[Illustratie]
"Elf maar?" snoefde Bruin. "Daar ga ik boven!"
"2, 3, 3!" riep Dik. "8 oogen!"
"Daar ga ik onder, had je moeten zeggen, Bruin!" riep Jan Fulps hem
toe.
"O, ik heb er nòg vier!" schreeuwde Bruin.
"No. 3: Jan van Bakel!" riep Dik.
Jan van Bakel gooide.
"6, 5 en 5, 16 oogen!" kondigde Dik aan.
"Een mooie gooi!" zei Piet van Dril. "Mijn beurt, Dik, ik ben no.
4."
Piet rammelde met de steenen en wierp drie zessen.
"Mooi zoo!" zei Dik. "Hooger kan het niet."
"Ha ha," lachte Piet van Dril, "dat konijntje zal wel voor mij zijn.
Even hoog, dat kan, maar hooger, dat kan al vast niet!"
Piet van Dril liep naar de mand, om het konijntje eens goed te
bekijken! 't Was een allerliefst beestje, vond hij, en hij streelde
het over den kop.
Zoo gooiden de jongens om de beurt, en Bruin wierp eenmaal 2 zessen
en een vijf, dus 17 oogen.
"Daar mankeerde er maar eentje aan, -- maar ik heb nog een lot. Dan
komt het derde zesje er wel bij."
Maar op zijn laatste lot gooide hij tot groote pret van alle jongens,
drie eenen. Zijn kans op het konijntje was verkeken.
Eindelijk moest alleen N°. 20 nog maar gooien, en dat was Arie
Klaro.
"Een klein kansje!" zei hij, terwijl hij de dobbelsteenen in den
melkbeker liet rammelen.
"Mijn konijntje is het!" riep Piet van Dril lachend.
Arie gooide.
"Drie zessen, -- achttien oogen!" riep Dik. "Arie en Piet van Dril
moeten kampen. Ze hebben evenveel oogen gegooid."
"Dat staat je niet netjes, Arie!" zei Piet van Dril lachend. "Ik
dacht al, dat ik den prijs had."
"Mis man, buiten den waard gerekend," zei Arie. "Gooi jij maar
eerst!"
"Neen, -- jij!" zei Piet.
"Jij bent het eerst aan de beurt. Hier heb je de steenen. -- Is 't
niet waar, Dik?"
"Ja," zei Dik. "Jij eerst, Piet."
"Vooruit dan maar!" zei Piet. Hij liet de stenen rammelen en gooide
een 4, een 6 en een 3.
"Dertien oogen," zei Dik. "Een mooie kans, Arie."
"O jé, daar gaat mijn konijntje," riep Piet lachend.
"Toe, rammel zoo lang niet, -- ik brand van nieuwsgierigheid!"
"Daar dan!" riep Arie.
"Een 5, een 6 en een 3, -- veertien oogen!" riep Dik. "Arie heeft het
gewonnen. Geluk er meê!"
"En nu ga ik meteen naar huis," zei Arie, die een heel eind van het
dorp woonde, en alleen om de verloting zoo lang gebleven was.
Hij nam het jonge konijntje in zijn arm en vertrok.
De anderen bleven voor de verloting van het tweede konijntje.
"Mijn kansen staan mooi," schreeuwde Bruin. "Ik heb nu ook weer vijf
loten."
"Maar onrechtmatig verkregen goed gedijt niet," zei Dirk Langereis.
"Wat!" schreeuwde Bruin. "Wou jij zeggen, dat ik het gestolen had?"
"Ik zeg alleen maar, dat onrechtmatig verkregen goed niet gedijt,"
zei Dirk.
De loting begon, -- en het einde was, dat Jan Vos met het konijntje
naar huis ging. Hij won met 17 oogen.
"Jongens," riep Dik, "morgen een nieuwe verloting!"
"Maar ik dank je!" zei Bruin Boon. "'t Heeft me vandaag al een
dubbeltje gekost, -- voor niemendal. Ik doe niet meê."
"Dan laat je 't!" zei Dik.
De jongens gingen naar huis, en Dik maakte weer nieuwe loten klaar
voor den volgenden dag, -- maar toen bleek de liefhebberij al
aanmerkelijk bekoeld. Er was geen sprake van, dat de verloting nog
dien dag kon plaats hebben, want 's avonds had hij er nog maar elf
verkocht. De moeders bleven niet aan 't geld geven.
Na drie dagen pas was hij zeventien loten kwijt, en hij besloot, toen
maar verder geen moeite te doen.
Anneke won het beestje, tot haar groote blijdschap.
En Dik zag voorloopig geen kans, nog meer konijntjes te verloten. Het
speet hem wel, maar toch was hij blij, dat hij al vast zeven en
vijftig centen bij elkaar had. Hij had ze in een doosje gedaan en in
een hoekje van zijn speelgoedlade opgeborgen.
"Ik zal wel zien, dat ik de rest er bij krijg," dacht hij. "Daar moet
ik maar een middeltje op bedenken. -- O, wat zou ik het heerlijk
vinden, als Nelly meê kon met het schoolfeest, -- dat ongelukkige
kind!"
