"No Sir!"
De clown vond de antwoorden van Dik zoo dwaas, dat hij bijna omviel
van 't lachen, en hij zei opeens in goed Hollandsch:
"Jij bent een grappige snuiter, hoor! Ha, ha, ha, ha, wat een rare,
dikke jongen ben jij! Je kent wel Engelsch hé, maar je kunt me niet
verstaan! Ha, ha, ha, ha! -- Maar zeg eens, is die aap van jou?"
"Ja," zei Dik. "Dat is mijn aap."
"Wil je hem verkoopen?" vroeg de clown. "Als je hem mij geeft, dan
krijg je een vrijkaart voor vanavond, om de voorstelling bij te
wonen!"
"Ha, ha," dacht Dik, "dus dan kom ik er toch in."
"Doen, Dik," zei Piet fluisterend met een elleboogstoot in Dik's rug.
"Dan gaan we samen."
"Neen," zei Dik tot den clown. "Voor een vrijkaartje geef ik den aap
niet. Dat is me te weinig."
"Voor den eersten rang," zei de clown, die nog eens naar den aap had
gekeken en hem blijkbaar graag wilde hebben.
"Daar geef ik niet om. De derde rang is mij even goed als de eerste.
Ik behoef nu juist niet naast den burgemeester te zitten."
De jongens om hem heen lachten, en de clown ook.
"Goed," zei deze, "dan geef ik je twee kaartjes derden rang, en dan
is je aap dubbel en dwars betaald. Nu, graag of niet?"
"Niet graag!" lachte Dik.
"Dan ga ik maar naar binnen." Lachend nam hij zich weer de muts van
het hoofd, stak Dik de hand toe, maakte nogmaals een diepe buiging,
en zei: