"Hij is weg! hij is weg!"
"Wie nu niet oogenblikkelijk gaat zitten, moet om vier uur
nablijven!" zei de meester gebiedend. "Binnen drie tellen, hoor, --
een, -- twee, -- drie!"
't Werd nu ernst, dat begrepen allen, en iedereen nam zijn plaats
weer in. De jongens hadden groote pret, en Dik en Piet stootten
elkander weer met hun knieën aan.
Alleen Bruin had geen pret. Hij zat doodstil op zijn bank en zag nog
spierwit van den doorgestanen schrik. En hij beefde over al zijn
leden.
't Werd nu weer bladstil in de klasse.
"Wie heeft die muis meêgebracht?" vroeg de meester, Maar niemand
antwoordde. Er waren er maar twee die het wisten, en die wilden het
liever niet zeggen.
"Een moet haar toch meegebracht hebben," zei de meester. "'t Was geen
toeval, dat het beest hier was, want hij had een draadje aan zijn
poot. Hoe kwam die muis in je hals Bruin?"
[Illustratie]
"Hij kroop tegen mijn rug op en kwam zoo in mijn kraag," zei Bruin,
wien opnieuw een huivering door de leden ging.
"Dan moet jij er hem tusschen gestopt hebben, Dik," zei de meester.
"Jij zit vlak achter Bruin Boon."
Dik keek den meester met een paar dood-onschuldige oogen aan, en
zeide kalm en plechtig:
"Neen m'st'r, ik heb hem niet in zijn kraag gestopt."
Dat was ook waar, want de muis was er uit eigen beweging ingeloopen.
"Je jokt, Dik," zei de meester. "'t Is me nu ook duidelijk, waar
vanmiddag dat gepiep vandaan kwam. Jij hebt die muis in de school
gebracht, en niemand anders. Ontken dat maar niet en zit niet te
jokken."
"Ik jok niet," zei Dik.
"Jij jokt wèl," zei de meester driftig. "Spreek de waarheid: heb jij
die muis meegebracht, ja of neen?"
"Ja m'st'r, maar u vroeg, of ik hem in Bruin's kraag had gestopt.
Daar is hij zelf tusschen gekropen."
"Zoo, -- dus jij hebt hem meêgebracht? Dan ben jij in allen gevalle
de oorzaak van de opschudding! 't Is me een mooie middag! Eerst die
kauw van je, en dan die muis...."
"Die kauw had ik niet meêgebracht," zei Dik.
"Zwijg! Je blijft om vier uur minstens een uur na, heb je dat
begrepen? En nu gaan we door met ons werk. We gaan niet naar huis,
voordat de sommen af zijn. Dat hebben jullie aan den grappigen Dik
te danken."
De kinderen werkten thans weer met ijver, want zij wisten dat de
meester, als hij eenmaal iets gezegd had, er geen haarbreed van
afweek.
Dik en Piet waren de eersten, die hun sommen afhadden en hun
schriften inleverden.
Toen Dik zijn werk op den lessenaar van den meester neerlegde, keek
deze hem een oogenblik aan, en hij dacht:
"Kijk, daar is hij weer het eerst met zijn werk klaar en 't is toch
zoo'n ondeugende rakker. Je kunt hem geen oogenblik vertrouwen. En
toch is het de aardigste jongen van de heele klasse. Je kunt
onmogelijk boos op hem blijven."
De meester wachtte zich echter wel, van zijn vriendelijke gezindheid
jegens den jeugdigen zondaar ook maar het geringste te doen blijken.
Integendeel, hij zei op gestrengen toon:
"Zoo, heb je ze af? Heb jij met al je grappigheden nog tijd kunnen
vinden, om je sommen te maken? Ik ben boos op je, Dik! Ga jij maar
eens tweehonderd maal schrijven:
_Ik heb mij vanmiddag in de school zeer onbehoorlijk gedragen._"
"Ai," dacht Dik, "wat is dat een groote regel."
Hij keerde naar zijn bank terug, maar toen hij Bruin passeerde,
streek hij hem met zijn vinger haastig tusschen zijn halskraag, wat
Bruin opnieuw een rilling over zijn leden joeg, tot groote pret van
Dik, die wel zag, hoe hij er van schrok.
Dik haalde zijn lei te voorschijn en begon met twee griffels tegelijk
zijn strafwerk te schrijven. Hij verbeeldde zich altijd, dat het met
twee griffels vlugger opschoot, dan met één, maar 't schrift werd
minder netjes en ook kreeg hij er altijd kramp van in zijn vingers.
"Hard gaat-ie!" fluisterde Piet hem toe.
Maar Dik antwoordde niet. Hij schreef uit alle macht.
Langzamerhand kwamen ook de andere kinderen met hun werk gereed en
deponeerden hun sommen, de een na den ander, op 's meesters
lessenaar. Maar niemand mocht naar huis, hoewel de torenklok al
eenige minuten geleden vier geslagen had.
Eindelijk waagde Anneke te vragen:
"Meester, mijn sommen zijn af. Mag ik weggaan?"
"Neen," zei de meester kortaf.
"Maar wij kunnen toch niet helpen, dat Dik die muis meêbracht?"
De meester keek haar een oogenblik aan.
"Straks, als er meer klaar zijn," zei hij. "'t Maakt nu te veel
stoornis. Ik zal vast maar beginnen ze na te kijken. Dik is de
oorzaak, dat ik toch nog minstens een uur hier moet blijven."
Hij legde de schriften van zijn lessenaar op de voorste bank en deed
het deksel open om een rood en blauw potlood te grijpen, waarmede hij
de sommen altijd corrigeerde, toen plotseling de muis, die in den
lessenaar van den meester een veilige schuilplaats meende gevonden te
hebben, verschrikt uit haar donkere hoekje snelde, tegen zijn mouw
opkroop, langs zijn vest omhoog klauterde en tusschen vest en
overhemd verdween.
Bom! Met een slag wierp de meester het deksel van den lessenaar neer.
"Daar is die ellendige muis weer!" schreeuwde hij verschrikt. Hij
streek met beide handen langs zijn kleeren en rukte met een heftige
beweging alle knoopen van zijn vest los.
"Daar zit hij! Daar zit hij bij uw schouder!" riepen de kinderen van
de voorste banken.
