Dik nam zijn pet in zijn hand, en zei: "Dag meester."

"Dag Dik, -- wat is er?"

"Meester," zei Dik, terwijl hij den gulden en het kwartje van

tusschen de koekkruimels uit zijn wijden broekzak opdiepte, en ze den

meester toestak, -- "meester, hier heb ik vijf en twintig stuiver, en

nu wou ik u vragen, of asjeblief mijn buurmeisje met het schoolfeest

meê mag...."

"Wie is dat?" vroeg de meester.

"Nelly Elswater," zei Dik. "Ze woont nog maar enkele dagen naast

ons."

"Zoo. -- Maar Dik, ze gaat niet school, -- en 't is een feest

uitsluitend voor de schoolkinderen. Steek dat geld maar weer in je

zak, jongen, want daar kan ik heusch niet aan beginnen. Op die manier

zouden er nog wel honderd kunnen vragen, of ze meê mogen. Dat kan

niet, hoor."

Dit antwoord was voor Dik een schrikkelijke teleurstelling. Hij keek

den meester smeekend aan, en zei:

"Maar meester, 't is..."

"Neen, neen, Dik," viel de meester hem in de rede, "geef haar dat

geld maar terug; ik kan er werkelijk niet aan beginnen, zeg haar dat

maar."

"Ze weet er niets van, meester," zei Dik droevig, want het speet hem

meer dan erg, dat de meester er niets van hooren wilde. "En 't is

haar geld niet."

"Is dat geld niet van haar, Dik?" vroeg de meester. "Van wien is het

dan?"

"Van mij, meester," zei Dik blozend; hij had het liever voor den

meester niet willen weten. Niemand had er immers mede noodig?

"Van jou? -- Hoe kom je daaraan?" vroeg de meester verwonderd, daar

hij wel wist, dat het geld de familie Trom niet op den rug groeide.

"Meester, ik heb het opgespaard, -- ik heb er drie konijntjes voor

verloot en vanmiddag heb ik er de rest bijverdiend..."

"Ik begrijp er niets van," zei de meester. "Zeg me nu eens kort en

goed, hoe je er toe komt, om zooveel geld voor dat buurkind uit te

geven."

"Ze is blind, m'st'r, en ik heb zoo'n medelijden met haar, en -- enne

-- ze is erg arm, m'st'r, want haar vader is lang erg ziek geweest,

enne -- enne... Vader en Moeder vinden het goed -- van het geld

m'st'r..."

De meester keek Dik aan met een eigenaardige tinteling in zijn oogen

en Dik keek bedroefd naar den grond. Het speet hem zoo, dat de

meester het niet goed vond.

"Ha," dacht de meester in zichzelven, -- "daar heb je Dik weer

op-en-top. Daar spaart hij me weer uit zuiver medelijden met een arm,

blind meisje het geld op, om haar een prettigen dag te bezorgen. 't

Is een wonderlijke jongen! --" En luid liet hij er op volgen:

"Zoo zoo, Dik, is dat meisje arm?"

"Ja m'st'r."

"En blind?"

"Ja m'st'r. Ze is blind geboren."

"En heb jij uit medelijden dat geld voor haar opgespaard."

Dik zei niets, maar knikte.

"En weet ze dat?"

"Neen meester, -- ze weet er niets van, -- niemand weet het, dan

alleen Vader en Moeder..."

"En die vinden het dus goed?"

"Ja m'st'r."

"Hoe oud is dat meisje?"

"Twaalf jaar, m'st'r."

"Zoo Dik. Nu, ik vind het ook goed, hoor. Ze mag meê!"

Dik keek den meester dankbaar aan, en een oogenblik later liep hij op

een draf naar de buren.

"Nelly!" zei hij met een kleur van blijdschap. "Nelly!"

"Wat is er, Dik?" vroeg het meisje.

"Nelly, ik heb een prettige boodschap voor je. Je mag meê met het

schoolfeest. De meester vindt het goed."

