De vrek hield een klein stukje brood in de hoogte, en, gedreven door
den honger, gehoorzaamde Kees onmiddellijk. Hij buitelde wel driemaal
over den kop, tot groote pret van Mulder, die altijd alleen in huis
was en wel schik begon te krijgen in zijn nieuwen huisgenoot.
Spoedig was het sneetje brood in de maag van Kees verdwenen, want het
was maar een dun sneetje geweest en Mulder had het laatste stukje nog
zelf opgegeten.
Toen besloot Mulder het te wagen, den aap los te maken, om hem in den
tuin te brengen. Maar eerst haalde hij een lang stuk touw uit zijn
huis, want hij wilde den aap aan een boom in den tuin vastbinden en
hem zooveel vrijheid geven, als maar mogelijk was. Kees moest een
groot veld kunnen bestrijken, om des te beter in de gelegenheid te
wezen, de jongens te bespringen.
Hij kwam in het schuurtje terug en hield een noot in de hoogte.
"Over den kop! Over den kop!" gebood hij.
Nauwelijks had Kees de lekkernij gezien, waarop de baas hem
trakteeren zou, of hij buitelde wel tienmaal achter elkander over den
vloer rond, tot groot genoegen van Mulder.
Deze raapte al zijn moed bijeen en liep naar den kram, waaraan Kees
vastgebonden was. Zijn grootste vrees was wel voorbij, maar hij
volgde toch met Argusoogen al de bewegingen van den aap, dien hij
niet verder vertrouwde, dan hij hem zag.
Kees vond het flauw, dat hij de noot niet kreeg, Mulder had haar weer
in zijn zak gestoken. De gierigaard boog zich voorover, om het touw
los te knoopen, en haast was hij er mede klaar, toen de aap hem
plotseling met een grooten sprong op zijn rug terecht kwam.
"O, -- hè, -- o, -- hemel!" schreeuwde de vrek, terwijl hij van
schrik en door den schok vierkant tegen den grond sloeg.
Alle kleur was van zijn gelaat geweken. Hij zag doodsbleek en beefde
over al zijn leden.
Maar toen hij bemerkte, dat de aap hem geen kwaad deed, kroop hij
schielijk overeind en stak hem, om hem nog vriendelijker te stemmen,
haastig de noot toe. Hij maakte vlug het touw verder los en knoopte
het andere er aan vast. Toen spoedde hij zich naar buiten, nog over
al zijn leden bevende van den doorgestanen schrik, maar toch min of
meer blij, dat de aap hem geen kwaad deed en hem blijkbaar reeds als
zijn meester beschouwde. Hij vond het wel ontzettend angstig maar
toch ook wel aardig, dat de aap rustig op zijn schouder bleef zitten
en met smaak zijn nootje oppeuzelde.
Mulder liep den boomgaard in en bond het touw heel ruim om den
boomstam vast, zoodat het meêdraaide, als de aap om den boom heen
liep. En het touw was nu zoo lang, dat Kees de aardbei-planten en de
frambozenstruiken volkomen beheerschte.
Mulder grinnikte van pleizier.
"Zie zoo," mompelde hij. "Laat de dieven nu maar komen, als het
donker is. Ik zou het wel eens graag willen zien, dat die aap hun op
den nek vloog, -- om je ziek te lachen! Hij krabt hun de oogen uit!"
Kees zat nog altijd op zijn schouder.
"Allo, Kees, er af! Allo!" riep hij den aap toe.
Maar Kees bleef zitten, en Mulder durfde nog niet aan het touw te
trekken.
"Allo Kees! Er af! Allo!" riep hij nogmaals, met het eenige gevolg,
dat Kees moeite deed, om hem op zijn hoofd te klauteren, tot grooten
schrik alweer van Mulder.
Deze haalde met een zucht de andere noot uit zijn zak, want hij had
haar voor zichzelven willen bewaren, omdat hij één noot ten slotte
voor Kees al voldoende had gevonden, en wierp haar den tuin in.
In een wip had Kees zijn hooge zitplaats verlaten en de noot
bemachtigd. Met zeldzame vlugheid klauterde hij den hoogen boom in en
ging haar op den hoogsten tak zitten opeten.
Mulder maakte zich haastig uit de voeten, uit vrees, dat Kees anders
opnieuw op zijn rug zou springen.
"Zie zoo," mompelde hij, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef,
"dat is tot zoover in orde. Maar nu ga ik ook Flipsen nog
waarschuwen. Ik zal het die kwajongens nu ééns en voor altijd
afleeren."
Hij deed zijn huisdeur zorgvuldig op slot, want hij was altijd bang,
dat de dieven tijdens zijn afwezigheid met zijn lieve geldje aan den
haal zouden gaan, en liep het dorp in, naar het huis van den
veldwachter.
Flipsen zat met zijn vrouw op de bank een pijpje te rooken. Zijn
vrouw zat naast hem.
"Daar komt die vervelende Mulder aan. Die kerel heeft altijd wat te
zaniken," mompelde hij. "Ik hoop niet, dat hij hier moet wezen."
Zijn vrouw keek van haar naaiwerk op.
"Ja wel," zei ze, "hij draait op het hekje af. Zie je wel, daar komt
hij."
Mulder liep het voortuintje in.
"Goeden avond samen," zei hij. "Wel, hoe gaat het?"
Flipsen schoof een eindje op, om een plaatsje voor Mulder vrij te
maken, en zei:
"Ook goeden avond, Mulder. Ga zitten. Moest je me spreken?"
"Ja," zei Mulder, "dat moest ik. Mooi weêrtje, hè, van-avond."
"Mooi weertje," zei Flipsen. "En wat had je?"
"Wel, dat zal ik je zeggen, man. Ik was een uurtje geleden achter in
mijn tuin, je weet wel, dicht bij de Vaart..."
"Jawel," zei Flipsen.
"En daar waren de dorpsjongens aan het zwemmen."
"Ha zoo, en wie al zoo?"
"Och, die jongens van Jansen, en Piet van Dril en Dik Trom..."
"Natuurlijk, -- Dik Trom ook. En toen?"
"Wel," vervolgde Mulder, "de jongens konden mij niet zien, want er
groeit aardig wat kreupelhout achter in mijn tuin, en toen hoorde ik
hen afspreken, om vanavond eens goed achter mijn aardbeien en
frambozen heen te zitten. Ze wilden het eerst al dadelijk doen, maar
die Dik Trom vond, dat het eerst goed donker moest worden en dat het
nog te vroeg was. En toen zijn ze slootje gaan springen, want Dik
Trom had een polsstok bij zich, en ze spraken af, om terug te komen,
als het goed donker geworden was. En daarom kom ik je waarschuwen,
zie je...."
[Illustratie: Flipsen zat met zijn vrouw op de bank een pijpje te
rooken. (Bladz. 96)]
"Zoo, -- 't zijn toch _mijn_ aardbeien en frambozen niet," bromde
Flipsen, die juist van plan geweest was, dien avond eens rustig thuis
te blijven.