Dik kreeg weer een stoot tegen zijn been met de knie van Piet van
Dril. En beiden hadden een pret van lang, maar durfden toch niet te
lachen uit vrees, dat er dan nog veel meer straf zou volgen.
Met een huivering sloeg de meester de muis van zich af, die op de
voorste bank terecht kwam en daar weer de grootste verwarring
veroorzaakte.
[Illustratie]
De meisjes gilden, en sprongen op de banken, maar Jetje Schaap viel
er af en trok in haar val Mina mede. Samen kwamen zij tusschen de
banken op den grond terecht, doch zij richtten zich haastig op toen
zij de muis in haar onmiddellijke nabijheid bespeurden, en gillende
liepen zij het lokaal in.
De verwarring bereikte haar toppunt, en de meester was zoo boos, als
hij nog maar zelden geweest was.
"Grijpt hem! Grijpt hem!" riep hij den jongens toe.
Dat was een kolfje naar hun hand! Zij renden door het lokaal heen en
weer en buitelden over elkander heen. 't Was een tumult als nooit te
voren.
Alleen Bruin Boon nam aan de algemeene jacht geen deel en bleef stil
in zijn bank zitten. Hij had al meer dan genoeg van het muisje
genoten.
De meester kwam op de goede gedachte, de deur open te zetten, want na
korten tijd bracht het gejaagde muisje zich daardoor in veiligheid.
Het verdween tusschen het kreupelhout langs de speelplaats.
"Wie zijn sommen ingeleverd heeft, mag naar huis gaan," zei de
meester, die naar rust begon te verlangen.
Dat lieten de kinderen zich geen tweemaal zeggen, en met een "dag
m'st'r" verlieten de meesten de school. Enkelen bleven nog maar
binnen, omdat zij hun sommen nog niet afhadden.
De meester ging hun werk vluchtig bekijken en kwam tot de
overtuiging, dat zij ze niet kenden. Daarom liet hij ook hen
vertrekken. Eindelijk bleef hij alleen met Dik over.
Dik schreef, zoo hard hij kon, en de meester corrigeerde de sommen.
Hij was eerder met zijn werk klaar dan Dik, en stak toen een sigaar
op.
Eindelijk was ook Dik klaar.
Hij bracht zijn strafregels naar den meester en deze keek er een
oogenblik naar. Zijn gezicht beviel Dik in het geheel niet. Dik vond,
dat het er erg onheilspellend uitzag, en het bleek hem, dat hij zich
daarin niet vergist had.
De meester nam de natte bordspons en veegde de lei aan twee kanten
schoon. Toen gaf hij de lei aan Dik terug.
"Ze zijn me te slordig, Dik," zei hij. "Maak ze nog maar eens. Ik heb
den tijd."
[Illustratie]
Dik keerde met de lei naar zijn bank terug, en zette zich opnieuw aan
het werk. Hij was in het geheel niet koppig, en hij vond, dat de
meester groot gelijk had. Hij was er van overtuigd, dat hij, Dik, de
opgelegde straf volkomen had verdiend.
Hij schreef dus de regels nogmaals, maar nu met slechts één
griffel.
"De meester is anders in staat, ze mij nog voor de derde maal te
laten schrijven," dacht hij.
Hij hoorde de buitenklok vijf uur slaan en had er toen nog maar vijf
en negentig. Tegen half zes had hij ze af.
Hij bracht ze opnieuw naar den meester, die juist aan zijn tweede
sigaartje begonnen was.
Hij nam van Dik geen notitie.
Dik bleef stil staan, zonder iets te zeggen.
De klok sloeg half zes.
Nog gaf de meester geen blijk, dat hij Dik naast zich gezien had. Hij
zat in een nieuw schoolboekje te lezen, dat hij ter inzage had
ontvangen, en de lectuur scheen hem wel te boeien.
De tijd kroop voor Dik voorbij.
Eindelijk sloeg de klok zes.
De meester deed het boekje dicht en legde het in den lessenaar.
"Geef hier," zei hij tegen Dik.
Dik gaf hem de lei, -- en de meester keek naar de natte spons. Dik
keek er ook naar. Hij had een spons nog nooit zoo'n belangwekkend
voorwerp gevonden als thans.
De meester vestigde toen zijn blik op Dik en keek hem wel een minuut
lang onbeweeglijk aan.
Eindelijk zei hij, terwijl hij hem de lei teruggaf:
"Je kunt gaan, Dik. Ik dank je wel voor den prettigen middag, dien je
me bezorgd hebt. Ik wist niet, dat je zoo'n hekel aan me hadt, Dik."
"Dat heb ik niet, m'st'r," zei Dik zacht, want hij vond het jammer,
dat de meester deze verkeerde gedachte van hem had.
"Neen, dat is wel gebleken," zei de meester kortaf. "Je kunt gaan,
Dik."
Dik bleef staan. 't Hinderde hem dat de meester dit dacht.
"Ju kunt gaan, Dik," herhaalde de meester met verheffing van stem.
"Ik wensch geen woord meer van je te hooren."
Dik borg zijn lei op en ging heen. Bij de deur zei hij:
"Dag meester!"
Maar hij hoorde geen antwoord.
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Vijfde Hoofdstuk.
De jongens maken een afspraak.
Dik keerde in geen opgewekte stemming naar huis terug. O ja, hij had
met zijn muis wel verbazend veel pret gehad, maar dat de meester nu
de gedachte koesterde, dat hij een hekel aan hem had, hinderde hem
geen klein beetje. Want het was in het geheel niet waar, integendeel,
hij hield veel van den meester, en hij had de muis allerminst
medegenomen naar school, om den meester te plagen.
Hij zag, dat de nieuwe buurman bezig was, zijn vrouw te helpen bij
het ophangen van de gordijnen. Het blinde meisje zat op een ouden,
matten stoel voor het huisje. Zij had Dik's kauw bij zich en Dik
hoorde het beest zeggen:
"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Helly!"
Het meisje klapte van pleizier in de handen.
"Dag Gerrit!", riep zij herhaaldelijk. "Kom hier, Gerrit!"
Maar Gerrit kwam niet. Hij stapte parmantig in het grasperkje heen en
weer en wipte eindelijk op een paaltje van het hek. Daar zag hij Dik
aankomen.