Nelly sprong verrast van haar stoel op en kreeg een kleur tot achter

haar ooren van blijdschap.

"O Dik!" riep zij uit, terwijl zij in haar handen klapte. "Mag ik

meê? Wat heerlijk! Wat lief van den meester! Ik wist niet eens, dat

hij me kende. O Dik, wat ben ik blij!"

"Op een dorp kennen de menschen elkander al heel gauw," zei Dik. "De

meester heeft zelf tegen me gezegd, dat je meê mag..."

"Maar het geld, Dik --" zei Nelly opeens, terwijl haar gezicht

betrok.

"Daar heeft de meester niet eens over gesproken!" zei Dik. "Hij heeft

me alleen maar gezegd, dat je meê moogt. Fijn hè? Maar nu ga ik

naar huis, want wij gaan vanavond allemaal naar het paardenspel!

Dag!"

"Dag!" riep Nelly.

En Dik ging naar huis, minstens even blij als het blinde meisje, dat

hij zoo'n groote vreugde had bezorgd. Zijn boterhammen smaakten hem

verrukkelijk, en hij vertelde aan zijn vader en moeder, wat de

meester gezegd had, en hoe blij Nelly was.

En toen ging hij achter de schuur, om zijn beesten te voeren, maar

hij was er pas, of hij hoorde Nelly al aankomen.

"O Dik, wat ben ik blij!" zei ze, terwijl ze de korreltjes graan

rondom zich strooide voor de duifjes, die koerden en op den voerbak

kwamen zitten.

En Nelly kon zich maar niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat de

meester haar kende, en zij zei wel honderdmaal, dat zij hem zoo'n

vriendelijk man vond, omdat hij haar zoo maar voor niets aan het

schoolfeest wilde laten deelnemen, en dat zij morgen, na kerktijd,

als de meester thuis was, met haar vader en moeder naar hem toe zou

gaan, om hem te bedanken voor zijn goedheid.

"Ja ja," zei Dik, -- "dat is wel goed, hoor. Ik vind het ook

vriendelijk van hem."

En hij gaf zijn konijnen een extra portie gras en klaver, omdat hij

het zoo'n buitengewoon hoogen feestdag vond. Toen ging hij naar

binnen om zijn Zondagsche pak aan te trekken, en om ruim half acht

sloot de familie Trom de deur achter zich dicht, om zich naar het

Paardenspel te begeven.

De ingang was schitterend verlicht, en Dik zag, hoe de menschen naar

binnen stroomden. Er heerschte een bijzondere drukte op het dorp en

er was veel gerij, want boeren en boerinnen kwamen met paard en

rijtuig, sommigen zelfs van ver uit den omtrek. De stalknechts van

Café "Goud uit Schuim" hadden haast geen handen genoeg, om allen op

tijd te bedienen, en vele boeren zagen zich verplicht zelf uit te

spannen en hun paarden op stal te zetten.

Aan het loket zag het zwart van de menschen, die plaatskaarten kwamen

koopen, maar daar behoefde Dik zich niet mede te vermoeien.

"'t Is maar gemakkelijk, dat wij onze kaartjes al hebben," zei hij.

"En dat is het," zei Vader Trom.

"Ga jij maar voor, Dik," zei zijn moeder. "Jij weet hier den weg al

zoo'n beetje."

Dat deed Dik, en met behulp van een bediende; wiens taak het was de

toeschouwers hun plaatsen aan te wijzen, had hij al spoedig de bank

gevonden, die voor hem bestemd was.

Jan Vos en Piet van Dril waren er al en wenkten hem al uit de verte

toe, en toen zij nog maar een paar minuten zaten, kwam Anneke

binnenstappen en nam naast vrouw Trom plaats.

"Wat een ruimte, wat een ruimte!" zei vrouw Trom vol bewondering.

"En wat een menschen," zei Trom.

"We zitten hier fijn, hè Dik?" zei Jan Vos, die nog schrikkelijk

dankbaar was voor het kaartje, dat Dik hem bezorgd had.

