"Yes Sir!" zei Dik, tot groot vermaak van den clown.
"Zeg eens, hoeveel broers en zusters heb je?"
"Geen een," zei Dik.
"Eén vader en één moeder?" vroeg de clown grappig.
"Ja. Dacht je, dat ik er van ieder drie had?"
"Dus met je drieën. Dan geef ik je drie kaartjes derden rang voor je
aap. Dat is toch een schitterend bod, zou ik zeggen."
"Neen," zei Dik, "ik doe het niet."
"Domkop!" fluisterde Piet van Dril hem toe.
"Sufferd!" zei Jan Vos.
"Nog al niet? Nu, zeg dan zelf, wat je voor je aap vraagt," zei de
clown. "Hoe lang heb je hem al?"
"Sedert gisteravond," zei Dik.
"En wil je hem verkoopen, -- of wil je niet?" hernam de clown.
"Ja, dat wil ik," zei Dik. "Maar niet voor drie vrijkaartjes."
"Spreek op dan, -- zeg dan, wat je voor hem vraagt!"
"Dat zal ik," zei Dik. "Je kunt hem koopen voor een gulden en zes
vrijkaartjes."
"Een gulden en zes vrijkaartjes," herhaalde de clown. "Ga mee, boy,
de koop is gesloten."
Hij wenkte Dik, hem in de tent te volgen. En Dik wenkte op zijn beurt
Piet en Jan, dat zij met hem mede moesten gaan.
Zoo kwamen zij in de tent.
Wel, wel, wat een ruimte was daar. In het midden was een groot,
cirkelvormig vlak, en rondom waren de zitplaatsen, die naar achteren
amphitheaters-gewijze opliepen.
"Wat een zitplaatsen!" zei Piet van Dril.
"Duizenden!" zei Dik. "'t Zal er hier op een stuk of zes niet
aankomen, denk ik. Er blijven er nog genoeg over."
De clown ging de jongens voor naar de stallen, waar al de paarden
stonden, en zij zagen de pikeurs, die ze de zadels oplegden, omdat
het tijd werd voor den optocht. De clown had blijkbaar haast. Hij
bracht hen naar een wagen met licht traliewerk waar de honden en apen
in opgesloten waren, en zei, terwijl hij de deur daarvan opende: "Doe
den aap hier maar in."
"Jawel," zei Dik, die in de vreemde omgeving haast niet wist,
waarheen het eerst te kijken, -- "alles goed en wel, maar eerst
betalen, zie je!"
"Vertrouw je me niet?" zei de Clown. "Wacht maar even."
Hij bleef slechts enkele seconden weg.
"Hier, -- zes vrijkaarten derden rang en een gulden."
"Dank je," zei Dik.
Hij deed Caesar den ketting af, en de deur van de kooi werd achter
den aap gesloten.
"En ga nu maar dadelijk weg, want de optocht gaat beginnen," zei de
Clown, die blijkbaar bijzonder met zijn koopje ingenomen was. De
vrijkaarten kostten hem geen geld, dus kwam de aap hem slechts op een
enkelen gulden.
En Dik was den koning te rijk.
"Wat moet jij met al die vrijkaarten doen?" vroeg Piet van Dril.
"Zes vrijkaarten!" riep Jan Vos uit, "'t is me geen kleinigheid!"
"Wat ik er meê doen moet?" vroeg Dik. "Kijk, deze is voor Vader,
deze voor Moeder, deze voor mij, die voor jou, Piet, asjeblief, pak
aan, deze voor jou, Jan Vos, -- hier, en deze voor Anneke, en dan ben
ik ze alle zes kwijt..."
"Dat noem ik royale!" riep Jan Vos uit, terwijl hij een kleur kreeg
van blijdschap. "Dank je, Dik! Dank je wel!"
"En ik dank je ook," zei Piet.
"Jammer, dat mijn buurmeisje blind is," zei Dik. "Ze kan er toch
niets van zien. Als dat het geval niet geweest was, had ik er zeven
gevraagd..."