"Dag Dik! Hier is Gerrit! Dag Dik! Dag Helly!"
"Dag Gerrit!" riep Dik.
"Ben jij daar, Dik?" vroeg het meisje. "Kom je even bij me?"
Dik kwam.
"Hier zit je lekker, -- in het zonnetje!" zei hij.
"Ja," zei Nelly, -- "heerlijk! Ik zal nu wel weer gauw gezond worden.
't Is hier een heel verschil met het akelige slop in Amsterdam. Wat
ben je laat, Dik, 't is al over zessen."
"Ja," zei Dik. "Erg laat."
"Heb je plezier gehad met je muis? Waar is hij? Heb je hem nog?"
"Zoo, je bent nog al nieuwsgierig," zei Dik, "drie vragen opeens. Ja,
ik heb erg veel pleizier met hem gehad, en ik heb hem niet meer, en
waar hij nu is, dat weet ik niet. Hij wandelt hier of daar in het
veld, denk ik."
"En heb je er de meisjes mede nagezeten?" vroeg Nelly lachend.
"Neen, -- maar hij is me in de school ontsnapt, doordat het draadje
brak, en toen werd het een tumult, zooals ik nog nooit beleefd heb.
De meisjes gilden moord en brand en klommen bovenop de banken, en den
meester maakte hij ook aan 't schrikken, en Bruin Boon kroop hij in
zijn kraag, -- op zijn bloote lijf. 't Was om je een ongeluk te
lachen...."
"Wie is Bruin Boon?" vroeg Nelly. "Wat een gekke naam."
"Bruin Boon is de naarste jongen van de heele school," zei Dik.
"Kijk, daar loopt hij juist voorbij -- Heidaar, Bruin, weet jij ook,
waar de andere jongens naar toe zijn?"
"Heb je lekker school moeten blijven?" riep Bruin terug.
"Ja, tot zes uur," zei Dik. "Zeg, waar zijn de jongens?"
"Ze zijn gaan zwemmen," zei Bruin.
"Waar?"
"In de Molensloot," zei Bruin, die zeer goed wist, dat zij daar niet
waren, omdat hij ze voorbij had zien gaan naar de Vaart achter het
huis van boer Mulder.
"Zoo," zei Dik. "Dan ga ik er straks ook heen."
Bruin, die een hengelstok over den schouder droeg, en dus van plan
scheen hier of daar te gaan hengelen, liep verder. En Nelly zei:
"Ha, ha, Dikje, dus je muis is de oorzaak geworden, dat je tot bijna
zes uur school hebt moeten blijven? Toen lachte je zeker niet meer?"
"O, -- dat kon me zoo veel niet schelen," zei Dik. "Maar de meester
denkt nu, dat ik een hekel aan hen heb, -- en dat is niet waar. Ik
houd juist heel veel van hem. En dat hij dat denkt, -- zie je, dàt
spijt me veel meer, dan dat ik zoo lang heb moeten schoolblijven."
"Wel, zeg dat dan aan den meester," zei Nelly.
"Ja, maar dat gaat zoo gemakkelijk niet," beweerde Dik. "Ik wou het
hem wel zeggen, maar hij liet me niet aan het woord komen."
"Dat was jammer."
"Ja," zei Dik, "'t spijt me. Kom, ik ga naar de Molensloot, naar de
andere jongens, om te zwemmen. Dag!"
"Dag!" zei Nelly. "Kom hier Gerrit!"
Dik haalde zijn polsstok en ging er mede naar de Molensloot. Deze lag
dicht achter den molen van Van Dijk, en ontleende daar zijn naam aan.
Toen Dik den molen passeerde, zag hij daar den jongen hond van den
molenaar loopen, een grooten lobbes van nog maar enkele maanden oud.
't Was een echte Sint Bernards-hond, dien de molenaar van een kennis
gekocht had. 't Zou een reusachtig groote hond worden, dat was
duidelijk aan zijn lichaamsbouw en dikke, gespierde pooten te zien,
en aan zijn grooten kop.
't Beest liep in zijn eentje te spelen met een broek van zijn baas,
die hij van de drooglijn getrokken had. De molenaarsvrouw had zeker
waschdag gehad.
Het beest hield het kleedingstuk tusschen zijn geweldige kaken
geklemd en slingerde het al spelende heen en weer, en even later
holde hij er het molenerf mede op langs een dorenhaag, zoodat de
broek herhaaldelijk aan de scherpe punten bleef vasthaken. Dat vond
Kolos, zoo heette de hond, wel prettig, want dan moest hij geweldig
sjorren en rukken, om haar weer los te krijgen. Dat er op die manier
wel een twintigtal winkelhaakjes en andere scheurtjes in kwamen, kon
hem blijkbaar niet schelen.
Maar Dik merkte het op, en hij besloot de pantalon van den molenaar
van een algeheelen ondergang te redden. Hij liep dus het molenerf op,
klapte in zijn handen en op zijn knieën, en riep:
"Kom hier, Kolos, kom hier! Moet jij de broek van den baas vernielen?
Kom hier, Kolos, -- allo!"
De hond kende 'Dik net zoo goed als deze hem, want Dik kwam dikwijls
in den molen. De baas hield veel van Dik, en moest om zijn dwaze
streken soms hartelijk lachen. Bovendien wist hij, dat Dik een goed
hart bezat.
"Kom hier, Kolos," riep Dik, die zijn polsstok aan den kant van den
weg had neergeworpen.
Maar Kolos had veel te veel pret met de pantalon, om er zoo maar een
-- twee -- drie mede op te houden. Hij hield de eene pijp vast en
slingerde de rest zoo hard heen en weer, als hij maar kon. Toen kroop
hij door een gat in de dorenhaag en sleepte de broek achter zich aan.
Maar dat ging niet. Zij bleef aan twee kanten vasthaken.
De hond sjorde uit alle macht, en Dik hoorde een verdacht gekraak.
"O jé," dacht hij, "daar blijft geen stuk van heel. -- Kom hier,
Kolos, kom hier! Allo Kolos, kom bij den baas!"
De hond sjorde maar door, onder een dof gebrom.
"Krak! Krak!" klonk het.
Dik greep het kleedingstuk met twee handen vast en trok ook uit alle
macht.
Toen zag Kolos hem.