"Ja," zei Dik, "we zullen het hier prachtig kunnen zien. Kijk, daar

ginds zit de burgemeester -- zie je wel? Dáár, -- vlak vooraan,

beneden..."

"Eerste rang!" zei Piet van Dril.

"En de notaris, en de dokter, en de meester, en de secretaris, en

mijnheer Denappel, --" zei Dik. "Dure plaatsen, zeg."

"Maar wij zitten hier ook best," zei Jan Vos. "Zeg Dik, dat heb ik

aan jou te danken --"

"'t Mocht wat," zei Dik.

[Illustratie]

"Niet?" zei Jan Vos. "Aan jou niet? Aan wien dan, zou ik wel willen

vragen..."

"Aan den aap!" lachte Dik. "Kijk, ze hebben zaagsel op den grond

gestrooid, en zand, anders glijden de paarden uit."

"Wat komen er een menschen hè?" zei Piet. "Ze blijven maar..."

"Bom -- bom -- bom -- tetteretet!" viel de muziek in. De muzikanten

zaten op een verhooging tegenover de jongens.

Moeder Trom schrok er eventjes van, want zij was er heel niet op

verdacht geweest, maar zij vond het prachtig in één woord. Zulke

schetterende muziek had zij nog nooit in haar leven gehoord.

"Zie je daar den doorgang naar de stallen?" vroeg Dik. "Daar komen de

paarden door den circus binnen."

"'k Wou, dat zij maar alvast begonnen," zei Jan. "Wat zitten we hier

fijn, hè? Haast de mooiste plaatsen uit het heele spel, -- om alles

goed te zien, bedoel ik natuurlijk."

't Werd tjokvol in de tent, en tegen acht uur zweeg de muziek.

Toen zwegen ook de menschen, want zij begrepen, dat de vertooning nu

weldra zou beginnen. Ze hoorden eindelijk de torenklok acht slaan.

Even later werden de gordijnen voor den ingang dichtgeschoven, en de

gordijnen, die den toegang tot de stallen afsloten, geopend.

Op dat oogenblik heerschte er een ademlooze stilte in de tent. De

verwachting was hoog gespannen.

Ha, -- daar kwam wat.

Een rijknecht, keurig gekleed, leidde een prachtig raspaard den

circus binnen. In het midden bleef hij staan.

Toen verschenen er nog twaalf rijknechts, die zich aan den ingang in

twee rijen schaarden. 't Scheen wel een eerewacht, dacht Dik.

En dat had hij nog zoo ver niet mis, want nauwelijks hadden zij hun

plaatsen ingenomen, of de beroemde Directeur Mr. Sänger trad

tusschen hen door tot in het midden van den circus.

Hij was geheel in het zwart gekleed, met een laag uitgesneden vest.

Hij nam zijn hoogen hoed in de hand en boog naar verschillende kanten

voor het publiek, dat hem met handgeklap begroette.

[Illustratie: "En alle menschen op de brug lachten, en zij wezen

elkander Dik aan, die daar zoo hoog en vroolijk bijna op den kop van

het logge dier zat en zoo den optocht door het dorp ging medemaken.

Dik keek triomfantelijk van af zijn hoogen en zeldzamen zetel op de

lachende menigte neer, en hij wuifde den menschen links en rechts

toe, zooals de Koningin doet, als zij in de een of andere stad haar

feestelijken intocht houdt. (Bladz. 181.)"]

"Zie je dien gouden horloge-ketting?" vroeg Jan Vos zacht. "Wat zal

die man rijk zijn."

Maar Jan en Piet antwoordden niet. Al hun aandacht was bij den

Directeur, die zijn hoed weer opzette en met behulp van zijn

rijknecht het mooie paard besteeg.

Op een kleinen wenk met zijn rijzweep viel de muziek in, en op de

maat daarvan reed de Directeur den circus rond. Het paard brieschte

vroolijk en scheen wel te dansen, zoo licht en sierlijk waren zijn

bewegingen.