"En je hadt ze gekregen ook," zei Piet. "Wat had hij, een zin in den
aap!"
"Jongen jongen wat ben ik blij met dat kaartje!" zei Jan Vos
herhaaldelijk. "Goed, dat je maar niet dadelijk toehapte, Dik. Zes
vrijkaartjes en nog een gulden toe, -- 't is prachtig!"
Dik stak zijn gulden en zijn kaartjes in zijn zak, want er klonk uit
de tent een krachtige klaroenstoot. De optocht zou zeker beginnen. Op
den weg en de bruggen zag het thans zwart van de menschen, want
alleen de zieken en zeer ouden waren in de huizen achtergebleven.
Eerst verschenen weer de vier herauten. Ze reden tot bij de groote
brug en hielden daar halt. Toen kwam weer het rijtuig, thans
bespannen met zes prachtige schimmels, die weer bereden werden door
jockeys. In het rijtuig zat de Directeur, de beroemde Mr. Sänger.
Daarachter verscheen de leeuwenkooi op den weg, tot verrassing van
allen, die het zagen, getrokken door twee olifanten.
"O, kijk eens! Kijk eens!" klonk het overal. "Olifanten voor een
wagen!"
"'t Is de leeuwenkooi," riep Dik tegen Jan en Piet. "Kijk, de luiken
zijn er afgedaan en je ziet de leeuwen in het hok! Ha, wat een
beesten, kijk, die eene slaat met zijn klauw naar den anderen, zie je
dat? Aanstonds verscheuren ze mekaar nog."
"Bij elken olifant loopt een oppasser," zei Piet.
"Ho, -- daar staan ze stil. Er komt zeker nog meer. Kijk, de wagen
met muzikanten!"
Maar die konden Dik niet veel schelen, nu de olifanten zoo dicht bij
hem stonden. Hij drong tusschen de menschen door, om er nog dichter
bij te komen, en Piet en Jan volgden hem op de hielen. Zoo kwamen zij
vlak bij de leeuwenkooi, maar het onderste gedeelte daarvan was
zoodanig ingericht, dat alleen de temmer de leeuwen bereiken kon,
hetgeen gedaan was, om ongelukken te voorkomen.
Vlak bij den wagen stond een jonge, forsche man, met een geweldig
grooten knevel. Hij had een kort rijzweepje in de hand en scheen in
het geheel niet bang van de leeuwen, die trouwens heel rustig waren
en waarvan er sommige zelfs sliepen.
"Mooie beesten," zei Piet. "Zie je die manen?"
"Ja," zei Jan Vos, die verrukt naar zijn toegangskaartje stond te
kijken. O, wat was hij daar blij mede.
"Maar er zijn er ook zònder manen."
"Dat zijn de leeuwinnen," zei Piet.
Dik zei niets, maar hij bekeek den man, die vlak bij de kooi stond,
van het hoofd tot de voeten, en hij vroeg zich af, wat die man daar
doen moest.
Opeens begreep hij, wie het was.
"Zeg jongens," zei hij, "kijk, dat is de leeuwentemmer..."
"Zou je denken?" zei Piet van Dril.
"Ongetwijfeld," zei Dik. "Kijk, hij steekt zijn hand door de tralies
en streelt den leeuw over zijn kop! Wat een mak beest, hè?"
"'t Lijkt maar zoo," zei Piet. "Zou jij je hand door de tralies
durven steken, Dik?"
"Wel ja, -- waarom niet!" zei Dik.
"Doe het dan eens, Dik. Dàt zou ik wel eens willen zien. Je durft
toch niet! Bluffer!"
"Nu niet!" zei Dik.
"Hè, hè, hè!" grinnikte Piet. "Wanneer dan wèl?"
"Als de leeuwen er uit zijn," zei Dik met een lachje.
Piet en Jan lachten ook.