"Neen," zei Mulder, "'t zijn de mijne..."
"Pas er dan zelf op!" bromde Flipsen.
"Och, als je er geen zin in hebt, dan moet je 't maar zeggen,
Flipsen. Dan ga ik even naar den burgemeester, om te vragen, of hij
niet een ander mannetje heeft, om op de dieven te passen."
"Ik zeg niet, dat ik niet wil," bromde Flipsen, die niet graag zou
zien, dat Mulder aan zijn plan gevolg gaf. Wat moest de burgemeester
dan wel van hem denken? "Ik zeg niet, dat ik niet wil," herhaalde
hij, en hij liet er op volgen: "Maar je moet niet denken, dat het
zoo'n hapje is om den heelen avond in je tuin te zitten. Zoo is er
altijd wat, en nooit kan ik eens een avondje rustig thuis blijven en
mijn pijpje rooken. Ik ben ook een mensch, Mulder."
"Wel man, doe het dan niet, zeg ik je immers. Ik wil met alle
pleizier aan den burgemeester gaan vragen, of hij niet een ander
mannetje voor me heeft...."
"'t Zou me een mooie boodschap wezen," bromde Flipsen nijdig. "Ik zal
komen, hoor Mulder, dat beloof ik je, en ik zal mijn gummi-stok
meebrengen. Wee den kwajongen, die mij in handen valt. Hij zal er
ongenadig van lusten. Dat gezanik! Geen avond heb ik vrij!" Hij
klopte zijn pijp zoo nijdig uit, dat zij in tweeën brak.
"Zoo, dat ook nog! Mijn mooie doorrooker in gruzels!" bromde hij
"Dat is dan afgesproken," zei Mulder. "Ja, dat is goed: breng je
gummi-stok maar meê dan zullen die kwajongens hun streken wel
afleeren. Goeden-avond samen."
"Dag Mulder," zei vrouw Flipsen.
Maar Flipsen zei niets. Hij was nijdig op Mulder, en nog nijdiger op
Dik Trom en de andere jongens, die hem van zijn vrijen avond
beroofden.
Hij nam zich voor hen geducht onder handen te nemen. 't Moest nu maar
eens voor goed uit zijn met die pret.
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Zevende Hoofdstuk.
De vrek, de gummi-stok, de aap en de veldwachter.
Mulder keerde naar huis terug. Hij was bijzonder in zijn nopjes, wat
hem duidelijk aan te zien was, want af en toe grinnikte hij van
pleizier en herhaaldelijk liep hij binnensmonds te prevelen. Ja, een
paar maal wreef hij zich vergenoegd de handen.
"Hè -- hè -- hè -- hè, -- wat was hij nijdig, die Flipsen," zei
hij. "Hij wou zoo graag eens een avondje rustig thuis zijn pijpje
rooken, zei hij, -- maar dat is niet noodig. Een veldwachter hoeft
geen pijpjes bij zijn vrouw te zitten rooken, hij moet op de dieven
passen, zeg ik maar. Wat drommel, daar wordt hij immers voor betaald,
daar betaal ik toch ook mijn lieve belastingcentjes voor. En dan
pijpjes zitten rooken, -- jawel, we zullen hem pijpjes laten rooken.
Hij had er geen zin in, dat was duidelijk, maar -- hè -- hè -- hè
-- hè, -- wat veranderde hij gauw toen ik zei, dat ik dan even naar
den burgemeester zou gaan en om een ander mannetje vragen zou, die
geen pijpjes wil zitten rooken.
Hè -- hè -- hè -- hè! -- En nijdig, -- goed, laat hem nijdig
wezen. Hoe nijdiger, hoe liever, -- des te harder slaat hij er op,
als hij zoo'n kwajongen te pakken krijgt. Ha, ik hoor hen al
schreeuwen!"
Mulder wreef weer in zijn handen van pleizier.
"En hij zal zijn gummi-stok meebrengen," prevelde hij. "Net goed!
Zoo'n gummistok slaat ze de beenderen haast stuk, heb ik wel eens
hooren zeggen. Net goed! Voor mijn part slaat hij ze dood, dien Dik
Trom in de eerste plaats. Ja ja, als hij er één te pakken krijgt,
hoop ik, dat het die Dik Trom is en dat hij hem dan met dien
gummi-stok een pak ransel geeft, dat hij niet meer loopen kan. Hè --
hè -- hè, en dat hij, als hij kruipende van tusschen de
frambozenstruiken weggaat, -- dat dan Kees hem nog op zijn nek
springt en hem de ooren van het hoofd afbijt. Hè -- hè -- hè --
hè, -- ik gooi mijn geld niet weg, maar het zou me toch nog wel een
kwartje waard zijn, om dàt te zien. -- Kijk, het begint al mooi
donker te worden, en over een half uurtje kunnen de kwajongens hun
gang gaan. Als Flipsen er dan maar is, laat de lieverdjes dan maar
komen. Of verbeeld je nu eens, dat Flipsen in het geheel niet kwam,
-- maar dàt zou ik hem betaald zetten, hoor, dat zou ik hem betaald
zetten!"
Mulder had zijn huisje bereikt en liep den boomgaard in om nog even
naar Kees te gaan kijken.
"Kees! Kees! Waar ben je?" riep hij.
Ha, Kees zat nog op dezelfde plaats ongeveer, -- boven in den boom.
Hij keek even naar Mulder en nam verder geen notitie van hem.
"Kees! Kees! Kom hier! Kom bij den baas!" riep Mulder. En grinnikend
om zijn eigen aardigheid, liet hij er op volgen:
"Kom hier, Kees, dan krijg je geen nootje, -- hè -- hè -- hè --
hè!"
Maar Kees kwam niet.
[Illustratie]
"De baas lust ze zelf wel, Kees!" zei Mulder. -- "Kom hier, Kees! Wil
je wel eens komen!"
Hij greep het touw en rukte er aan met al zijn kracht.
Toen zag Mulder, waarom Kees hem niet gehoorzaamde.
Het touw zat boven in den boom om een paar takken vastgedraaid en
Kees had alle vrijheid van beweging verloren.
Hij kon naar boven, noch naar beneden.
"Zoo, dat is mooi slim van me geweest. Ik had hem niet aan een boom
moeten vastbinden, maar aan den kalen paal, die daar ginds staat; dan
had het touw niet in de takken verward kunnen raken. Hoe krijg ik dat
mormel nu naar beneden? Ik bedank er voor, om in den boom te klimmen.
Die aap zou me naar mijn keel kunnen vliegen en mij den strot
afbijten. Dank je! Hu, -- verbeeld je eens, dat dàt gebeurde! Weet
je wat, als Flipsen straks komt, zal ik het hèm laten doen. Flipsen
weet niet, dat het zoo'n kwaadaardig monster is. Als hij dat wist,
deed hij het vast en zeker niet. -- Maar neen, Flipsen zal er tòch
wel voor bedanken. Hij is op 't oogenblik veel te nijdig en zal
zeggen, dat hij als veldwachter wel verplicht is, om op de dieven te
passen, maar niet, om een kwaadaardigen aap boven uit een boom te
halen. -- Enfin, Kees moet er dan vannacht maar blijven zitten, dan
zullen we morgen wel zien, wat er aan te doen is. Desnoods schiet ik
hem dood. -- Gelukkig, dat ik Flipsen gewaarschuwd heb. Die kan het
zaakje met zijn gummi-stok trouwens best alleen opknappen, -- zonder
dien aap."