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Negende Hoofdstuk.
De vrek gaat zich beklagen.
Den volgenden dag werd het dorp in rep en roer gebracht door het
gerucht, dat het groote, beroemde, Amerikaansche paardenspel van
Sänger ook daar voor een enkelen dag zijn reusachtige tent zou
opslaan, om er een voorstelling te geven. En niet het dorp alleen,
maar zelfs de geheele polder, waarvan het dorp het centrum vormde,
sprak over niets anders, dan over het wereldberoemde paardenspel van
Sänger, dat weldra zou arriveeren.
Geen wonder, want de Directeur, Mr. Sänger, maakte op echt
Amerikaansche manier zoo'n reusachtige reclame voor zijn spel, dat je
om zoo te zeggen hooren en zien verging. Heel Nederland sprak er over
en alle kranten wijdden groote artikelen, ja zelfs geheele kolommen
aan het paardenspel van den beroemden Amerikaanschen Directeur
Sänger, en zijn beroemde paarden, en zijn beroemde pikeurs en zijn
beroemde paardrijdsters en zijn beroemde leeuwen en zijn beroemde
olifanten, en zijn beroemde honden en apen, ja zelfs aan zijn
beroemde, onmetelijke tent, waarvan 's morgens vroeg nog niets te
zien was, waarin 's middags soms reeds een voorstelling werd gegeven,
waarin alle beroemdheden 's avonds nogmaals optraden, en waarvan bij
zonsopgang geen spoor meer gevonden werd. In alle dagbladen stonden
kolossale advertentiën, op stal- en schuurdeuren, alsmede op alle
aanplakborden verschenen reusachtige biljetten met platen in
schitterende kleuren, waarop de ongelooflijkste toeren waren
afgebeeld.
Niemand en niets ter wereld was zóó beroemd als de heer Sänger en
zijn paardenspel, en geweldige verhalen daaromtrent deden door ons
lieve vaderland de ronde.
Zoo vertelde men, dat de heer Sänger een weddenschap had aangegaan
met een anderen schatrijken Amerikaan, -- want ook de heer Sänger
moest, naar men zeide, schatrijk zijn, -- dat hij binnen een half
jaar van Amerika naar Europa zou reizen, daar veel meer
voorstellingen zou geven dan er dagen in het halve jaar waren, nooit
langer dan twee dagen op dezelfde plaats zou verblijven en binnen het
half jaar weer in New-York zou teruggekeerd zijn. De weddenschap ging
om honderdduizend dollars, die hij van te voren bij een bank had
moeten deponeeren. Ook vertelde men, dat de leeuwentemmer van het
circus vijf leeuwen had, waarmede hij de ongehoordste toeren
verrichtte, ja, dat hij hun zelfs zijn hoofd in den geopenden muil
stak, en dat alles terwijl het hem toch niet onbekend kon zijn, dat
diezelfde leeuwen zijn vaders en grootvader, die vóór hem hun
eigenaars waren geweest, reeds hadden opgegeten. En dan waren er nog
twee olifanten, waarvan de een den vorigen oppasser, die iets deed,
dat den olifant niet naar den zin was, met zijn slurf had
doodgeslagen, en toen hij op den grond lag, om zoo te zeggen, met
zijn lompe pooten een polka op zijn lichaam had gedanst, zoodat er
niets van hem overbleef dan wat pap.
Dik geloofde al die verhalen onvoorwaardelijk. Had hij ze niet met
eigen oogen in de krant gelezen?
Hij zat op de leuning van de brug met Piet van Dril en Jan Vos te
hengelen. 't Was een hooge brug, en 't was ook een hooge leuning, en
zij moesten lange hengelstokken hebben om bij het water te kunnen
komen. En hun zitplaats was tamelijk gevaarlijk, want bij de minste
onhandige beweging konden zij er aftuimelen en in het diepe, breede
kanaal terechtkomen.
Zij praatten natuurlijk over het paardenspel, zooals iedereen.
"'t Zijn allemaal Engelschen," beweerde Jan Vos. "'t Mocht wat," zei
Dik. "Echte Amerikanen, hoor. En zij hebben ook Roodhuiden bij zich.
Zeg Piet, heb je 't gehoord? Dan rent er een wild paard in het
circus, zonder bit of teugel, en dan komt zoo'n Roodhuid op een ander
paard binnenvliegen en gooit het een lasso om den nek, -- en dan maar
trekken, jongens, trekken van heb ik jou daar, tot het gevangen paard
bijna stikt en op den grond valt. -- Zie je, zoo vangen die
Roodhuiden hun paarden in de wildernis ook."
"Fijn om te zien," zei Piet. "Ik hoop, dat ik er naar toe mag."
"Ik heb geen kans," zei Jan Vos. "'t Is te duur, zegt Vader. Hij kan
zijn geld wel beter gebruiken."
"Net als bij ons," zei Dik.
"O, -- jij, -- jij hebt geld genoeg verdiend met het verloten van je
konijnen, want zoo duur is het niet, als je op den laagsten rang gaat
zitten. En je ziet het daar even goed als op den eersten. Hoeveel heb
je ook al verdiend met je verloting?"