"Zeg jongens," zei Dik, "weet je, dat de vader en de grootvader van
dien leeuwentemmer al door hen verslonden zijn?"
"Ja, -- dat is algemeen bekend," beweerde Jan, die zijn
toegangskaartje weer eens uit zijn zak te voorschijn haalde, om het
nogmaals te bekijken.
"Welke leeuw zou het gedaan hebben?" vroeg Dik. "Ik denk die
daarachter in den wagen. Zie je wel, hoe valsch hij naar den temmer
kijkt? Ha, hij gaapt, hij heeft trek! Wat een tanden, hè?"
"Ha, ha, daar komt een wagen met clowns uit de stallen!" riep Jan
opgetogen uit. "Kijk ze er eens mal uitzien!"
"Die olifanten zijn ook wel leuk om te zien," zei Dik. "Bij elken
olifant is een cornak, zie je wel?"
"Ja," zei Piet. "Durf jij zoo'n olifant een koekje te geven, Dik? Of
heb je er niet meer? Vanmorgen zaten je zakken vol."
"'k Durf best," zei Dik.
"Net als met je hand door de tralies, hè?"
"Wil je 't zien?" vroeg Dik.
Hij ging zoo dicht mogelijk naar den olifant toe en keek met een
lachend gezicht den cornak aan. Hij diepte een koekje uit zijn zak op
en stak het den oppasser toe, maar deze wenkte lachend, dat Dik het
den olifant zelf mocht geven. Maar Jan Vos, die een beetje banger van
aard was, riep hem toe:
"Niet doen, Dik, -- hij steekt zijn slurf al naar je uit, en hij
heeft er zijn vorigen oppasser meê doodgeslagen..."
Doch Dik hoorde hem niet eens. Hij ging nog een stapje vooruit, en
stak het koekje tusschen de lippen van de slurf. Dik lachte, want hij
vond het grappig. De olifant greep het koekje vast en deponeerde het
met een vlugge beweging in zijn bek.
"Wat een groote slagtanden heeft hij," dacht Dik. Maar op 't zelfde
oogenblik voelde hij het einde van de slurf al weer over zijn hand
glijden.
Het groote, logge beest vroeg om nòg een koekje, en de andere
olifant, stak ook zijn slurf naar hem toe. Hij klapte met zijn ooren
en maakte een vreemd, trompetterig geluid. Blijkbaar was hij
jaloersch op zijn makker, die van Dik een klontje suiker kreeg, en
onmiddellijk weer zijn slurf toestak. Die dikke jongen beviel hem
wel, hij streek hem met zijn slurf over zijn bolle wangen.
De cornak moest er hardop om lachen, en Dik ook. Hij pakte de slurf
onbevreesd beet, en gaf den anderen olifant ook een klontje.
Op dit oogenblik klonk er een krachtige klaroenstoot, ten teeken dat
de stoet geformeerd was en de optocht kon beginnen. De muziek viel
met daverend geweld in, en de trommen bomden zoo hard, dat de leeuwen
er van begonnen te brullen.
Voorwaarts ging het.
Dik keerde zich om; ten einde zich weer bij zijn makkers te voegen,
toen hem plotseling iets vreemds overkwam, iets, wat hem het eerste
oogenblik een rilling over de leden joeg. Hij voelde namelijk opeens
iets hards en vochtigs in zijn hals, werd toen met een krachtigen ruk
bij zijn kraag gegrepen, en als een veertje in de hoogte getild.
't Was de olifant, die deze grappen met hem uithaalde. Het beviel het
beest in het geheel niet, dat Dik met zijn lekkere koekjes en
klontjes hem in den steek ging laten en hij besloot onmiddellijk, hem
dat te beletten. Daarom pakte hij Dik zonder boe of ba te zeggen bij
zijn kraag, hief hem in de hoogte en slingerde hem tamelijk
hardhandig over zijn kop heen op zijn nek. Met een smak kwam Dik op
het logge dier terecht, zonder in het eerste moment te begrijpen, wat
er met hem gebeurde.
