès niet altijd
ongelijk—maar wij wraken meerderheid, overmacht en geschiedenis, god
Bonus Eventus, als richter over goed en kwaad, recht en onrecht.
„Alles rächt und lohnt sich”—op het toneel.
En wanneer dit optimisties en fatalisties naturalisme zich blindelings
neerlegt bij „Sieg und Niederlage” als „Endpunkte naturnotwendiger
Prozesse” en zich rauweliks keert tegen 's mensen Urteilssprüche
als „Ergebnisse menschlichen Nachdenkens, menschlicher Vorurteile
und Neigungen”, dan verzaakt het niet alleen menselike rede voor
onmenselike natuur, maar ook zich zelf. Want zijn deze laatste
Ergebnisse niet evenzeer „naturnotwendig”, evenzeer „Endpunkte
naturnotwendiger Prozesse”? En zou niet van alle machten der natuur,
der werkelikheid de bewuste rechtswil en het rechtsbesef (rechtsgevoel
en rechtsbegrip) juist datgene zijn, wat het zekerst gericht is op
verwezenliking der gerechtigheid, op terzijdestelling van vooroordeel
en partijdige neiging, op kering van machtsmisbruik, willekeur en blind
onrechtvaardig toeval?
Wij overschatten niet taak en betekenis van rechtspraak en
scheidsgerecht voor enkelingen en volken. Wij hebben boven reeds
betoogd, waarom zonder oorlog „de toekomst van rassen en volken en
heel de mensheid” evenmin „durch Richterspruch nach Schätzung und
Gesetzesparagraphen” zal worden bepaald, als tans de toekomst van
burgers en gezinnen, steden en geestesstromingen door wetsartikeltjes
wordt beheerst of vastgesteld. Maar zo als het recht hier de
„naturnotwendige” en aan „tiefgewurzelte Neigungen” te danken fysieke
geweldpleging, mishandeling, roof en doodslag heeft uitgeschakeld naar
vermogen, zo kan en moet het helpen om diezelfde „naturnotwendigen
Prozesse” te verdrijven uit volkerenverkeer en statenverhouding.
Want ook hier heerst niet recht, maar de gewetenloze „Riese Zufall”
(NIETZSCHE) zolang de „natuur” met haar oorlog er heerst.
Zo wraken wij dus de „innere Gerechtigkeit der Natur” in het algemeen
en de oorlog als rechter in het biezonder.
Daarmee is het pleit feitelik beslecht. Alle andere deugden van de
oorlog hangen aan zijn selektieve rechtvaardigheid.
3. Oorlog als hervormer en opvoeder.
Met de oorlog als Rechter valt de oorlog als Reformator. Om dezelfde
onbetrouwbaarheid. Zijn dure lessen kunnen verkeerd uitvallen: de
nederlaag kan verzwakken en in stand houden, de overwinning verslappen
en winst brengen (ook aan de verkeerde kant), het krijgskansspel luidt
nu eens qui perd gagne, dan weer qui gagne perd. We zagen dat boven.
En erkent niet STEINMETZ zelf, dat mensenverlies en contraselektie
door oorlogen „fataal” kan worden, dat immers oorlogen „abnorm häufig,
blutig und ohne entsprechenden Gewinn für die Entwicklung und die
Expansion des betreffenden Volkes stattfinden” kunnen?[39] Neen, de
werkelikheid pleit ook niet ondubbelzinnig voor de opvoederstalenten
van oorlog. Zijn de Turken, van ouds de krijgers bij uitnemendheid,
pioniers der beschaving? Bij al hun oorlogen zijn Rusland of Turkije
of de andere Balkanstaten tamelik voos en achterlik gebleven, bij al
hun vrede bleven Nederland en Skandinavië nog tamelik gezond en op
peil.[40] Exaktheid van berekening of bewijsvoering is hier natuurlik
weer uitgesloten; de geschiedenis kent bloei en verval na nederlagen
evenzeer als na overwinningen: propter of ondanks? Om 't even. In geen
geval betekent vrede: stilstand, bederf. Staten en volken bloeien
en kwijnen in vredestijd, zonder oorlog, als gezinnen en steden,
ondernemingen en partijen—nooit is vrede strijdeloosheid, integendeel,
arbeid en wedijver, het eigenlik ekonomies, politiek en geestelik
_leven_, produktie, wetenschap, kunst ze vereisen vrede—ze staan
stil, liggen lamgeslagen tijdens oorlog. De zgn. „Godsvrede” juist is
stilstand van produktieve, levenwekkende strijd—wee zo hij lang zou
duren. En gelijk de vrede beschikt over een gezondhoudende dynamiek