"Zeven en vijftig cent," zei Dik, met een peinzend gezicht naar zijn
dobber turend.
"Meer dan genoeg, -- de vierde rang kost maar 40 cent," zei Jan. "Zeg
Dik, dan gaan we samen, hè? Ik màg, -- dat heb ik al aan Vader en
Moeder gevraagd. Doen, zeg?"
Dik zei niets.
Ha, wat had hij een zin, om mede te gaan! Zoo iets moois had hij nog
nooit gezien en zou hij misschien nooit in zijn leven meer te zien
krijgen. -- Maar, voor dat doel had hij zijn konijntjes niet verloot.
Hij had het gedaan om het arme, ongelukkige, blinde meisje een mooien
dag te bezorgen, en 't zou gemeen van hem wezen, als hij nu voor dat
geld naar het paardenspel ging.
"Doen, zeg?" herhaalde Piet, met een elleboogstoot in Dik's rug.
"'k Weet niet, -- misschien -- wel," zei Dik aarzelend.
"Waarom zou hij niet?" dacht hij. "'t Was toch zijn eigen geld, en
hij kon er mede doen, wat hij wilde. Niemand dan hij had er iets over
te zeggen, behalve zijn Vader en Moeder natuurlijk, maar die zouden
het wel goed vinden. Zij vonden van Dik alles goed."
"Waarom _misschien?_" vroeg Piet.
"Ja, waarom _misschien?_" dacht Dik. "Waarom niet _zeker._ Hij had
het geld toch niet aan Nelly beloofd? Hij had er immers zelfs met
geen enkel woord over gesproken?"
[Illustratie]
"Zeg, waarom _misschien?_" vroeg Piet nog eens.
"Och, 'k weet nog niet," zei Dik. "Ik denk van wèl, 't Paardenspel
is hier nog niet eens, en misschien komt het zelfs in het geheel
niet. Vader zegt, dat het maar een praatje zal wezen, want dat er
nergens aanplakbiljetten te zien zijn."
"O, dat hindert niet. Iedereen zegt het," beweerde Jan Vos, die er
wel niet heen mocht, maar het toch heerlijk vond, dat het komen zou
met die leeuwen en olifanten en Roodhuiden en paarden en wie weet,
wat nog meer. Hij zou wel maken, dat hij met zijn neus overal 't
dichtst bij was.
"Spreken ze Amerikaansch?" vroeg hij.
"Engelsch," zei Piet van Dril. "De Amerikanen hebben geen eigen taal,
en spreken Engelsch."
"Jammer," zei Jan, "'t moesten Hollanders zijn. Dan kon ik met hen
praten."
"O," zei Dik, "dat kan ik toch wel. Ik wed, dat ze mij woord voor
woord verstaan."
Piet en Jan barstten in lachen uit.
"Wat een pocher!" riep Piet van Dril, die door een onhandige beweging
half van de leuning gleed. Hij kon zich nog net bijtijds met één
arm vastgrijpen, maar stootte toen Dik bijna naar de diepte. En Dik
greep zich in zijn schrik aan Jan Vos vast, zoodat zij alle drie
groot gevaar liepen om naar beneden te duikelen, Zij hingen aan de
leuning. En lachen, lachen, dat ze deden! Ze kropen met moeite tegen
de leuning op en namen weer plaats.
"Zeg, Jan," zei Dik, "als je weer wat weet."
"En jij dan, Dik!" zei Jan Vos. "Je trok er me ook bijna af."
"Zoo, Dik, spreek jij zoo goed Engelsch?" lachte Jan.
"Onverbeterlijk," zei Dik. "Ik durf met je te wedden, dat ze me woord
voor woord verstaan!"
Jan en Piet lachten hem smakelijk uit.
Opeens zei Jan Vos:
"Kijk eens, Dik, daar komt er een de brug op, dat geloof ik zoo vast
als tweemaal twee vier. Hij komt hierheen, zie je wel?"
"En òf!" zei Dik, die van de leuning op de brug sprong en den man,
die naar hem toe kwam, met open mond en oogen aangaapte. Zijn hengel
haalde hij in.
"'t Is er vast een!" beweerde Piet van Dril. "Dat zie je aan alles
wei, hè?"
Nu, daar had hij wel gelijk aan. De man had een pikeurspet op en
droeg een korte rijjas. Zijn beenen waren gestoken van boven in een
rijbroek en beneden in rijlaarzen met sporen. Hij droeg een geel
vest, en zijn broek was ook geel. Bij elken stap, sloeg hij zich met
een korte rijzweep tegen de kaplaarzen.
"Hallo!" zei hij tegen de drie jongens, en hij keek in het bijzonder
naar Dik, die met zijn dikke buikje en bolle wangen blijkbaar een
grappigen indruk op hem maakte. "Hallo!" zei ook Dik, toen hij den
vreemdeling lang genoeg had aangestaard.
"Nu je Engelsch!" fluisterde Piet zijn vriend Dik toe.