Hij liet de broek los, begon te kwispelstaarten, en holde blaffende
aan den anderen kant van de haag heen en weer.
Dik maakte zich van de broek meester en bracht hem bij de
molenaarsvrouw.
"Kijk eens, buurvrouw," zei hij, "hoe Kolos die broek toegetakeld
heeft! Er zitten wel honderd scheuren in!"
"'t Is zonde nog toe!" riep de vrouw uit, terwijl ze het voorwerp van
voren en van achteren en links en rechts bekeek. "'t Is zonde nog
toe! Die akelige hond heeft hier in huis al wat stuk gemaakt en
vernield. Die broek is vanmorgen pas gewasschen en aan de lijn
gehangen, en kijk me nu eens aan. Er is geen stuk meer van heel! --
Leelijke hond!"
Kolos stond kwispelstaartend achter Dik.
De vrouw nam de pijpen van de broek in beide handen en wilde met het
overige deel den hond een klap geven, om hem te straffen voor zijn
baldadigheid.
Maar zij sloeg mis.
"Leelijke hond! Pas op, hoor, als je 't weer doet. Stoute hond!"
Kolos maakte, dat hij op een eerbiedigen afstand kwam.
"Mag ik den hond een poosje meênemen?" vroeg Dik.
"Hoe langer hoe liever," zei de molenaarsvrouw boos.
En Dik ging heen.
"Kom, Kolos, ga je meê?" riep hij.
De hond kwam met groote sprongen achter hem aan. Dik liep hem op een
draf vooruit, bleef plotseling staan, keerde zich om, en klapte in de
handen. Met hooge jongehonden-sprongen kwam Kolos op hem af, verhief
zich op zijn achterpooten en legde zijn voorpooten op Dik's
schouders. 't Gebeurde met zoo'n vaart, dat Dik door den schok bijna
achterover tegen en grond sloeg.
De hond was veel grooter dan hij.
Dik nam den grooten hondenkop tusschen zijn beide handen en schudde
hem spelenderwijze heen en weer.
Kolos hield zijn bek wijd open en bromde van welbehagen. Hij wilde
Dik's handen tusschen zijn tanden nemen.
Een ogenblik later nam Dik zijn polsstok weer over den schouder en
vervolgde zijn weg. De hond rende met groote sprongen voor hem uit,
vloog op elk vogeltje aan, dat hij hier of daar op den weg zag zitten
en keerde dan weer blaffende naar Dik terug. Herhaaldelijk liep Kolos
ook bij den kanaalkant neer, om zijn dorst te lesschen. Dik hoorde
hem slokken.
Zoo kwam het tweetal eindelijk bij de Molensloot, waar een enkele
blik voldoende was om Dik te overtuigen, dat Bruin hem weer eens voor
den gek had gehouden, want de jongens waren er niet. Alleen Bruin
Boon zag hij op eenigen afstand onder aan den kant staan hengelen.
Bruin zag hem niet, wat geen wonder was, want Bruin had beet, en al
zijn aandacht was bij zijn dobber. Al driemaal was deze een heel eind
onder water getrokken, zoodat Bruin niet twijfelde, of er zat een
groote visch aan het aas, misschien wel een brasem of een karper,
maar als Bruin dan ophaalde, was het telkens mis. Er spartelde zelfs
geen klein vorentje aan den haak.
"Hebben mòèt ik hem," bromde Bruin, en een oogenblik later dobberde
zijn dobber alweer met kracht op en neer. De visch zat alweer aan het
aas.
Dik was kwaad, omdat Bruin hem bedrogen had, en hij besloot, hem dat
eens goed aan zijn verstand te gaan brengen. Bruin zag hem niet
komen, want er groeide riet aan den kant en ook was zijn aandacht te
veel bij zijn dobber.
Dik Wierp zijn polsstok neer en liep op Bruin af. De hond rende met
groote sprongen voor hem uit, met den langen, rooden tong uit zijn
bek. Hij zag een paar kieviten op eenigen afstand en rende er op af,
maar de beesten hadden zich al lang in veiligheid gebracht, voordat
hij hen bereikt had.
Dat was dus mis voor Kolos. Opeens zag deze op eenigen afstand Bruin
Boon aan den waterkant staan. Bruin stond zoover mogelijk voorover en
tuurde met aandacht naar zijn dobber, die zich zoo snel op en neer
bewoog, dat er zelfs kleine kringen in het water gevormd werden.
Ha, -- nog een oogenblik, -- dan zou hij ophalen...
Maar plotseling sprong Kolos hem al spelende met zijn voorpooten
achter op de schouders, met het gevolg, dat Bruin Boon voorover in de
Molensloot plompte en Kolos boven op hem terecht kwam.
"Hè, o, -- hu!" schreeuwde Bruin verschrikt, daar hij den hond niet
had zien aankomen en dus allerminst kon begrijpen, wat er aan de hand
was.
Bruin ging kopje-onder, en kwam midden in de Molensloot weer te
voorschijn. Dicht bij hem zag hij Kolos rondzwemmen, die het bad op
dezen warmen zomerdag wel prettig vond en voor zijn genoegen naar
Bruin zwom, wien hij de beide voorpooten op het hoofd legde, dat
maar juist boven water kwam, want de Molensloot was nog al diep.
Met een nieuwen schrik dook Bruin onder.
Dik vond het geval zoo grappig, dat hij languit in het gras aan den
kant van de sloot lag te lachen, dat men hem wel op vijf minuten
afstands hooren kon.
"Help!" schreeuwde Bruin, die een eindje verder weer met zijn hoofd
boven water kwam. Maar Dik vond dat niet noodig. De jongens gingen
heel dikwijls in de Molensloot zwemmen en zij wisten, dat zij er
dwars doorheen konden loopen, zonder onder water te gaan.
"Ha -- ha -- ha -- ha!" lachte hij, terwijl hij in het gras lag te
rollen.
"Help! O, die hond, -- daar komt die hond weer!" schreeuwde Bruin.
"Kom er zelf maar uit, -- hoor! Ha -- ha -- ha --!"
"O, -- o! Ik verdrink!"
"Je verdrinkt niet, -- ha -- ha -- ha, -- je kunt best ----- overeind
staan," riep Dik hem toe. "Kom hier, Kolos!"
Kolos zwom naar den kant en schudde zich het water uit de haren. Hij
ging naast Dik in het gras liggen rollen.