"Zoo kan jij het ook wel, Dik," zei Jan Vos. "Daar is niets kunstigs

aan."

"Ja," zei Dik. -- "Maar zóó niet! Kijk eens, het paard loopt op

drie pooten! Zijn rechtervoorpoot houdt het gebogen in de hoogte.

Prachtig, hè? Hoe is het mogelijk, dat zoo'n beest het leert!"

Dik keek zijn oogen uit.

Er klonk een daverend applaus, en de Directeur boog. Toen, op zijn

bevel, zette het dier zijn rechtervoorpoot neer, en hief het

linkervoorbeen op. Weer liep hij op de maat der muziek den circus

rond.

"Dat is pas rijden, hè!" zei Dik vol bewondering. "Daar loopt hij

met zijn achterbeen in de hoogte," zei Jan Vos.

En even later zagen zij, dat hij zijn vierden poot opgeheven had.

Met een vlugge beweging sprong de directeur van het paard en nam

buigend het applaus van de toeschouwers in ontvangst. De rijknecht

greep het paard bij de teugels en voerde het naar de stallen terug.

Een tweede rijknecht reikte den Directeur een lange zweep aan en nam

het korte rijzweepje van hem over. Alle twaalf rijknechten maakten

zich schielijk uit de voeten, en onder donderend hoefgetrappel renden

acht prachtige paarden, zonder teugels of zadel, achter elkander

binnen. De Directeur klapte met zijn lange zweep, en toen renden de

dieren in vliegenden galop achter elkander den circus rond. De grond

dreunde onder hun hoefslagen.

Dik zat in stomme verbazing het prachtige schouwspel aan te zien.

Weer klapte de zweep, en als met een tooverslag hielden de beesten

halt, keerden zich om, en renden weer in tegengestelde richting

voort, de koppen fier opgeheven en met golvende manen.

"Dat is schitterend, -- schitterend!" mompelde Dik in verrukking.

De Directeur liet de fiere beesten, enkel door met zijn zweep te

klappen, in verschillende richting rennen, nu eens dezen kant, dan

weer dien kant op, soms achter elkander, dan weer twee aan twee, of

vier aan vier. Zij gehoorzaamden den Directeur op zijn wenken.

Hij hief zijn zweep op, en plotseling kwamen zij naast elkander voor

hem te staan, en op zijn bevel bogen zij de voorpooten en knielden

voor hem neer.

Het applaus was niet van de lucht, en de Directeur moest

herhaaldelijk buigen.

Eindelijk hief hij zijn zweep op, en liet haar driemaal knallen, en

opeens verhieven de schoone beesten zich op de achterpooten. 't Was

een schitterend staaltje van dressuur.

Daarna klapte hij met zijn zweep, en in vliegenden galop renden de

dieren nogmaals achter elkander den circus rond en verdwenen onder

daverend hoefgetrappel in de stallen. -- De menschen waren verrukt!

Dik vond het haast een sprookje. Hij had nooit kunnen denken, dat er

zoo iets moois op de wereld bestond, en hij wilde juist met Jan en

Piet een praatje beginnen over hetgeen hij gezien had, toen er al

weer wat anders kwam.

[Illustratie]

Van uit de stallen werd het luide geschreeuw van een man gehoord en

bijna op hetzelfde oogenblik draafde een oud, armoedig vrouwtje de

tent binnen, met een hoofdstel aan en een bit in haar mond, en Dik

zag tot zijn diepe verontwaardiging, dat er een groote, zware clown

op haar rug zat, die ruw aan de teugels rukte en 't oude mensch met

zijn rijzweep en door een luidruchtig geschreeuw onbarmhartig

voortjoeg. De stumper zag vuurrood van inspanning, en huppelde en

draafde als een jong renpaard, maar het ging den afschuwelijker clown

nog lang niet hard genoeg. Hij sloeg het schepsel, dat zich blijkbaar

bovenmatig inspande, onbarmhartig met zijn rijzweep tegen de beenen

en soms zelfs met zijn groote vuist op haar hoofd.

De menschen werden er eerst stil van, maar sommigen begonnen er al

spoedig om te lachen, ja zelfs te schateren.

Dik kon zich dat onmogelijk begrijpen. Hij vond er niets moois aan,

integendeel, 't maakte een vreeselijk pijnlijken indruk op hem.

Ach zie, de oude stumper kon al spoedig haast niet meer, zij

struikelde en strompelde door den circus en dreigde herhaaldelijk te

vallen.

't Was duidelijk, dat zij bijna bezweek onder den zwaren last, dien

zij te torsen had. Maar de clown had geen medelijden met haar. Hij

rukte haar hoofd door middel van de teugels ruw weer wat omhoog en

sloeg haar eindelijk zoo erg, dat Dik het niet langer kon aanzien.

Zijn wangen waren doodsbleek van verontwaardiging, zijn neusvleugels

trilden, zijn oogen fonkelden. "Afschuwelijk!" mompelde hij, en hij

balde zijn vuisten.

De handelingen van den ruwen clown werden nog wreeder.

Toen richtte Dik zich op van zijn bank, stak zijn vuist dreigend naar

den clown uit, en riep hem in de hevigste verontwaardiging toe:

"Monster, -- wreedaard, -- wil je nu ophouden met die vrouw te

mishandelen! 't Is een schande!"

Het vrouwtje stond stil; zij kòn blijkbaar niet meer.

En de clown keek Dik met een spottend gezicht aan en begon de vrouw

vreeselijk te mishandelen. Ook de menschen keken lachend naar Dik,

die tusschen de toeschouwers door van bank op bank naar beneden

stapte en....

[Illustratie]

Plotseling bleef hij staan, want het gelach van de menschen klonk

daverend door de tent. En toen zag Dik, dat de wreede clown het hoofd

van de oude stumper met twee handen aangreep en in stukken scheurde.

Hij rukte haar de muts van het hoofd en wierp die naar Dik, -- en

haar wangen vielen los op den grond, en toen -- toen bleef er niets

anders over, dan een bos stroo, die de clown van zich af rukte, en

lachend boog hij naar alle kanten om te bedanken voor het applaus.

Dik begreep, dat hij een tamelijk dwaas figuur had gemaakt, en hij

klauterde zoo gauw mogelijk weer naar zijn plaats terug, waar Piet en

Jan bijna van de bank vielen van het lachen. En toen lachte Dik

smakelijk mede, wat nog wel het beste was, dat hij doen kon.

Alle menschen zaten lachend naar hem te kijken, maar dat duurde niet

lang, want er kwam een dame te paard binnenrijden, die allerlei

toeren ging verrichten en daardoor ieders aandacht in beslag nam.

Eerst zat zij op het paard, en reed in galop den circus rond, maar

toen sprong zij opeens op den zadel en ging staande rijden. Ook ging

zij op één been staan, en sprong zelfs touwtje op den rug van het

paard.

[Illustratie]

Dik, die voor het eerst van zijn leven in een paardenspel was en dus

dergelijke kunstverrichtingen nog nooit gezien had, vond alles even

buitengewoon, en hij was opgetogen, toen de dame zelfs door een met

papier beplakten hoepel sprong, die door twee rijknechts in de hoogte

gehouden werd, en toch weer zonder missen op het paard terecht kwam.

Eindelijk sprong zij zelfs over een breede vlag heen, waar het paard

onderdoor rende. 't Was prachtig, vond Dik.

En nauwelijks was de dame den circus uitgereden, of er rolden drie

clowns binnen, die wel hoepels geleken.

Zij rolden vooruit en achteruit en tegen elkander aan, dat het een

lust was om te zien, en een poosje later klom de een op de schouders

van den ander en stak zijn beenen kaarsrecht in de hoogte, en toen

klom de derde tegen hem op en ging op de beenen van no. 2 staan. Maar

plotseling liep de onderste weg, zoodat de twee anderen hun steunpunt

verloren en toen smakten zij tegen den grond en rolden als hoepels de

tent uit.