zo heeft hij ook zijn genezende, zuiverende, bederfkerende dynamiese
faktoren: al wat ziekelik of verkeerd of onvoldoende funktioneert in
volk of staat, al wat voos of rot is—wekt leed, ellende, misnoegen,
ontevredenheid, verontwaardiging („Empörung”:), verzet („Erhebung”:)
tot opstand toe, reformatie of revolutie. Ziedaar het richtend en
hervormend automatisme, bestemd en geschikt voor de taak waarin
oorlog jammerlik te kort schiet.[41] Van de Russies-Japanse oorlog
lezen wij: „die Russen der höchsten und gebildetsten Kreise begehrten
die Niederlage ihrer Heere, da sie wussten, dass die Auferstehung
ihres Volkes hierdurch am besten gefördert würde.”[42] De oorlog
bracht de nederlaag. Maar de hervorming of omwenteling bracht hij
niet. Als een „onfeilbaar” middel tegen alle kwalen bij geval niet
helpt, ligt dat niet aan het middel, maar aan de patiënt: „Wie
gewissenlos, wie tierisch abgestumpft muss eine Regierung sein, die
durch solche Stimmung der besten Bürger nicht bewogen wird, die
gründlichste Reformation durchzuführen”.—Wij ontkennen niet, dat ook
oorlog een kata-strofe is, in de dubbele zin van het woord, ramp en
ommekeer,—en als zodanig z'n goede zijde heeft—wel allereerst deze
negatieve, zich te keren tegen zich zelf, z'n eigen einde telkens te
verhaasten naarmate hij ergerliker woedt—en op de duur zich zelf
ondragelik en onmogelik te maken, maar tegenover de zeer onzekere
kans op een versnelling van vooruitgang, die zijn schok, zijn keer
kàn brengen, staat hier wederom de zékerheid van stage vertraging
door zijn gewapende vrede, met z'n milliardenoffers, jaar in jaar uit
onttrokken aan sociale, produktieve, levenreddende, leedopheffende,
volkskracht en volksverheffing dienende doeleinden.[43] _Wel zwaar is
de verantwoordelikheid van wie voor zó onzeker een goed zó zeker een
kwaad aanvaardt!_ Ik laat nu nog buiten geding de naar het schijnt
nog lang niet overal uitgespeelde rol van leger en militarisme als
bolwerk van behoud en reaktie, van „feodaliteit”, als rem voor
stoffelike en geestelike volksbevrijding—en ik herinner er hier
slechts terloops aan, dat het beste, wat van de oorlog als opvoeder
der soldaten en officieren die er aan deelnemen kan worden gezegd,
nog dit is, dat de te verwachten „Zunahme von Roheit, Grausamkeit,
Missachtung fremden Eigentums und Lebens, Selbstüberhebung, Missachtung
fremder, besonders weiblicher Ehre und Persönlichkeit”... niet zodanige
afmetingen aanneemt, dat de kriminele statistiek er ondubbelzinnig
van getuigt... „Selbstverständlich bleiben die meisten Folgen solcher
Neigungen verborgen oder können sie wenigstens nicht recht objectiv
studiert und verglichen werden.”... In elk geval is de richting dezer
oorlogspedagogie onmiskenbaar, worden dergelijke ruwheid, wreedheid,
brutaliteit „aufs sorgfältigste gezüchtet, es gilt die umgekehrte
Moral von sonst, was soll es uns wundernehmen, dass so die Charaktere
verdorben, die Handlungen verbrecherisch werden. Das Schlimmste
muss hier zur Selbstverständlichkeit herabsinken”.—Aan de zedelike
hervorming en opvoeding van het in oorlog gewikkeld volk in z'n geheel,
de zegeningen van uiterste krachtsinspanning en offervaardigheid, van
oorlogsolidariteit en oorlogsheroïsme, dus wat we kunnen noemen de
volkspsychologie van de oorlog, zullen wij straks nog afzonderlik onze
aandacht wijden.
[39] _Der Krieg_ bl. 41.
[40] STEINMETZ' oorlogsfilosofie weet (zonder oorzakelik onderzoek) van
de Nederlanders: „die zu lange Friedensperiode erschlaffte ihre
gute Anlage”! Nederland verzuime dus niet de gelegenheid tot een
versterkend oorlogskuurtje—à la België.
[41] Zo noemt STEINMETZ zelf „die künstliche Züchtung der
Sozialdemokratie” in Duitsland „een soort straf” voor „das
persönliche Regiment” en „die Junkerprivilegierung, die beide in
einem Volke von gebildeten Menschen unduldbar sind” (_Ph. d. Kr._
227).