Mulder begaf zich naar zijn huisje. Hij ontsloot de deur en stapte
binnen, maar hij deed er den grendel weer op, want 's avonds had hij
zijn deur altijd op slot.
Toen stak hij de lamp op.
"'t Is zonde van de olie," mompelde de vrek. "Maar de jongens moeten
kunnen zien, dat ik in huis ben, en daaruit opmaken, dat zij vrij
spel hebben."
Hij deed de luiken voor het raam, maar in elk luik was een opening
gezaagd in den vorm van een hart. Door die openingen boven in de
luiken drong het licht van de lamp naar buiten.
"Zie zoo, alles is klaar," mompelde de vrek. "Nu eerst een stukje
brood eten en dan maar rustig afwachten, wat er gebeuren zal."
Hij sneed zich een paar dunne boterhammen en smeerde er spaarzaam wat
boter op, maar eigenlijk vond hij dat toch zonde van de kostelijke
boter. Daarom schraapte hij er die met zijn mes zoo goed mogelijk
weer af.
"Overdaad is niet noodig!" mompelde de vrek, terwijl hij de boter
weer in het oude, gebarsten vlootje deed. "Er zit zoo genoeg op." --
Hij had honger en beet gretig in zijn brood.
"'t Is niet te veel, -- maar te veel schaadt en is nadeelig voor de
gezondheid," dacht hij. "'t Is niet nodig, dat ik dik en vet word, Je
hebt er maar last van. Jammer toch wel, dat Kees in den boom gevangen
zit. Ik had er me zooveel genoegen van voorgesteld, als hij die
jongens het vleesch van de beenen scheurde."
[Illustratie]
Mulder wist op dit oogenblik niet, dat Kees al niet meer in den boom
zat. Toen hij bemerkte, dat hij in zijn eigen touw verward geraakt
was en al zijn rukken en sjorren hem de vrijheid niet terug gaf, had
hij met zijn beide handen het touw aangegrepen en aan zijn mond
gebracht. Met zijn sterke tanden had hij het spoedig doorgebeten, en
toen was hij dood op zijn gemak den boom uitgeklauterd en den tuin
ingewandeld. Een klein stukje touw, niet veel meer dan een halsband,
was er maar van overgeschoten. De rest zat nog in en om de takken van
den boom.
Kees snuffelde den heelen tuin door om te zien, of er niets van zijn
gading was en hij hield zonder eenig gewetensbezwaar geducht huis
onder de vruchten van zijn baas. 't Speet hem wel, dat hij nergens
noten kon vinden, maar de andere vruchten versmaadde hij geenszins.
Hij at er zijn buikje rond en dik van, ging toen, niet ver van de
aardbei- en frambozebedden in een boom zitten, goed verscholen
tusschen het dichte loover, zoodat hij zoo goed als onzichtbaar was,
kneep zijn oogen dicht en viel in slaap.
Maar dat alles wist Mulder niet. Deze zocht de kruimeltjes brood op,
die op de tafel gevallen waren en at ze op. Toen keek hij hongerig
naar de kast, want hij had nog lang niet genoeg.
"Zou ik nog een dun, -- dun sneetje nemen?" mompelde hij begeerig, en
hij likte zijn dunne lippen.
Hij stond op en ging naar de kast.
Ja, daar lag het brood.
Hij strekte de handen uit, -- maar plotseling trok hij ze terug,
wierp de deur dicht en ging op zijn stoel bij de tafel zitten.
"Neen," mompelde hij: "Niet doen, -- 'k heb genoeg gegeten. Waarom
zou ik..."
"Tik -- tik -- tik!" klonk het tegen de ruiten.
"Hè -- ho -- hu! Wat is dat!" mompelde de vrek verschrikt.
"Ben je daar, Mulder?" klonk een gedempte stem.
"Geen antwoord geven!" prevelde Mulder. "'t Kon wel een dief wezen."
"Tik -- tik -- tik!" klonk het nogmaals. "Ben je daar, Mulder?"
Ha, 't was de stem van Flipsen; Mulder herkende haar duidelijk.
"Ja, -- wie daar?" riep hij.
"Ik ben het, ik, Flipsen!" werd er geroepen. "'k Wil je maar even
zeggen, dat ik er bèn!"
"Ha ja -- juist, ja ja -- dat is goed, Flipsen. -- En -- enne -- en
heb je den gummi-stok meêgebracht?"
"Laat dat maar aan mij over!" bromde Flipsen. "Als ik er een in
handen krijg, zal hij zijn besten dag niet hebben, -- dat beloof ik
hem."
"Goed zoo -- hè -- hè -- hè!" grinnikte Mulder. "Ga je gang maar!
Hoe harder hoe liever!"
Flipsen verwijderde zich van het raam en verschool zich ergens
tusschen het geboomte, dicht bij de aardbeiën en frambozen. En
Mulder zat met open ooren te luisteren, of er nog geen angstgeschrei
van een of anderen kwajongen tot hem doordrong.
"Ik ben nieuwsgierig, wien van hen hij te pakken zal krijgen," dacht
Mulder.
"Allemaal tegelijk, -- neen, dat zal niet gaan. Enfin, als hij er
maar ééntje goed zijn portie geeft, dan zal de schrik er bij de
anderen ook wel in komen. Ik hoop maar, dat het die Dik Trom is." --
Hij hield zijn blik op de klok gericht. De groote wijzer ging
langzaam, maar zeker verder.
En Mulder hoorde nog maar niet het angstgeschrei van den een of
anderen jongen, tot zijn grooten spijt.
Dat kon trouwens ook niet, want de jongens waren nog diep in het land
aan het polsstokspringen. Zij amuseerden zich kostelijk, want Jan van
Bakel had zijn sprong te kort genomen en dientengevolge twee natte
voeten opgeloopen, en Arie Klaro was zijdelings in de sloot terecht
gekomen, waardoor zijn linkerarm, linkerdij en linkerbeen een frisch
bad hadden ondergaan. Hij zag er wel een beetje tegenop om thuis te
komen, maar alle anderen hadden groote pret. En de een durfde nog
meer te wagen dan de ander, hoewel het al erg donker geworden was.
"Durf jij hier over dezen hoek te springen, Dik?" vroeg Jan Vos op
een plek, waar twee slooten elkander onder een rechten hoek
ontmoetten.
"Wel ja, waarom niet?" zei Dik. "Geef den stok maar hier. Maar jullie
moeten het mij nadoen, hoor!"
[Illustratie]
Dik spuugde in zijn handen, wat hij altijd deed, als de zaken kritiek
werden, trok de klep van zijn pet diep in zijn nek, boog een paar
maal achter- en voorover, en nam toen zijn sprong.