Dik zat te schudden van 't lachen en Jan en Piet niet minder. Zulke

malle dingen hadden zij nog nooit gezien!

Zoo volgde het eene nummer op het andere, en eindelijk werd het

laatste nummer vóór de pauze afgespeeld.

Er kwam een vrouwelijke Roodhuid de tent binnenwandelen. Zij had

groote veeren op haar hoofd en een klein meisje aan haar hand.

Het tweetal wandelde kalm door den circus heen en weer en ging

eindelijk in het midden daarvan op den grond zitten, de vrouw met

haar rug tegen den hoogen paal. Zij trok het kind op haar schoot en

speelde er mede, en zij scheen ontzaglijk veel van het meisje te

houden, want zij drukte het zoo stevig aan haar borst, of zij het

dood wilde drukken, en kuste het zoo vurig, dat het haast stikte.

Zij had er geen erg in, dat een man met een paard aan den teugel den

circus kwam binnensluipen. Hij had een dolk in zijn hand en liet zijn

oogen op afschuwelijke wijze draaien en rollen, zoodat herhaaldelijk

alleen het wit er van te zien was.

"Dat is een schurk!" zei Dik tegen Jan en Piet.

"Zie je die oogen?" vroeg Jan.

"Neen," zei Dik, "alleen het wit maar."

De menschen in de tent geraakten in spanning.

Wat ging die schurk doen?

Hij liet zijn paard los en sloop naar de moeder en haar kind, hij

liet zijn dolk flikkeren in het licht van de lampen. Zijn oogen

draaiden en rolden erger dan ooit.

"Ha," -- zei Dik, "ik geef geen dubbeltje meer voor haar leven..."

[Illustratie]

"Ik geen cent," zei Piet van Dril. Opeens wierp de schurk zich op de

niets kwaads vermoedende vrouw. De dolk werd opgeheven, daalde neer,

-- en een allerijselijkste kreet drong den toeschouwers door merg en

been.

"Moet je haar niet helpen, Dik?" vroeg Piet van Dril met een lachje.

"Doe jij het!" zei Dik.

De schurk greep het kind in zijn armen, klom op zijn paard, en rende

spoorslags den circus in.

De vrouw lag stuiptrekkend op den grond.

Maar zie, de wrekende gerechtigheid waakte.

De man van de stervende roode vrouw reed pijlsnel binnen. Een lasso

hing aan zijn zadel.

[Illustratie]

Hij zag zijn vrouw op den grond liggen en bemerkte, hoe de schurk met

zijn kind wegrende.

Spoorslags reed hij hem na. 't Werd een wedren, die alle zenuwen der

toeschouwers spande. 't Was Dik onmogelijk, om te blijven zitten. Hij

stond overeind...

"Sa, sa!" riep hij den Roodhuid toe. "Grijp hem -- grijp hem!"

De Roodhuid maakte zijn lasso los, en zwaaide er mede hoven zijn

hoofd.

"Ooah! Ooah!" klonk het krijschend van zijn lippen, en op hetzelfde

oogenblik doorkliefde zijn lasso de lucht, en kwam om den nek van het

paard van den schurk terecht. Men zag, hoe de strik aantrok, hoe de

bewegingen van het paard verflauwden, hoe het eindelijk niet meer

voortkon en op de knieën nederstortte.

Toen trok de schurk een revolver, maar de Roodhuid deed evenzoo en

schoot hem dood. Hij bracht zijn kind naar de moeder, die niet dood

bleek te zijn, en...

Toen sprongen er wel zes clowns naar binnen, die onder een ijselijk

misbaar de Roodhuiden uit den circus leidden en het paard van den

strik verlosten en den schurk met een fietspomp nieuwen adem

inbliezen, zoodat hij weldra weer loopen kon en den circus verliet.

Dik Trom en zijn Dorpsgenooten · 第 22 / 28 题