[42] _Ph. d. Kr._ 176/7.
[43] Vgk. weer _Ph. d. Kr._ bl. 100, wat met „den Unsummen, die der
Krieg im Frieden verschlingt” niet al kon worden bereikt: „Alle
staatliche Werkstätten könnten zu Musteranstalten werden, das
Bildungswesen könnte die jetzt überhaupt mögliche Vollkommenheit
erreichen, sogar die Arbeiterversicherung aller Arten brauchte des
Geldes wegen nicht eingeschränkt zu werden, jeder Staat könnte
seine drückenden Schulden ablösen, die Gemeinden hätten Geld, ihre
hygienischen und ästhetischen Veranstaltungen, die so unendlich
viel zur Verschönerung des Lebens beitragen, auszudehnen. Alles,
alles fast könnte getan werden ohne neuen Druck aufzulegen.”
4. Oorlogs alzijdigheid. Strijd met álle middelen?
Wat blijft nu bij nader beschouwing van 's oorlogs _alzijdigheid_
over? Niets. Het schema was mooi en eenvoudig genoeg: Oorlog meet àlle
krachten; alle kulturele waarden, kunst, wetenschap, godsdienst komen
in oorlog ten oordeel: ze helpen een volk verslappen of versterken![44]
[44] „Im Kriege werden die vollständigen Resultanten _aller_ Kräfte
der betreffenden Staaten mit einander gemessen”.... „Alles wirkt
mit zum Siege oder zur Niederlage, aber eben Alles”..., „Man kann
getrost behaupten, dass keine einzige Kraft des Ganzen im Kriege
unbenutzt bleibt.” enz.
Maar weggeblazen wordt dat schema, wordt heel die alzijdigheid door
elk der boven aangewezen faktoren, die militair succès en volkskracht
scheiden, die nederlaag of overwinning onafhankelik maken van zedelik
en geestelik volkspeil.
Zeker, de godsdienst is lang niet zonder militair belang, al voeren
wij geen godsdienstoorlog meer. Maar als de Turken en hun bondgenoten
het winnen—heeft dan de Islam gelijk gekregen boven de godsdienst van
hun tegenpartij? Zelfs komt het mij twijfelachtig voor of velen onzer
de Islam met zijn „heilige oorlog” tegen de ongelovige honden en zijn
soldatenhemel zullen vereren b.v. boven het zachtmoedig, onbaatzuchtig,
verdraagzaam Boeddhisme. Neen, onze godsdienstkritiek is nog iets
anders dan krijgsgeschiedenis.
Ook als kunstkriticus moeten wij de oorlog wraken. Zeker, zelfs voor
de kunst kan wie zoekt nog wel enig selektief verband met oorlog
vinden: een slap en week aesthetendom kan misschien de militaire kracht
schaden! Maar kan zéker geen grote kunst voortbrengen! Dekadentie
straft zich zelf onmiddellik in haar produkten, allereerst in de
kunst. Dekadentie gaat zonder oorlog aan zich zelf te gronde—waar
oorlogspolitiek desnoods zelfs dekadentie beschermt en overeind houdt
(Turkije, Portugal). Wat een volk voor de kunst en de kunst voor een
volk betekent, dat zou in oorlog blijken, alzijdig,—beter blijken dan
in vrede? Voorwaar, wij kennen oorlog ook als kunstrechter: Reims,
Yperen, Mechelen, Leuven enz. Van de bouwkunst wordt altans gemeten,
in hoeverre sommige van haar produkten verschansingen, sein- of
observatieposten leveren en tegen bombardement bestand zijn—maar wat
van de schilderkunst, skulptuur, muziek? Een wereldkunst kan bloeien
bij een klein, militair onaanzienlik volk (Vlaanderen!). Wee het
kunstvonnis van militaire machtmeting!
Neen, al moge dan groepsgeweld minder eenzijdig zijn dan individuele
geweldpleging, verre van alzijdig, in eenzijdigheid geboren en
tot eenzijdigheid gedoemd is de wedstrijd, welk volk, neen welke
volkengroepering ad hoc, op een gegeven tijdstip het meeste en
geschiktste levend en dood moord- en vernielingsmateriaal oplevert,
welke partij de andere het eerst het ondragelikst vermag te knauwen.
Juist al wat aan een volk zijn eigen karakter, zijn biezondere waarde,
zijn betekenis voor de mensheid geeft, de volksziel, de volksgeest,
zoals die zich uit en onderscheidt in zijn taal, zijn letteren, zijn
zang en muziek, zijn beeldende, scheppende kunst, zijn geestelik besef,
zijn dichten en denken, levenshouding en levensstijl—al die fijner
en hoger kulturele waarden, die in vredestijd wedijveren en hun
geestesstrijd strijden—dat alles komt in oorlog op soortgelijke wijze
tot zijn recht als op het slagveld de biezondere gaven en ontwikkeling,
kunst en wijsheid, karakter en kennis der enkelingen, die als „troepen”
worden misbruikt.
Oorlogvoeren, bruikbare, kostelike troepen leveren, met haat en
dapperheid uitgerust en geld en wapentuig bijeenbrengen, dat kunnen
vooralsnog al onze kultuurvolken—het spel kan zijn gang gaan—maar een
lid van de bijeengekonkelde volkengroep, die het dan op een bepaald
tijdstip van de andere „wint”, toont daarmee nog geen eerbiedwaardige,
laat staan alzijdige superioriteit boven enig lid der verliezende
groep. Al „winnen” de Duitsers en Hongaren het met de Turken en
Toearegs—vermoedelik zullen er zelfs nog Duitsers zijn, die voor
de Franse genius, voor Franse kunst en wetenschap, Frans karakter,
kultuurpeil, staatsbestel nog meer eerbied hebben dan voor Turkse
kunst, wetenschap, kultuur en staat. En al „wint” de Triple Entente met
haar bondgenoten—zelfs een Fransman zal allicht de Duitse dichters en
denkers, Duitse werkkracht en organisatie, zeden en ontwikkelingspeil
niet stellen onder die van Servië of Montenegro, of de Russiese
administratie gezonder achten dan de Duitse, of de „vitaliteit” en
„volkskracht” van Duitsland zwakker dan die van Portugal. Ja, zou wel
iemand onzer, zou zelfs STEINMETZ de positieve of negatieve graad van
zijn eerbied of genegenheid jegens een der betrokken volken of rassen
wijzigen naar overwinning of nederlaag? Ik geloof het nauweliks. Tenzij
dan juist de nederlaag sympathie zou wekken of verinnigen, haat of
antipathie dempen en verzoenen.
Neen, wij hebben gezien, eerbiedwaardig _hoeft_ een overwinning niet
te zijn en nederlaag geen schande,—alzijdig _kan_ geen oorlogsuitslag
wezen.
* * * * *
Met de kollektief-selektieve rechtvaardiging en de kulturele
alzijdigheid van oorlog valt nu ook het principieel verschil tussen het
ruw, grof eenzijdig, „_niet-beslissend_” individueel geweld, dat tot
„abnormaliteit, misdaad” werd en de naar het heette niet grove, niet
ruwe, alzijdige, dus „_beslissende_” staatsgeweldpleging.
Ja, zolang men het schone schema kon aanvaarden: bloedige
worsteling—het grofste, slechts op brute kracht seligerend middel
van individuele konkurrentie, maar het enig en onmisbaar want op
geestesadel, op „altruïsme”[45] seligerend middel van kollektieve, van
staten-wedijver!
[45] „Der Krieg ist der einzige altruistische Kampf.”
Maar zelfs toegegeven, dat „staten” _als zodanig_ alleen konkurreren
in en door oorlog (dus niet ekonomies en via hun onderwijs,
recht, verkeer, gezondheidszorg enz.) en dat er geen andere
groepsgewijze strijd bestaat (klassenstrijd, vakverenigingen contra
werkgeversorganisaties, talenstrijd, politieke partijenstrijd enz.) dan
nog zou die enige „kollektieve” oorlogselektie naar wij betoogden èn
misbaar èn wegens haar onbetrouwbaarheid onduldbaar zijn.
Dat schema zal dus wel niet meer imponeren.
Noemen wij nu „_alzijdig_” (derhalve rechtvaardig) en dus „_beslissend
in laatste instantie_”, „onaanvechtbaar” een meting van _alle_
kulturele krachten (behalve de lichamelike ook de intellektuele,
morele, artistieke vermogens) dan heet _terecht_ de bloedige
tweestrijd, „das physische Gefecht zwischen Einzelnen”, _nicht
entscheidend_.... maar evenmin mag dàn oorlog entscheidend heten, mag
men dàn Kriege „vollgültige Entscheidungen, unanfechtbare Messungen”
noemen: te veel kulturele waarden worden daarbij òf toevallig in 't
geheel niet òf eenzijdig en verkeerdelik naar een ongepaste, met hun
wezen niet strokende maatstaf gemeten.