Toen plonsde ook Bruin naar den kant en kroop tegen den wal op. Daar
stond hij, druipend van het water, met zijn mond zoo ver mogelijk
open te schreeuwen. Zijn beenen hield hij wijd van elkander en zijn
armen ver van zijn lijf.
Hij stond daar als het beeld der wanhoop.
"Ha -- ha -- ha -- ha!" lachte Dik. "Was je aan het zwemmen, Bruin?
Waar zijn de andere jongens, die hier aan het zwemmen waren, Bruin?
Je zei immers, dat ze hier waren? Ha -- ha -- ha --! Maar ik zie ze
nergens, Bruin, alleen jou maar. En houd jij je kleeren altijd aan,
als je gaat zwemmen?"
"Hi -- hi -- hi -- hi!" jammerde Bruin. "Dat -- heb jij -- me -- ge
-- le -- verd!"
"Glad mis, Bruintje!" zei Dik. "Ik....."
"Jij -- hebt -- hi -- hi -- hi -- den hond aan -- ge -- sard -- hi --
hi!"
[Illustratie]
"Als ik dat gedaan had, zou ik het in 't geheel niet erg gevonden
hebben. Waarom zeg je tegen me, dat de jongens hier aan het zwemmen
waren, terwijl je wist, dat het niet waar was?"
"Hi -- hi -- hi -- hi -- hi!"
"Maar ik heb het niet eens gedaan; de hond deed het uit speelschheid,
en hij nam me het werk uit de handen. Want ik kwam juist naar je toe,
om je je leugens in te peperen. Maar nu is het niet meer noodig. Je
hebt je portie al beet. Ga maar naar je huis, Bruintje, om droge
kleeren aan te trekken. Ik zal je hengelstok uit het water halen. Hij
drijft midden in de sloot."
"Hi -- hi -- hi!" jammerde Bruin.
"Dáár," zei hij, terwijl hij hem Bruin overhandigde.
Bruin legde hem over zijn schouder, en zakte langzaam en erg
wijdbeens op huis af.
Dik keek hem lachend na. Hij had geen aasje medelijden met hem. Kolos
sprong vroolijk blaffend om Bruin heen, zeker in de meening, dat hij
hem een groot genoegen gedaan en een gewichtigen dienst bewezen had.
Een poosje later ging ook Dik naar het dorp terug. Kolos liep
vroolijk om hem heen. Dik begaf zich naar de Vaart, achter het huis.
van boer Mulder. Dáár waren de jongens. Toen hij dichterbij kwam,
hoorde hij hun gejoel en gejuich al.
"Hoera, daar is Dik!" riep Piet van Dril, toen hij hem zag komen.
"Hoera, daar is Dik!" riepen de anderen.
"Heb-je lang moeten blijven?" vroeg Jan Vos.
"Tot zes uur maar eventjes," zei Dik, die zijn polsstok neerwierp en
zijn kleeren begon uit te trekken.
"Kom er maar gauw in, Dik, 't water is lekker, hoor!" zei Piet.
Nu, Dik had niet lang werk om zich te ontkleeden. Een paar minuten
later sprong hij al met zijn dikke body in het water.
Dik kon goed zwemmen. Met forsche slagen ging hij naar den overkant,
-- daar keerde hij zich om en ging even staan, spitste zijn handen
zoo hoog mogelijk boven zijn hoofd, en verdween toen in de diepte.
"Ha, kijk Dik eens duiken,". riep Karel Jansen, een zoon van den
postbode. -- "Lekker! Dat ga ik ook doen!"
En hij deed het.
Dik kwam een heel eind verder weer boven en blies proestend de
droppels van zijn lippen.
[Illustratie]
Hij moest even rusten en op adem komen. Tot aan zijn borst toe stond
hij in het water.
De hond keek naar hem en stond aan den kant te kwispelstaarten.
"Jongens, wat heb ik gelachen!" riep Dik den anderen toe.
"Wat dan? Waarom?" vroegen zij nieuwsgierig.
"Om Bruin Boon," zei Dik. "Ik vroeg hem, waar jullie waren, en toen
zei hij, dat je in de Molensloot aan 't zwemmen was. Maar toen ik
daar kwam, zag ik er alleen Bruin Boon, die aan den kant stond te
hengelen. Opeens vloog de hond op hem af en sprong hem spelende
tegen zijn rug op, met zijn voorpooten op Bruin's schouders. Plomp
hoor! Daar ging Bruintje voorover de sloot in, kopje-onder, en de
hond bovenop hem. Je hadt hem eens moeten hooren schreeuwen..."
"Ha -- ha -- ha!" lachten de jongens. "En is hij naar huis gegaan?"
"Ja," grinnikte Dik, "met zijn beenen zoo wijd van elkaar, dat de
hond er wel tusschen door kon!"
"Ha -- ha -- ha! Hij heeft geen gelukkigen dag," lachte Piet van
Dril. "Eerst die muis tusschen zijn kraag, en toen kopje-onder in de
sloot. -- Net goed!"
"Kom hier, Kolos!" riep Dik, en de hond liet zich geen tweemaal
noodigen.
Blaffende sprong hij even langs den kant van het water heen en weer,
en wierp er zich toen pardoes in. Hij zwom regelrecht op Dik toe, die
hem door zoo hard mogelijk te zwemmen, vóór wilde blijven. 't Werd
een grappige wedstrijd tusschen Dik en Kolos, wie het winnen zou, en
de anderen lachten er om. Maar Karel Jansen trok Kolos aan zijn
staart, en Jan Vos wierp hem handenvol water op zijn kop, waardoor
hij niet goed meer zien kon. Hij schudde zijn kop heen en weer en
proestte het water van zijn bek weg, en toen keerde hij zich om en
ging op Karel en Jan af. Die zwommen op hun beurt weer weg, zoo hard
zij konden en onder luid gelach en Dik riep: "Sa, sa, Kolos, pak ze!
Sa! Sa!"
Och, och, wat hadden de jongens een pret. Zij juichten zoo hard dat
Mulder, wiens tuin aan de achterzijde aan de Vaart grensde,
wantrouwig werd en eens ging kijken, wat de jongens uitvoerden.