Ha, 't scheelde maar een haartje, of hij was er toch.
"Wat zeg je daarvan?" riep hij een beetje trotsch den anderen toe.
Hij wierp den stok over en vervolgde:
"Nu jij, Jan Vos! 't Is jouw beurt."
"Jongen, jongen," zei Jan weifelend, terwijl hij zich achter zijn oor
krabde.
"'t is zoo'n sprong! Zou ik het wel wagen?"
"Ha ha, Jantje is bang!" tergde Dik.
"Kom Jan, durf je niet?"
"Laat mij maar eerst!" riep Piet van Dril, terwijl hij Jan den stok
uit de handen nam. "Ik durf wèl! Wat Dik kan, kan ik ook."
"Houd je goed, Piet," zei Dik. "Neem je sprong niet te kort, want de
onderkant is hier slap, hoor. Je zakt er in weg."
"Hoepla, daar gaat hij!" riep Piet.
En met een prachtigen sprong kwam hij aan den overkant terecht.
"Goed gedaan, Piet!" zei Dik. "Nu jij, Jan Vos!"
"Maar ik ga naar huis," riep een van de jongens.
"Kijk eens, hoe donker het al wordt. 'k Wed, dat het al aardig laat
is."
"Dan ga ik meê," riepen een paar anderen. "Ik mag zoo erg laat niet
thuiskomen."
"Ik ga ook naar huis," zei Jan Vos, die niet veel lust had op den
laten avond nog een nat pak te halen.
"Jantje durft niet!" zei Dik.
"Neen, Jantje durft niet!" zei ook Piet.
"Dàt zal ik je laten zien," zei Jan Vos, die de spotternij van zijn
twee vrienden niet langer wilde aanhooren.
Piet wierp hem den stok toe, en Jan nam hem stevig tusschen zijn
beide handen.
"Dáár dan!" riep hij. "Een -- twee -- drie!"
Hij nam zijn sprong, en kwam triomfantelijk tusschen Dik en Piet aan
den overkant.
"Zie je wel, dat ik durf!" riep hij hun toe.
"Of je durft," zei Dik. "Maar dat wist ik ook wel. Kijk, de anderen
gaan naar huis. 't Wordt onze tijd langzamerhand ook, hè?"
"Ja, laten we gaan," zei Piet.
De drie jongens sprongen over een smaller gedeelte terug, waar zij
geen gevaar hadden om in de sloot terecht te komen. Dik wierp den
polsstok over zijn schouder, floot aan Kolos, die op eenigen afstand
een rattenhol openkrabde, en toen sloegen ook zij den weg naar huis
in.
Mulder zat intusschen nog trouw te wachten en met opengesperde ooren
te luisteren, maar nog altijd was er geen angstgeschrei tot hem
doorgedrongen. De jongens waren er zeker nog niet.
Hij tuurde wel tienmaal per minuut naar de klok.
"Ze blijven lang weg," mompelde hij. "Ze zullen toch niet gemerkt
hebben, dat ik naar Flipsen gegaan ben? Of misschien hebben gezien,
dat Flipsen hier kwam? Maar neen, dat kan niet, -- dat is onmogelijk.
Ze zullen wel komen en wachten eerst, dat het goed donker geworden
is.
Hoewel, donker is het al genoeg. Hè -- hè -- hè, die gummi-stok,
die gummi-stok, -- wat is dat een goed idée geweest van Flipsen. Hij
slaat ze de beenderen er mede stuk -- hè -- hè -- hè! Wat heb ik
daar een schik in!"
Weer wachtte Mulder een kwartier, en nog waren de jongens niet
gekomen.
Toen, -- opeens betrok het gelaat van den vrek.
"Ja, dat moest hij eens probeeren," prevelde hij. "Flipsen moest het
eens wagen, zelf mijn aardbeiën en frambozen op te eten, terwijl hij
daar op de loer ligt. Hij moest het eens wagen!
Maar toch, -- hij is er best toe in staat! Zoo'n brave jongen zal hij
in zijn jeugd ook wel niet geweest zijn, daar ziet hij niet naar uit,
en hij zal nòg wel een aardbeitje en een framboosje lusten. Ha, als
hij daar het hart eens toe had, ik zou hem aanklagen bij den
burgemeester en dan kostte het hem zijn betrekking, zoo vast als
tweemaal twee vier. -- En wie weet, hoeveel de kerel er wel opeet, al
was het alleen maar om mij te plagen en zich op mij te wreken, want
hij was méér dan nijdig, dat zag ik duidelijk."
Mulder stond op en liep ongedurig door de kamer heen en weer. Hij
balde zijn vuisten, en zei:
"O, -- 't is niet om uit te staan! Hij zal van mijn vruchten
afblijven, of ik zal het hem duur betaald zetten. Wie weet, hoeveel
hij er al opheeft! En die jongens hoor ik nog maar niet. -- Zoo'n
dief! Die past op de anderen, en zelf doet hij misschien niet anders,
dan mijn vruchten stelen! Waarom komt hij nog niet eens aan de ruiten
tikken, ten teeken, dat hij niet aan mijn frambozen zit? Maar dat
houd ik niet langer uit! Ik wil zekerheid hebben! Ik laat mij mijn
kostelijke vruchten maar niet goedsmoeds afhandig maken. Besluipen
zal ik hem, en wee Flipsen, als hij mij bedriegt! Dan zal het hem
bezuren!"
De vrek begaf zich naar het achterhuis en schoof voorzichtig den
grendel van de deur. Onhoorbaar zacht deed hij deze op een kier en
kroop op handen en voeten den tuin in. De deur trok hij achter zich
dicht. Alles ging zoo stil in zijn werk, dat Flipsen het onmogelijk
gehoord kon hebben, of hij had al in de onmiddellijke nabijheid van
de deur moeten zijn. En daar was hij niet.
"Wat is het ellendig donker," bromde de vrek. "Aanstonds kruip ik nog
met mijn hoofd tegen een boom aan. Maar beloeren zal ik hem, en als
hij mij bedriegt, zal hem aanklagen, -- zoo'n dief!"
Voorzichtig, voetje voor voetje, of eigenlijk knietje voor knietje
kroop hij verder in de richting van de plaats, waar de aardbeiën en
frambozen groeiden, en hij zorgde er wel voor, zoo dicht mogelijk
onder het kreupelhout te blijven, want daar liep hij het minste
gevaar, gezien te worden.
't Was doodstil in den tuin.
"Waar zou Flipsen wezen?" dacht de vrek. "O, natuurlijk, bij de
vruchten, net zooals ik al dacht. Waar wou hij anders zijn, die dief?
Maar berouwen zal het hem, berouwen zal het hem."
Ha, hij had de frambozen thans bereikt. Zou Flipsen tusschen de
struiken liggen en zich aan de sappige vruchten te goed doen?
Met zijn oogen trachtte hij de duisternis te doorboren.
Maar dat trachtte Flipsen ook te doen.