De cornak lachte dat het schaterde, en hij trok Dik, die tamelijk
schots en scheef op den rug van den olifant terecht was gekomen, met
een ruk overeind, uit vrees, dat hij anders op den grond zou vallen.
Daar zat Dik dus onverwachts op den rug van een olifant, en hij moest
er om lachen, of hij wilde of niet, zoo fijn vond hij het.
En de jongens lachten ook en riepen juichend:
"Hoera! Hoera! Dik op den olifant! Dik op den olifant!"
En alle menschen op de brug lachten, en zij wezen elkander Dik aan,
die daar zoo hoog en vroolijk bijna op den kop van het logge dier zat
en zoo den optocht door het dorp ging medemaken. Dik keek
triomfantelijk van af zijn hoogen en zeldzamen zetel op de lachende
menigte neer, en hij wuifde den menschen links en rechts toe, zooals
de Koningin doet, als zij in de een of andere stad haar feestelijken
intocht houdt.
Maar ook klonk er een kreet van angst en schrik.
't Was Dik's moeder, die hem slaakte. Zij was met haar man en met de
buren ook nog even naar de drukte gaan kijken. Nelly liep aan den arm
van haar moeder. Zij stonden midden op de brug, toen de stoet zich in
beweging zette.
Opeens zag toen moeder Trom, welk een gevaarlijke zitplaats door haar
dikken jongen werd ingenomen, en in haar angst slaakte zij een
hevigen gil, en zij greep Trom bij zijn arm en wees hem naar den
olifant, op wiens nek Dik triomfantelijk troonde.
"Genadige hemel!" gilde Griet. "Jan, kijk eens, dáár -- daar op
dien olifant -- daar zit Dik -- O hemel!"
Trom sperde zijn oogen zoo wijd mogelijk open, plukte in zijn
verbazing kleine vlokjes uit zijn vlassige bakkebaardjes en zei:
"Griet, wil ik je eens wat zeggen? Onze Dik is een bijzonder kind, --
en dat is-ie!"
Op hetzelfde oogenblik ontstond er een groot gedrang onder de
menigte, want de stoet nam zijn weg over de brug, en allen, die daar
stonden, maakten zich haastig uit de voeten. Ha, de brug dreunde
onder de pooten der logge olifanten, die de leeuwenkooi voorttrokken,
en toen zij de brug over waren, zag Dik zijn vader en moeder en de
nieuwe buren, en hij wuifde hun lachend toe.
"Nelly! Nelly!" riep hij, "ik zit op den rug van een olifant!"
En Nelly knikte in de richting vanwaar zij Dik's stem hoorde, en zij
wuifde haar buurjongen toe, die zoo vriendelijk voor haar was en van
wien zij al zooveel hield.
"Houd-je goed vast, Dik!" gilde zijn moeder hem in haar angst toe,
maar toen zij zag, hoe Dik zich op zijn gemak voelde, en hoe de
menschen hem toelachten en hoe grappig zij hem vonden, -- toen
bedaarde haar angst en moest zij er ook om lachen.
Trouwens, haar aandacht werd spoedig afgeleid, want er was
verwonderlijk veel voor haar en haar eenvoudige dorpsgenooten te
zien.
De leeuwen trokken ieders aandacht, en de leeuwentemmer niet minder,
dien zij met eerbiedigen schroom aanschouwden, en den Directeur
vonden zij een wondermensch, en de rijders en rijdsters de deftigste
heeren en dames van de wereld, en de clowns, die biljetten
rondstrooiden, onweerstaanbaar grappig en koddig, en de muziek in een
woord verrukkelijk.
Nelly genoot van dit laatste onuitsprekelijk, en een blosje kleurde
haar anders zoo bleeke wangen.
Dik bleef gedurende den geheelen optocht op den olifant zitten en dit
beest stak hem herhaaldelijk zijn slurf toe, om nog een lekker hapje
te krijgen.