Mulder was een gierige boer, een echte vrek, die zijn boerderij
verkocht had en heelemaal alleen in een klein huisje woonde aan het
einde van het dorp. Hij had een grooten tuin achter zijn huis met
vele vruchtboomen: appelen, peren, kersen, morellen, kruis- en
aalbessen en frambozen. Van die vruchten at hij er zelf bijna geen
enkele op, daar was hij te gierig voor, hoewel hij een ijzeren kist
vol met geld onder zijn bedstede had staan.
Neen, die vruchten verkocht hij aan de fruithandelaars in de stad, en
zelfs aan een ziek mensch zou hij er geen een gegund hebben. Laat
staan dan aan de jongens, die wel eens stilletjes in zijn tuin
drongen en er kaapten, wat de tijd van het jaar opleverde. Vroeger
had Dik daaraan ook wel meêgedaan, tot hij op een zekeren avond voor
zich zelven tot de conclusie kwam, dat vruchten kapen net zoo goed
diefstal was als b. v. centen stelen, en na dien tijd deed hij het
niet meer. Mulder ging dus eens kijken, wat de jongens uitvoerden,
want de appelen en peren waren nog wel niet rijp, maar er groeiden
heerlijke bessen, aardbeien en frambozen in zijn tuin, en die waren
op dit oogenblik wèl rijp.
Zijn tuin was van de Vaart gescheiden door een strook kreupelhout,
waardoor de jongens hem niet gemakkelijk konden zien. En woord voor
woord kon hij verstaan, wat zij zeiden.
Toen de jongens van het zwemmen genoeg begonnen te krijgen, riep Jan
Vos den anderen toe:
"Zeg jongens, ik schei er uit. Ik ben nu al lang genoeg in het water
geweest. Willen we eens bij Mulder in den tuin gaan kijken, of er
niets te happen valt. De aardbeiën zullen wel rijp zijn."
"'t Is nog te licht, jongens," zei Piet van Dril. "Laten we liever
wachten, tot het donker geworden is."
"En wat moeten we dan in dien tusschentijd doen?" vroeg Karel Jansen.
"Ik heb mijn polsstok bij me. Laten we slootje gaan springen," stelde
Dik voor.
"Ja, ja, slootje-springen, -- dat is goed!"
De jongens klommen aan wal en kleedden zich aan.
Toen gingen zij met Dik dieper het land in om te zien, wie het verst
springen kon.
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Zesde Hoofdstuk.
De vrek krijgt een cadeau.
"Ha -- ha!" lachte Mulder met een paar half dichtgeknepen oogen,
precies zooals de kat kijkt, als hij op een muis zit te loeren en zoo
goed als zeker van zijn prooi is.
"Ha ha, vrindjes, willen jullie liever wachten, tot het donker
geworden is? Je hebt schoon gelijk; dat is veel secuurder! Ha ha, ze
moesten eens weten, dat ik woord voor woord verstaan heb, wat ze
zeiden, en dat ik nu mooi in de gelegenheid ben, mijn maatregelen te
nemen. Ja, ja, 't is nog te licht, hè? Eerst moet het wat donkerder
worden. Maar ik zal jullie wel krijgen, dat beloof ik je. Ik heb een
mooie verrassing voor je!"
Ion Mulder lachte weer, waarbij hij zijn grooten, tandeloozen mond
bijna tot aan zijn ooren toe opentrok.
Hij ging naar een schuur, waar een groot, nijdig beest aan den
ketting lag. 't Was een kwaadaarige aap, die Mulder op dienzelfden
morgen ten geschenke had gekregen van een neef van hem, een matroos,
die een paar dagen geleden uit Indië was teruggekeerd. Die neef was
een slimmerd. Hij wist, dat zijn oom niet alleen oud, maar ook erg
rijk was, en dat hij er altijd vreeselijk over klaagde, dat de
jongens hem 's avonds zijn vruchten afkaapten.
"Weet je wat, ik zal mijn Oom Mulder een kwaadaardigen aap cadeau
doen," dacht Neefje. "Dien aap bindt hij met een land touw aan een
boom vast, en als dan de vruchtendieven komen, springt de aap hen op
hun nek, en dan zullen ze 't voor den tweeden keer wel laten en uit
dankbaarheid benoemt Oompje mij zonder eenigen twijfel tot zijn
universeelen erfgenaam."
En zoo was Neef dezen zelfden morgen met zijn eigenaardig geschenk
bij Oom aangekomen.
De aap was een leelijk, kwaadaardig beest, met kale wangen en een
kaal achterlijf, en zoodra hij bij Oom binnenkwam, was hij op den
ouden vrek aangevlogen en had hem in zijn been gebeten.
Wat was Oom nijdig geworden.
"Ben je gek, Neef," had hij met een pijnlijk gezicht uitgeroepen,
terwijl hij uit zijn wankelenden leuningstoel was opgesprongen, want
het was al een oud ding en de pooten waren niet even lang, -- en al
schoppende den aap op eenigen afstand trachtte te houden. "Ben je
gek, Neef, wat moet ik met dat kwaadaardige monster beginnen? -- Hu,
wat een beest! -- Daar komt hij weer! -- Houd hem bij je, zeg ik.
Kssst, monster, -- pas op, Neef, hij wil me aanvliegen!"
"Wees maar bedaard, Oom. Hier Kees! Allo Kees! Hier, zeg ik je!"
Neef ga een ruk aan den ketting en een schop aan dien aap, tengevolge
waarvan Kees bang onder den stoel van Neef wegkroop.
"Stil zitten daar, hoor je!" dreigde Neef met opgeheven vuist. De aap
keek Neef bevreesd aan, maar toen deze niet meer op hem lette,
grijnsde hij Oom allesbehalve vertrouwenwekkend toe.
[Illustratie]
Oom nam weer, maar met een pijnlijk gezicht, want de aap had hem
leelijk in zijn tanige kuit gebeten, in zijn huppelende leuningstoel
plaats. Hij was nog allerminst met het geschenk van zijn neef
ingenomen.
"'t Is heusch een aardig, vriendelijk beest, Oom...."
"Hè, vriendelijk?" bromde Oom. "Dat heb ik gemerkt."
En nogmaals wreef hij zich zijn pijnlijke kuit.
Opeens sprong hij weer uit zijn stoel op en schreeuw de luid:
"Houd hem vast, -- houd hem vast, -- daar komt hij weer, dat
monster!"