Hoor, klonk daar niet eenig geritsel?
Flipsen spitste de ooren.
Zouden de jongens dan toch in aantocht zijn? Hij had hen niet hooren
komen. Maar dat was ook niet noodig. Als hij hen nù maar hoorde, nu
zij dicht bij de frambozen kwamen.
Flipsen klemde den gummi-stok tusschen zijn vingers, en luisterde met
inspanning.
Zijn oogen begonnen te fonkelen.
O, -- maar hij bedroog zich niet, -- neen, neen, de jongens waren
hem niet te glad af. Hij hoorde duidelijk het geschuifel van iemand,
die zich voortbewoog in de richting van de aardbeiën en frambozen.
Zijn lang geduld zou dan toch worden beloond.
Hoor, -- 't was duidelijk, en ja, -- daar zag hij ongetwijfeld de
gestalte van iemand, die over den grond kroop.
Als een kat, die op een muis loert, maakte Flipsen zich gereed voor
den sprong.
Hij stond met gebogen rug, de kin vooruit.
En op 't volgende oogenblik wierp hij zich op den dief, die de
frambozen nu ongeveer bereikt had.
Hij drukte den dief tegen den grond, zette hem de linkerknie op den
rug, hief hij zijn gummi-stok omhoog, en sloeg onbarmhartig op zijn
gevangene los.
Mulder wist het eerste oogenblik, toen Flipsen hem op zijn rug
sprong, niet, wat er aan de hand was. Hij werd plat op den grond
gedrukt en kermde van schrik en ontsteltenis. Maar toen daalde
plotseling een regen van slagen op hem neer, waarvan de eene nog meer
pijn veroorzaakte dan de andere. En Flipsen liet in zijn woede zijn
slagen met zooveel geschreeuw gepaard gaan, dat hij van den dief geen
woord verstond. 't kon hem trouwens ook niets schelen, wat deze zeide
of deed. Hij zou hem dat stelen ééns en voor altijd op afdoende
wijze afleeren en al den anderen den lust ontnemen, om het ooit weer
te probeeren.
't Hagelde slagen met den gummi-stok op den vrek, die op den grond
lag te krimpen van de pijn.
"Dáár! -- Dáár! -- Dáár! -- Dáár!" schreeuwde Flipsen, en
zijn gummistok ging zonder ophouden omhoog, om weer striemend op zijn
slachtoffer neer te dalen.
"O, -- o, -- de gummi-stok, -- de ellendige gummistok," kermde de
gierigaard. "O, Flipsen, houd toch op, -- ik ben het, -- ik, Mulder,
-- houd toch op ----"
"Dáár! -- Dáár! -- Daar!" -- schreeuwde Flipsen die van geen
ophouden wist. "Jou leelijke vruchtendief! Waag het nu nog eens, --
dáár! Dáár! Daar!"
"Flipsen," kermde Mulder, krimpend van de pijn, -- "ik sterf! O, die
gummi-stok, -- die gum -- mi- -- o, o, au, au, -- o, houd toch op!"
"Dáár! -- Daar! -- Dá... o, mijn hemel, wat is dat?" schreeuwde
Flipsen ontsteld. Hij voelde, hoe een groot voorwerp hem op zijn rug
sprong en hem de nagels in zijn hals groefde, en hem krabde en beet
op alle plaatsen, waar hij maar gekrabd en gebeten kon worden. 't
Veroorzaakte hem helsche pijn, en hij kroop op den grond rond, zonder
haast te weten, wat hij deed.
"Wat is dat? Wat -- o, o, -- wat een pijn -- wie doet dat -- o!"
Kees zat den veldwachter bovenop zijn rug en vierde aan al zijn booze
neigingen bot. Hij beet en krabde zonder ophouden, tot Flipsen
eindelijk, schreeuwende van de pijn al zijn geestkracht verzamelde,
het ongure beest van zich afschudde en, met achterlating van zijn
gummi-stok, haastig op de vlucht sloeg.
Hij en de vrek kermden om het hardst en de aap maakte ook de
erbarmelijkste geluiden, zoodat Dik Trom en de andere jongens, die op
den terugweg naar huis den landweg afliepen langs den tuin van
Mulder, niet wisten, wat zij hoorden.
Zij dachten er al niet eens meer aan, om vruchten te gaan stelen,
want zij hadden zich veel te goed vermaakt met het springen.
"Wat is hier te doen? Hoor dat gekerm eens!" zei Dik.
En allen stonden stil om te luisteren.
Opeens zagen zij Flipsen het hek doorsnellen, met zijn handen achter
tegen zijn hals.
"O, o, o, Wat een pijn! Wat een pijn!" kermde hij. En haastig sloeg
hij den weg in naar huis.
"Ook een rare geschiedenis!" zei Dik. "Rara -- wat is dat?"
Maar niemand wist het, en zij vervolgden hun weg.
Mulder kroop kermend naar zijn huisje.
"O, die gummi-stok, -- die gummi-stok!" kermde hij.
Hij deed de deur open, richtte zich aan de klink met groote moeite
omhoog, ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als het ging, en kroop
in bed.
Den volgenden morgen zag hij bont en blauw, en toen Flipsen zijn
gummi-stok kwam halen, zat diens hals in een dik verband.
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Achtste Hoofdstuk.
Dik verloot jonge konijntjes.
Dik was al heel vroeg opgestaan, en daar had hij geen spijt van, want
het was een mooie morgen. De vogels sjilpten en zongen in de boomen,
en de bloemen geurden heerlijk.
Met een mes in de hand kwam hij naar buiten. Hij haalde een mand uit
het schuurtje, om er het gras en de klaver in te doen, die hij wilde
gaan snijden aan den kant van het kanaal.
Nauwelijks verscheen hij in den tuin achter de schuur, of zijn duiven
vlogen klapwiekend om hem heen en een paar zetten zich op zijn
schouders en zijn hoofd. 't Was, of zij hem goeden morgen kwamen
zeggen.
"Koer! Koer!" riep hij hun toe.
En hij zag, hoe de konijnen zich op hun achterpooten verhieven en met
hun voorpootjes door de tralies krabbelden.
"Ja, ja!" riep Dik hun toe. "Dadelijk, hoor! Ik zie het wel, dat de
ruiven leeg zijn. Maar jullie eten ook dag en nacht aan één stuk
door, geloof ik. Geduld een beetje, asjeblief. Ik moet het eerst nog
gaan snijden. -- En als ik terugkom, krijgen jullie ook, hoor!" riep
hij tegen de duiven.
"Dag Dik, hier is Gerrit!" riep zijn kauw, die op zijn schouder kwam
zitten en eerst nijdig naar een duif pikte, om haar van dat plekje,
dat hij als zijn persoonlijk eigendom beschouwde, weg te jagen. Maar
de duif had geen lust, om voor zoo'n brutale vlerk als een kauw te
wijken, en pikte venijnig terug. Duiven lijken wel heel zachtaardige
diertjes, maar zij laten zich de kaas allerminst van het brood nemen
en weten hun snavels terdege te gebruiken.