Doch nu tracht die nieuwe term „beslissend” ons te vangen in een
misleidende dubbelzinnigheid. Want „alzijdig” en „beslissend in laatste
instantie” kan men ook noemen, en noemt STEINMETZ ook—de strijd _met
àlle, ook en inzonderheid de alleruiterste middelen_, de strijd, die
geen wapen ongebruikt laat, of de strijd, „om het uiterste”, op leven
en dood.—Wie àlle middelen, dus ook geweld, bedrog en dergelijke,
heeft uitgeput, moet zich wel bij de beslissing neerleggen—indien hij
niet reeds is... neergelegd.
Maar in deze zin is weer individueel geweld tussen enkelingen op z'n
minst _even beslissend_ als oorlog tussen staten. Een uit de weg
geruimd mededinger heeft het definitief afgelegd op elk gebied.
De tweeërlei „alzijdigheid” of „beslissendheid”: enerzijds _meting
van àlle krachten_ en anderzijds _strijd met àlle middelen_ (ook
de uiterste van geweld enz.) mag niet verhaspeld; in plaats van
één te zijn vormen zij een tegenstelling,—hoe meer en hoe eer het
geweld beslist, des te minder meting aller vermogens, zowel bij de
statenstrijd als bij de individuele wedijver.
Ook verwarre men niet „uiterste krachtsinspanning” met „meting van
àlle krachten”, wanneer men verneemt, dat alleen oorlogen laatste
beslissingen zijn, waarbij zowel staten als enkelingen „sich beruhigen
können, sich beruhigen müssen, weil es nun einmal keine andere,
grössere Anstrengung gibt. Es wurden ja alle Kräfte verwendet.”
We zijn tans dunkt me voldoende gewapend tegen de aanprijzing van
beslissend geweld, van strijd met alle middelen, die ik hier letterlik
laat volgen:
„Streit ohne Benutzung der besten, letzten Waffen ist aber gar kein
Streit, keine Messung _aller_ Kräfte, keine _äusserste_ Anstrengung:
die Bedeutung des Streites liegt gerade hierin. Wer würde sich für
besiegt halten, der sich bewusst wäre noch eine unverwendete Waffe zu
bezitzen?
Wenn es also den Individuen erlaubt bleiben soll, die Kräfte ihrer
Gesammtheiten zu benutzen, und das ist doch selbstverständlich, so ist
es unmöglich ihnen den Krieg zu verbieten. Das hiesse ja den Kampf mit
einem festgebundenen Arm vorschreiben, und ein solcher Kampf ist keine
Entscheidung. Wenn die geistigen und moralischen Kräfte erschöpft
sind, bleiben hier noch die physischen; wer durch die erstern besiegt
ist, muss zu den letzten greifen, sonst wäre er noch gar nicht
besiegt. Wer sich wahrhaftig behaupten will, muss alle, thatsächlich
_alle_ Mittel verwenden”. (_Der Krieg_, p. 14/5) „Wer diese äussersten
Mittel noch nicht erschöpft hat, der ist noch gar nicht besiegt, der
kann seinen Gegner noch niederwerfen.” (_Ph. d. Kr._ p. 217).
Wanneer uit deze redenering _niet_ volgt—en het volgt er gelukkig
ook voor STEINMETZ _niet_ uit!—dat enkelingen met àlle geestelike
en „fysieke” wapens moeten of mogen konkurreren en vechten, dus als
alle andere, „tamme”, middelen faalden tot bloedig geweld, bedreiging,
mishandeling, doodslag, of „veelzijdig” „intellektueel” bedrog, roof
en derg. hun toevlucht moeten of mogen nemen, daar ze anders niet
„overwonnen” zijn, nog niet de „zwakste” zijn gebleken—dan volgt _uit
deze redenering_ datzelfde _evenmin_ ten aanzien van de staten. Wie te
veel bewijst, bewijst niets! Aldus STEINMETZ, die als volgt voortgaat:
„Wenn der Staat seine[n] Bürger[n] in jeder Weise geholfen hat,
moralisch und geistig, und die [zahmen, _Ph. d. Kr._] Hilfsmittel der
Diplomatie erschöpft sind, da muss er das letzte Mittel angreifen, den
Krieg, sonst liefert er seine Bürger unbesiegt, unnötig, dem Gegner
aus, der sich dann gar nicht als der wirklich Stärkere erwiesen hat”.
(_Krieg_ p. 15.)
Ge voelt wel: hier is reeds ondersteld, dat oorlog een geoorloofd
middel van wedijver, verrijking of geschilbeslechting is—en over het
al of niet toelaatbare van strijd met àlle of zelfs met bepaalde
middelen, zo voor enkelingen als staten, kan niet op deze wijze, moet
op heel andere gronden worden beslist.