Om ruim vier uur keerde de stoet in de stallen terug, en toen verliet
Dik met behulp van den cornak zijn hoogen zetel.
Op het dorp en zelfs in den geheelen polder was er bijna niemand, die
niet besloten was, 's avonds naar de voorstelling te gaan.
Mr. Sänger had met zijn geweldige reclame zijn doel volkomen
bereikt.
1) Goeden morgen, mijnheer, hoe vaart u?
2) Spreekt u Engelsch?
3) Verstaat u me?
4) Vaarwel, mijnheer.
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Twaalfde Hoofdstuk.
In het paardenspel.
Dik begaf zich eerst naar Anneke, die een gat in de lucht sprong,
toen hij haar het vrijkaartje gaf, zoo blij was zij er mede, en toen
ging hij naar huis, waar hij aan zijn vader en moeder vertelde, dat
hij den aap verkocht had, en dat hij een toegangskaart voor hen had,
en dat hij nu geld genoeg bezat om Nelly met het schoolfeest mede te
laten gaan, als de meester daartoe zijn toestemming wilde geven.
"En dat doet hij wel, Dik," zei zijn Moeder. "De meester is een braaf
man, en als hij weet, dat het arme kind blind is, zal hij het je niet
weigeren..."
"En dat zal hij!" viel zijn vader in.
"Maar Dik, wat ben ik geschrokken, toen ik je daar zoo onverwachts op
dien olifant zag zitten," zei Moeder.
"En dat ben ik!" zei zijn vader.
"O Moeder, wat vond ik dat heerlijk! Neen, dat had ik nooit kunnen
denken, dat ik nog eens op den rug van een olifant aan een optocht
zou deelnemen," zei Dik lachend. "'t Was fijn, hoor! En lachen, dat
de menschen deden..."
"En dat deden ze," zei vader Trom.
"Maar hoe kwam je er toch zoo op, Dik?" vroeg zijn moeder.
"De olifant pakte me bij mijn kraag en gooide me zelf over zijn kop
heen op zijn rug, Moeder. Ik schrok me eerst haast een ongeluk!"
"En dat deed ik," zei zijn Vader, die zijn dikken zoon met blijkbare
bewondering zat aan te staren.
"'t Was goed, dat de kornac me greep..."
"Wie?" vroeg zijn moeder, die nog nooit van een kornac had gehoord.
"De oppasser," zei Dik, -- "want anders was ik er stellig afgevallen.
Ik kwam tamelijk schots en scheef op zijn rug terecht. Zeg Moeder, is
u niet blij met dat kaartje?"
"Of ik!" zei Moeder. "Ik wil er dolgraag heen..."
"En dat wil ik," zei Vader.
"Moeder, weet u, wat ik nu doen ga? Ik ga naar den meester, om te
vragen, of Nelly met het schoolfeest meê mag. De meester zal nu wel
thuis zijn, denk ik."
"Goed Dik, ga maar, en neem het geld mede, dan behoef jij er niet
langer op te passen."
"Ja," zei Dik.
Hij haalde een kwartje uit zijn spaarpot en ging naar het huis van
den meester, die naast de school woonde.
Het dienstmeisje kwam voor.
"Wel Dik?" vroeg zij lachend, want zij had Dik op den olifant zien
zitten en vond hem een koddigen jongen. "Ben je niet gevallen? Je zat
daar hoog en droog, Dik, op dien olifant."
"Ja, hè!" zei Dik. "Is de meester thuis?"
"Jawel, wat is er?"
"'k Wou den meester graag even spreken."
"Kom dan maar zoo lang in de vestibule, Dik," zei het meisje. "Dan
zal ik hem gaan roepen."
Dik bleef in de vestibule wachten en verkeerde in spanning, wat de
meester zeggen zou.
"Als hij het maar goed vindt," dacht Dik.
Al spoedig kwam de meester.