't Werd een formeele vechtpartij op Dik's schouder, tot groot vermaak
van Dik. De duif klapte met haar vleugels, om de kauw weg te jagen,
en de kauw pikte nijdig met haar langen, puntigen snavel in het lijf
van de duif.
"Dag Dik!" werd er op eenigen afstand geroepen.
"O, -- daar is Nelly!" riep Dik. Hij keerde zich om en zag het blinde
meisje in buurmans tuin staan.
"Ga je de duiven voeren?" vroeg Nelly.
"Straks, -- eerst moet ik nog gras en klaver snijden, Ga je meê?"
"Graag!" zei Nelly.
Voorzichtig liep zij den tuin door, toen over het pad langs het huis,
en kwam zoo in het voortuintje.
Dik joeg de duif en de kauw van zijn schouder, wierp zijn mes in de
mand, die hij in zijn linkerhand nam, en begaf zich naar Nelly, om
haar mede te nemen naar den kanaalkant.
"Dag Helly! Hier is Gerrit!" riep de kauw, toen hij het meisje zag.
"Kom hier, Gerrit, -- kom hier, Gerrit!" riep Nelly, terwijl Zij haar
vrije hand uitstrekte. Dadelijk kwam Gerrit op haar arm zitten. Dat
vond Nelly prettig.
"Dag Gerrit!" riep zij tegen hem.
"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Dik!"
Dik bracht het meisje naar den overkant van den weg, en zei, nadat
hij een mooi plaatsje voor haar opgezocht had:
"Hier Nelly, -- ga nu hier zitten, -- in het gras!"
Nelly deed het, en toen hij het blinde meisje daar zag zitten, zoo
hulpbehoevend, zoo geheel afhankelijk van anderen, overmeesterde hem
weer een gevoel van onuitsprekelijk medelijden, en zijn stem klonk
zacht en teeder, toen hij zeide:
"Je zit aan den kant van het kanaal, Nelly, een groote armslengte er
maar van af. Zul-je je niet vooruit bewegen? Je gezicht is naar het
water gekeerd."
"Ja ja, dank je wel," zei Nelly, "ik begreep het al, voordat je me
het zei. Wees maar niet ongerust, Dik, ik zal wel stil blijven
zitten. Dag Gerrit! Waar ben je, Gerrit? Kom hier, Gerrit! Kom bij
Nelly, Gerrit!"
Gerrit wandelde aan den kant van het water en pikte daar wurmpjes en
insecten van den grond op.
"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij terug, maar hij ging niet naar Nelly
toe. Hij had het veel te druk, om voor zijn ontbijt te zorgen.
"Kom Gerrit! Kom hier, Gerrit!" riep Nelly.
Gerrit gaf geen antwoord. Hij was juist bezig, een grooten worm uit
den grond te trekken, waar de worm zich met al zijn kracht tegen
verzette. Maar 't hielp niet, en weldra was hij door Gerrit's keelgat
verdwenen.
"Hier is Gerrit!" schreeuwde hij toen. "Dag Helly!"
Dik was ijverig aan het snijden. Zijn mes was vlijmscherp, daar
zorgde hij altijd wel voor. De eene handvol na de andere wierp hij in
de mand, en hij pikte zooveel melkdistels uit den grond, als hij maar
kon, want daar waren de konijnen dol op.
"Schiet je goed op, Dik?" riep Nelly hem toe. "Wat is het prachtig
weer hè?"
"Heerlijk," zei Dik. "Ja, ik schiet best op, maar ik heb veel te
snijden, want ik zorg 's morgens altijd voor den heelen dag, en ik
wil niet, dat mijn konijnen honger lijden."
"Kom Gerrit!" riep Nelly. "Kom Gerrit! Waar is Gerrit?"
"Hier is Gerrit!" riep de kauw uit de verte, maar hij kwam niet.
"Hij zoekt zijn eten," riep Dik het meisje toe.
"Hij zorgt misschien 's morgens óók voor den heelen dag, net als
jij," merkte Nelly lachend op.
"Hij lust anders heel wat, hoor," zei Dik. "Ik geloof niet, dat hij
ooit genoeg heeft."
"Hier is Gerrit!" riep de kauw, die op Nelly's schouder vloog.
"Behalve nù dan toch," zei Nelly. "Zie je wel, hij komt uit eigen
beweging bij me, en dat zou hij niet doen, als hij nog honger had."
Nelly nam de kauw in haar hand en hield hem tegen haar wang. Dik
verwijderde zich hoe langer hoe verder, om gras en klaver te zoeken.
Maar telkens keek hij even naar Nelly om te zien, of zij wel
voorzichtig was en niet dichter hij het water kwam.
"Zeg Dik, vader is vanmorgen al naar zijn baas gegaan!" riep Nelly
hem toe.
"Zoo," zei Dik. "Kijk, daar komt Anneke! -- Dag Anneke, hier is
Nelly, je weet wel, van wie ik je verteld heb."
"O," zei Anneke, en zij keek naar het blinde meisje. Dik had haar
verteld, hoeveel medelijden hij met haar had.
Zij ging bij haar in het gras zitten, en zei:
"Jij bent Nelly, hè? Ik heet Anneke. O, heb je Dik's kauw daar? Vind
je hem niet aardig?"
"Ja, erg aardig," zei Nelly. "Dag Gerrit! Zeg eens, 'dag Nelly!'"
"Dag Helly!" schreeuwde de kauw, tot groot vermaak van de beide
meisjes. "Dag Helly, hier is Gerrit!"
En om het hardst riepen zij:
"Dag Gerrit! Dag Gerrit!"
Eindelijk was Dik's mand tot den rand toe gevuld, en keerde hij met
zijn vracht naar de meisjes terug.
"Gaan jullie meê naar mijn duiven?" vroeg hij.
"Ja," zeiden ze, en beiden stonden van den grond op.
Nelly stak haar hand uit, als om te vragen, wie haar leiden wilde.
"Kom," zei Anneke, terwijl ze haar arm bij het blinde meisje instak,
en gearmd gingen ze met Dik mee.
De duiven zagen hem al komen en vlogen hem klapwiekend tegemoet, en
de konijnen krabbelden om het hardst tusschen de tralies door. Zij
hadden blijkbaar honger.
De kauw vloog achter het drietal aan.
Dik vulde de ruiven van de konijnen met het versch gesneden voer,
waaraan de konijntjes dadelijk begonnen te smullen, en haalde toen
een bak vol gerst voor de duiven, die hem maar steeds om het hoofd
fladderden.
"Hier Nelly," zei hij, terwijl hij haar den voerbak in de hand gaf,
"jij mag ze voeren."
"O," riep Nelly verheugd uit, "graag, graag, -- dank je wel!"
Anneke las de vreugde op haar gelaat, en Dik en Anneke keken elkander
aan met een blik, waarin duidelijk te lezen stond:
"Wat in-zielig, hè?"
Die twee begrepen elkander wel, ook al zeiden ze niets.