Inderdaad was Kees weer van onder den stoel te voorschijn gekropen en
hield zijn nijdigen blik op den ouden vrek gevestigd.
"Allo, Kees, -- marsch!" gebood Neef, weer met een nijdigen ruk aan
den ketting en opgeheven vuist.
Daar had Kees het noodige respect voor en ijlings bracht hij zich
weer onder den stoel in veiligheid.
"Ga maar gerust zitten, Oom," zei Neef. "Hij zal je heusch geen kwaad
doen."
Oom ging met een angstigen blik naar den aap zitten kijken.
"Wat moet ik met dat monster beginnen?" zei Oom. "Ik wou, dat jij en
je aap alle twee weggebleven waren."
"Ho, ho, Oompje," lachte Neef. "Dat meen je niet. Heb je me zelf niet
gezegd, toen ik den laatsten keer hier was om goeiëndag te komen
zeggen, omdat ik weer voor een paar jaar op reis ging, -- heb je me
toen zelf niet gezegd, dat je zoo'n last had van de kwajongens, die
je de vruchten komen wegkapen?"
"Die rakkers!" bromde de vrek, terwijl hij zijn oogen onafgebroken op
den aap gericht hield, wat deze beantwoordde met hem wel tienmaal
per minuut afschuwelijk toe te grijnzen.
"En zie je," vervolgde Neef, "om je te toonen, hoe veel ik met mijn
Oompje opheb, heb ik dit beest voor je meêgebracht? 'k Heb hem
onderweg voor je gekocht en hij heeft me een aardige duit gekost. Ik
zal het je niets kwalijk nemen, als je me de kosten vergoedt, Oompje,
desnoods met een kleinigheidje van een vijf en twintig gulden toe
voor de moeite."
"'k Had niet liever," bromde Oom, die haastig zijn handen op zijn
beide zakken legde. -- "Hu -- Daar komt hij weer....!"
Oom vloog zijn stoel uit, en wel te juister tijd, want de aap nam een
sprong, om hem nogmaals in zijn beenen te bijten.
"Mijn huis uit, jij en dat monster!" schreeuwde de vrek verschrikt.
"Hij zal me nog vermoorden!"
"Wacht, ik zal jou die kunsten wel afleeren!" riep Neef, terwijl hij
den aap ruw heen en weer schudde en hem een geduchte afstraffing gaf.
"Dáár, --" zei hij, -- "waag het nu nog eens, onder dien stoel
vandaan te komen, -- aartsrakker!"
Oom ging weer zitten, maar eerst schoof hij den hobbelenden stoel
zoover mogelijk van den aap af.
"Zie je, Oom," hernam Neef, "den aap bindt je des avonds hier of daar
in den boomgaard vast, en dan zal geen een jongen het wagen, een hand
naar je vruchten uit te steken. 't Is heusch een vriendelijk beest,
doch hij is het alleen maar voor zijn baas. Mij zal hij geen kwaad
doen, dat ziet u zelf, -- alleen anderen vliegt hij aan als een
duivel, en zoo een moet je juist hebben. Als hij maar eenmaal een van
de vruchtendieven te pakken heeft gehad, zal niemand het meer durven
wagen in je tuin te komen, dat staat als een paal boven water."
"Zoo," zei Oom, die wel een beetje zin begon te krijgen, om den aap
te houden. "Zou hij hem zoo toetakelen, denk je?"
Oom vond dat zoo'n aangenaam vooruitzicht, dat hij van de voorpret al
begon te lachen, maar zijn lachen bestond eigenlijk alleen uit een
alleronaangenaamst grinniken.
"Als hij hen eenmaal te pakken krijgt, blijft er geen stuk van hen
heel, Oompje," zei Neef ook lachend, want hij vond het prettig, dat
Oom zin in het beest kreeg. Hij begon zich meer en meer als den
toekomstigen erfgenaam van zijn rijken, gierigen oom te beschouwen.
"Maar hij zal erg duur -- hu -- daar komt het mormel weer ----!"
Oom vloog weer uit zijn stoel op.
Maar Neef joeg met een schop den aap onder zijn stoel terug.
"Dat mormel!" zei Oom.
"Heusch, Oom, hij doet geen kwaad, ga maar gerust zitten."
Oom deed het.
"Ik zeg, dat hij erg duur in den kost zal wezen," zei Oom, die haast
te gierig was, om zelf genoeg te eten.
"Duur?" riep Neef. "Wat duur? 't Beest eet haast niemendal. Aan een
overschotje van je eigen eten heeft hij meer dan genoeg, en als je
hem een paar noten geeft, is hij zoo blij als een kind. Hier Kees,
kom bij den baas!"
Oogenblikkelijk kwam de aap van onder den stoel te voorschijn en
sprong den matroos op de knieën. Neef haalde een paar noten uit zijn
zak en gaf er een aan Kees.
Ha, dat was Kees naar den zin. Hij greep de noot tusschen zijn
vingers en kraakte den dop tusschen zijn tanden. Met welbehagen
haalde hij de blanke pit te voorschijn en at die met smaak op.
Vragend keek hij zijn baas aan.
Toen wipte hij met een sprongetje op de tafel en Oom met een gil van
angst uit zijn stoel.
"Houd hem vast -- houd hem vast!" schreeuwde hij.
"Hoor eens, Oompje, je bent veel te bang, en daar maakt hij juist
gebruik van. Hier Kees, spring over den kop, dan krijg je nog een
noot!"
Oogenblikkelijk begon Kees op de tafel kopje te buitelen, wat Oom
zoo'n grappig gezicht vond, dat hij zijn mond weer tot aan zijn ooren
toe opentrok.
"Dat is aardig!" zei hij, en hij bedacht, dat die aap hem toch wel
goed te pas kon komen, als hij eerst wat aan hem gewend was. Ha ja,
hij was altijd bang, dat er 's nachts dieven zouden komen, om hem
zijn lieve geldje af te stelen, maar als die aap 's nachts in zijn
kamer was, zouden zij het wel laten. En de vruchtendieven zou hij ook
wel uit den tuin weten te houden. "'t Is toch wèl een aardig beest!"
zei hij. "Maar duur in den kost, denk ik."
"Malligheid," zei Neef. "Een restje van je eigen eten is genoeg....."