Nelly strooide het voer met kleine handjesvol om zich heen, en riep:
"Roe-koe! Roe-koe! Roekoe!"
En de doffers stapten parmantig buigende tusschen de duifjes rond en
riepen ook:
"Roe-koe! Roe-koe! Roe-koe!"
"Hier is Gerrit!" schreeuwde de kauw. "Dag Helly! Dag Dik!"
"Praatsmaken!" riep Dik. -- "Zeg Anneke, wat heb ik een zin in het
schoolfeest. En jij?"
"Of ik!" zei Anneke. "Kijk, die duif vliegt op Nelly's schouder. Wat
aardig, hè?"
"Wat zal het een leuk gezicht wezen, als die stoomboot hier door het
kanaal gaat," zei Dik. "Er is hier nog nooit een stoomboot geweest."
"'t Zal wel een kleintje zijn; een groote kan hier niet varen," zei
Anneke.
"O, groot genoeg voor de schoolkinderen," beweerde Dik. "Laat daar
den meester maar voor zorgen."
"Roe-koe! -- Roe-koe!" riep Nelly tegen de duiven, terwijl zij de
korreltjes voer rondom zich strooide. "Krijgen jullie een
schoolfeest?"
[Illustratie]
"Ja," zei Dik, "we gaan een heelen dag uit met een stoomboot, met
muziek en vlaggen, -- een heelen dag Wijk aan zee, hè Anneke?"
"Ja, -- dat is een badplaats," zei Anneke. "Fijn, hoor."
"Hè, met muziek, -- dat hoor ik zoo graag," zei Nelly. "Die vlaggen
kan ik niet zien, en de boot ook niet, en de zee evenmin, -- maar de
muziek kan ik hooren, hè, en o, die vind ik zoo mooi."
Dik werd ernstig.
"Dom van me, om over dat schoolfeest te beginnen, waar dat blinde
meisje bij is," dacht hij bij zichzelven. "Echt dom! Hoe jammer, dat
zij niet mee kan! Maar zij gaat niet school, -- en bovendien heeft ze
niet meêgespaard, en één gulden vijf en twintig centen kunnen die
menschen zoo maar opeens niet missen. -- Weet je wat, daar moet ik
toch nog eens over denken."
En hij dacht er verder den heelen dag over.
Eerst kwam hij tot het besluit, aan alle kinderen een kleinigheid
voor het blinde meisje te vragen, en als hij dan de vereischte som
bijeen had, zou hij den meester verzoeken, of het ongelukkige, blinde
meisje medemocht.
"Jammer, dat de meester nu net zoo boos op me is," dacht Dik.
Maar bij nader inzien vond hij het toch geen prettige gedachte voor
Nelly, als alle kinderen op school wisten, dat zij het zoo arm
hadden. Neen, dat behoefden de anderen niet te weten; 't was nergens
toe noodig. Zij zouden zoetjes-aan, nu Elswater weer hersteld was en
geregeld werk had, wel weer in beter doen geraken.
"'k Wou maar, dat ik zelf het geld had," dacht Dik. "Of dat Vader en
Moeder het konden missen, -- maar dat zal niet kunnen. -- Jammer
genoeg."
Maar 's morgens op school, onder de leesles, kreeg hij plotseling een
idee, en zijn gezicht klaarde er heelemaal van op.
En nauwelijks waren de jongens om twaalf uur het lokaal uit, of hij
riep hun toe:
"Zeg jongens, wie koopt er een lootje van me naar een jong konijn?"
"Hoeveel loten?" vroeg Jan Vos.
Dik meende vijftien te zeggen, maar hij bedacht zich bijtijds.
"Twintig," zei hij.
"En hoe duur?" vroeg Bruin Boon.
"Voor jou twee centen per stuk, voor de anderen een cent!" riep Dik.
"Geef mij een lootje," zei Arie Klaro, die bijna altijd wel losse
centen in zijn zak had, want zijn vader was een rijke boer en
behoefde dus niet op een kleintje te zien.
"Vanmiddag!" zei Dik. "Nu heb ik ze nog niet, maar ik ga ze dadelijk
maken, als ik thuis kom."
"Wat een geld," zei Bruin Boon, "twintig cent voor een jong
konijntje. We doen altijd vijftien lootjes van een cent, en dat is
geld genoeg."
"Ja Bruin, maar ik ben maar een arme slokker," zei Dik. "Daarom neem
ik twintig lootjes, zie je. -- Zeg jongens, geld meebrengen
vanmiddag, hoor, dan kunnen we vanavond nog gooien om de hoogste
oogen."
Dik liep op een draf naar huis, en zoodra hij gegeten had, vroeg hij
aan zijn moeder om een stuk karton, 't liefst wit.
"Heeft u niet een oude kartonnen doos, die u niet meer noodig heeft?"
vroeg hij.
"Waartoe moet die dienen?" vroeg zijn moeder.
"Om lootjes te maken," zei Dik. "Ik ga mijn jonge konijnen verloten.
Zeg, Moeder, weet u, wat ik van plan ben? Ik wil zoo graag ƒ1.25 bij
elkaar zien te krijgen..."
"Waarvoor, Dik. Wàt een geld!" zei Moeder.
"Wel, dan wou ik het aan den meester geven voor het schoolfeest...."
"Ben je dwaas, jongen? We geven elke week al een stuiver, en dat is
al meer dan genoeg voor ons soort menschen...."
"En dat is het," zei Vader Trom, die zich gereed maakte om zijn dutje
te gaan doen.
"Ja maar, ziet u, -- ik wou zoo graag het blinde meisje van de nieuwe
buren meê laten gaan," zei Dik zacht. "Ik heb zoo'n medelijden met
haar, Moeder, -- en die menschen zijn op 't oogenblik te arm om
zooveel geld te kunnen missen. -- Toe maar, Moeder, laat het mij maar
doen. 't Is zoo'n ongelukkig kind."
Moeder keek Dik een oogenblik ernstig aan en haar oogen werden een
beetje vochtig.
Eindelijk zei ze:
"In een hoekje achter op den zolder staat nog wel een oude doos,
Dik."
"Dus mag ik?" riep Dik verheugd uit, en hij vloog de trap op naar
boven.
Toen hij weg was, deed Vader Trom zijn oogen, die hij juist
dichtgedaan had, weer eventjes open en zei:
"Griet!"
"Wel? -- Wat is er, Jan?"
"Griet, -- onze Dik is een bijzonder kind, en dat is-ie."
"Ja, hij is althans een goed kind," zei moeder Trom.
Dik kwam beneden en knipte twintig vierkante stukjes uiteen van de
wanden van de doos. De rest borg hij in de kast, want die zou hem nog
wel te pas komen.
Vandaag ging er pas zijn eerste jonge konijn aan, en hij had er zes.
Op elk kartonnetje zette hij een nummer, van 1 tot 20, en hij deed ze
alle in een doosje. Toen stak hij nog een stuk papier bij zich, om te
kunnen noteeren, wie een lot gekocht had, -- en een potlood, -- en
begaf zich naar buiten.
In de verte hoorde hij het eigenaardige geschreeuw, dat de jongens
soms met een hooge stem doen hooren, als zij alleen over straat
loopen.
"Halloïo! Diktrommio! Halloïo! Diktrommio! Gajeméïo!"
Dik lachte.
"Pitio van Drillio!" galmde hij terug. "Pitio van Drillio!"
"Dikkio Trommio!" schreeuwde Piet. "Twéïo lotio! Voor mijn
centoïo!"
Het geluid kwam steeds dichterbij en na een minuut zag Dik Piet het
erf oploopen.
"Twéïo lotio! Twéïo lotio!" galmde Piet. "Voor mijn centoïo!"
"Twee lootjes?" vroeg Dik, terwijl hij de doos met kartonnetjes uit
zijn zak opdiepte. "Hier, trek er maar twee uit."
Piet trok de nummers 4 en 13, en Dik schreef op zijn lijst achter de
nummers 4 en 13 den naam van Piet van Dril. De twee centen stak hij
in zijn zak.
"Zie zoo, ik heb al vast een beginnetje. Voor twee uur ben ik ze wel
allemaal kwijt, denk ik, en dan kunnen we na schooltijd het beestje
verloten."
"Om hoe laat?" vroeg Piet.
"Om zes uur, hier, achter onze schuur. Ik heb drie dobbelsteenen,"
zei Dik, "mooie groote."
"Zeg, ik hoop, dat ik het konijntje win," zei Piet van Dril. "Willen
we naar school gaan?"
"Dat is goed."
En samen sloegen zij den weg in naar school, waar zij natuurlijk veel
te vroeg aankwamen, maar dat wilden zij juist. Dik had er immers
gewichtige zaken te doen?
Zij waren de eersten, die op de speelplaats aankwamen, maar 't duurde
niet lang, of er kwamen er meer.
Bruin Boon kwam ook al heel vroeg.
"Ik moet vijf lootjes hebben, Dik," zei hij, en hij gaf Dik vijf
centen.
"Wat? Hoeveel?" vroeg Dik verbaasd, want het gebeurde haast nooit,
dat een jongen vijf loten tegelijk kocht. En hij keek Piet van Dril
aan, die zijn vragenden blik met een knipoogje beantwoordde.
"Ja, vijf!" schreeuwde Bruin Boon. "Geef hier! Waar zijn ze?"
Dik weifelde even en weer keek hij Piet vragend aan, en nogmaals
knipoogde Piet tegen Dik. De jongens wisten wel, dat Bruin niet
eerlijk was, en dat hij gewoonlijk veel centen in zijn zak had, en
zij verdachten er hem sterk van, dat hij ze stal uit de toonbanklade
van zijn moeder, die een winkeltje in kruidenierswaren deed. Want
Bruin was erg oneerlijk.
"Nou, krijg ik ze, of krijg ik ze niet?" schreeuwde Bruin.
"Weet je moeder ervan?" vroeg Dik.
"Mijn moeder? -- Ja, -- natuurlijk! -- Je denkt toch niet, dat ik ze
gestolen heb?"
"Ik weet niet, wat ik moet denken," zei Dik. Hij hield Bruin het
doosje met loten voor en Bruin nam er vijf uit. Dik schreef zijn naam
op de lijst achter de getrokken nummers. Even later kwam Arie Klaro.
"Heb je je lootjes al?" vroeg hij aan Dik. "Geef mij er een, -- of
neen, ik wil er wel twee hebben. Des te meer kansen heb ik."
"Maar ik heb de meeste kansen," zei Bruin.
"Zoo? Hoeveel dan wel?" vroeg Arie.
"Vijf!" zei Bruin. "Is 't niet waar, Dik, heb ik er geen vijf?"
"Gestolen centen natuurlijk," zei Arie op den man af.
"Als jij maar geen gestolen centen in je zak hebt!" zei Bruin
sarrend.
Er kwamen hoe langer hoe meer jongens op de speelplaats, en de loten
van Dik gingen vlug van de hand. Hij kon zelfs niet eens aan alle
aanvragen voldoen, maar daar wist hij wel raad op.
"Jongens," zei hij, "om vijf uur zal de loting plaats hebben...."
"Waar?" schreeuwde Bruin. Bruin schreeuwde altijd veel harder, dan
noodig was. "Ik heb toch de meeste kansen, want ik heb er vijf!"
"Bij ons, achter het huis," zei Dik. "En dan zal ik weer nieuwe loten
klaarmaken om er nog een te verloten, voor de jongens, die nu te laat
kwamen. Is dat goed? Komen jullie dan?"
"Dus dan verloot je er twee vanavond," zei Dirk Langereis, die ook te
laat gekomen was en dus geen lootje had kunnen bemachtigen.
"Ja, -- twee," zei Dik.
"Dat is goed!" zeiden de jongens.
Een poosje later ging de school aan, en Dik voelde zich vroolijk
gestemd, omdat de zaken voor de blinde Nelly zoo goed gingen.
"Vanavond heb ik al veertig centen bij elkaar," dacht hij vergenoegd.
"Dan heb ik er nog maar vijf en tachtig noodig. Als de meester nu
maar niet weigert, -- maar weet je wat, ik zal erg goed mijn best
doen. Misschien gaat de boosheid dan wel weg, hoewel, -- hij heeft
vandaag nog geen vriendelijk woord tegen me gezegd."
En Dik spande al zijn krachten in om 's meesters goedkeuring te
verwerven, wat de meester zeer goed opmerkte, al liet hij het niet
blijken.
"Dikje heeft spijt van gisteren," dacht hij, en dat deed hem
genoegen.
Om vier uur ging de school uit, en de jongens spoedden zich naar
huis. Maar om vijf uur waren zij allen present achter de schuur van
Dik.
Dik had weer nieuwe loten gemaakt en verkocht ze aan de liefhebbers.
Ze gingen niet meer zoo grif van de hand als voor het eerste
konijntje, maar hij raakte ze eindelijk toch kwijt, en toen kon de
loting beginnen.
Dik haalde een kleerenbak uit de schuur, een diepen melkbeker uit de
kast en drie groote dobbelsteenen uit zijn speelgoedlade. Daarmede
kwam hij bij de jongens terug. De kleerenbak werd op den regenput
gezet, en de dobbelsteenen deed hij in den melkbeker.
"Zie zoo, alles is klaar," zei hij. "De verloting kan beginnen."
"Maar om welk konijn gaat het?" vroeg Jan van Bakel, die ook een
lootje gekocht had.
Dik haalde een van zijn jonge konijntjes uit het hok en deed het in
een mand.
"Hallo! Het spel gaat beginnen!" riep Dik.
Hij keek op zijn lijst en riep: "No 1, Jan Fulps. Asjeblief, goed de
steenen schudden en dan in den kleerenbak gooien."
"Daar gaat-ie!" riep Jan Fulps.
Hij rammelde met de steenen en wierp ze met kracht in den bak. "4, 2,
5!" riep Dik. "Elf oogen!"