"Dat zal een beetje zijn," dacht de vrek, die zelf nooit genoeg at en
alles tot het laatste kruimeltje toe verstond.
"En een nootje af en toe is een tractatie voor hem," zei Neef.
"Maar noten zijn duur," zei Oom.
"O, ik heb er nog genoeg bij me. Mijn zakken zitten vol. En dat hij
je de dieven uit je tuin houdt, mag je wel een kleinigheidje waard
zijn, zou ik zoo zeggen."
"Natuurlijk," zei Oom, die zich voornam, de noten van Neef zelf op te
eten en er nooit een voor den aap te koopen. "Weet je wat, breng hem
maar in de schuur en ik dank wel voor je cadeau."
Oom, Neef en Kees gingen naar de schuur, waar Neef den aap aan een
stevigen kram vastbond. En daar Oom hem niet uitnoodigde om te
blijven eten, vertrok Neef een uurtje later in de vaste overtuiging,
dat hij een slimmen streek had uitgehaald en later Oom's lieve geldje
wel erven zou.
De vrek begaf zich dus, toen hij de afspraak van de jongens had
gehoord, naar het schuurtje met een grijnslach van genoegen op zijn
dunne lippen.
"Ha ha, wat zullen ze schrikken," grinnikte hij, "als die aap hen op
hun nek springt of in de beenen bijt. -- Ho Kees, -- hu -- o jij
leelijkerd!"
Hij begon al vast maar te brommen tegen Kees om hem een beetje bang
te maken, want zelf was hij zoo bang als de dood voor den aap, en hij
durfde hem niet te genaken.
Kees keek hem grijnzend aan en sjorde aan zijn touw, om los te komen,
blijkbaar met de vriendelijke bedoeling, om op zijn nieuwen baas aan
te vliegen en hem eens goed met zijn tanden en nagels te bewerken.
Maar het touw was gelukkig nog al sterk.
"O hemel, als het eens brak," mompelde Mulder. "Het monster zou me
vermoorden. -- Hu, jou leelijkerd! Blijf je zitten! Vort, monster!"
Mulder dreigde den aap met beide vuisten en stampte met zijn klompen
op den vloer, om den aap den noodigen schrik in te boezemen, maar hij
zorgde wel een eerbiedigen afstand tusschen hen beiden te bewaren,
zoodat Kees hem niet bereiken kon.
"Wacht, jou mormel!" dreigde Mulder. Hij haalde een dikken stok uit
den hoek te voorschijn en gaf Kees van uit de verte een nijdigen
klap. Kees werd woedend. Hij rukte en sjorde uit alle macht om los te
komen, en dan zou hij het dien ouden kerel wel eens betaald zetten,
dat hij hem durfde slaan.
Maar 't lukte hem niet. Het touw was te sterk.
Weer kreeg hij een gevoeligen klap, veel harder, dan Kees prettig
vond.
Kees schrok er van en kroop zoo ver mogelijk achteruit.
"Juist, monster, zoo moet ik je hebben," zei de vrek. "Pas op jij,
hoor je, of ik zal je mores leeren!"
En dreigend hief hij weer den stok op.
Kees drong zich uit angst stijf tegen het houten schot. Hij werd
blijkbaar bang voor den ouden gierigaard.
Mulder lachte.
"Zoo gaat het goed," zei hij. "En nu zal ik een stukje brood voor hem
halen en een paar noten, want hij heeft den heelen middag nog niets
gehad en zal dus wel honger hebben. Maar dat is niet erg. Ik heb ook
honger en toch eet ik nog niet. 't Is jammer van de heerlijke noten,
maar 't kan eenmaal niet anders. En gelukkig heeft Neef een goeden
voorraad bij me achter gelaten. Zulke zeelui doen maar net, of het
geld geen waarde heeft, ze gooien er compleet meê."
Mulder ging in huis om een sneetje brood te halen en stak eenige
noten in zijn zak. Maar hij bedacht zich.
"'t Is zonde van de noten," mompelde hij "Waarom zou ik er vijf aan
dat mormel geven? Ik moet hem niet verwennen. Vier is ook wel
genoeg."
Hij legde er dus weer een in de kast en wilde de kamer verlaten. Maar
bij de deur bedacht hij zich opnieuw.
"Als vier er genoeg zijn, zijn drie er ook genoeg," mompelde hij. En
hij legde er nog een in de kast.
"Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen," zei Mulder, en hij
keerde uit het achterhuis terug en legde nog een noot in de kast.
"Twee is meer dan genoeg," zei hij, terwijl, hij naar de schuur ging.
Thans trad hij niet dreigend op en sloeg hij den aap ook niet.
"Neen, neen," mompelde hij, "dat zou verkeerd zijn. Eerst heb ik hem
schrik ingeboezemd en den heelen middag honger laten lijden, en nu ga
ik hem voor mij winnen. En als hij niet vriendelijker wordt, krijgt
hij in drie dagen geen kruimel brood en geen droppel water. Dan zal
hij wel wat makker worden."
Maar dit paardenmiddel was al niet meer noodig. De aap voelde den
laatsten klap, dien Mulder hem gegeven had, nog terdege, en had geen
lust den strijd met den ouden man voort te zetten, en ook was hij
dolblij, toen de vrek hem een klein stukje brood toewierp, want hij
rammelde van den honger.
Haastig raapte hij het van den grond op en begon het smakelijk op te
peuzelen. Daarna kwam hij met een paar sprongen zoo dicht bij zijn
nieuwen baas, als de lengte van het touw hem toeliet.
"Goede Kees!" vleide de vrek, wiens angst voor den aap aanmerkelijk
verminderde. "Beste Kees!"
De aap ging op zijn achterpooten zitten en keek hem vragend aan.
"Hier!" zei Mulder, en hij wierp hem weer een klein stukje toe.
Tevens waagde hij zich een paar stapjes dichter bij den aap.
Kees had zijn vijandschap blijkbaar geheel afgelegd.
Daarom waagde Mulder hem het derde stukje met zijn hand aan te
reiken, en Kees pakte het voorzichtig van tusschen zijn vingers.
"Ha, ha, -- goed zoo, Kees!" lachte Mulder. "Je zoudt niet zeggen,
dat jij zoo'n nijdig monster van een beest bent.