[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Eerste Hoofdstuk.
Dik en zijn verjaarcadeautje voor Anneke.
Het was in de heerlijke Junimaand.
Dik Trom was sedert den eersten April zijn laatste schooljaar
ingegaan, en Jan Vos en Piet van Dril behoorden nog altijd tot zijn
beste vrienden.
Eigenlijk waren, op een paar uitzonderingen na, alle menschen op het
dorp zijn vrienden, zoowel groote, als kleine, want iedereen hield
van hem en hij hield van iedereen.
Die twee uitzonderingen waren Flipsen, de veldwachter, en Bruin Boon,
een van zijn medescholieren. Bruin had in zijn jonge leven al menig
pak slaag van Dik te pakken, maar hij had ze altijd dubbel en dwars
verdiend, en de andere jongens hadden ze hem van harte gegund. Zij
waren er in het geheel niet jaloersch op geweest. Bruin was een echte
ruziemaker, en toch was hij laf van aard. Als 't mis liep door zijn
plagen en sarren, zette hij het altijd met bekwamen spoed op een
loopen, maar was hij op een eerbiedigen afstand gekomen, dan begon
hij te schelden en met steenen te gooien. Doch hielden de anderen
zich dan, of zij op hem af wilden komen, dan maakte hij weer beenen
zoo hard hij kon, en dat was heel hard, want hij was zoo mager als
een panlat en hij had bijzonder lange onderdanen. Dan lachten de
jongens hem hartelijk uit, dat is te begrijpen.
De tweede uitzondering was Flipsen, de veldwachter. Deze hield in 't
geheel niet van Dik en daar bestonden goede redenen voor. Flipsen was
een nijdige man, die bij niemand op het dorp gezien was. Alle jongens
waren doodsbang voor hem, -- behalve Dik.
Dik was voor niemand bang, en dat hij het ook voor Flipsen niet was,
had hij getoond, door op een avond wel een half uur lang bij hem aan
de ruiten te tikken, door middel van een draad, een speld en een
steentje. Flipsen was woedend geworden en herhaaldelijk naar buiten
gevlogen met een stok in zijn hand, om den dader op te sporen en hem
een geduchte afstraffing te geven. Maar Dik had hij niet gevonden, en
eindelijk had hij Bruin Boon zoo'n pak slaag gegeven, dat Bruintje
moord en brand schreeuwde en drie dagen later bijna nog niet loopen
kon van de pijn. En toch was hij er zoo onschuldig aan als een
pasgeboren kindje in de wieg.
De jongens hadden zich krom gelachen van de pret.
Maar Bruin had verklapt, dat Dik de dader was, en toen had Flipsen
een grooten hekel aan Dik gekregen.
Dat was er niet beter op geworden, toen op een avond Dik, door de
zeer gewaardeerde hulp van Jan Vos en Piet van Dril, uit het
gevangenhok had weten te ontsnappen, waarin Flipsen hem opgesloten
had, en deze per slot van rekening er door Dik zelf in opgesloten
werd. Sedert dat gedenkwaardige feit kon Flipsen den dikken Dik
luchten noch zien, en als hij hem hier of daar ontmoette, hield hij
hem altijd zorgvuldig in de gaten, uit vrees, dat Dik op de een of
andere manier hem weer een poets zou spelen. Hij was een beetje bang
voor hem!
En toch had Dik geen aasje kwaad in zijn heele dikke corpus. Ja, ja,
hij deed wel eens kattekwaad, dat valt niet te ontkennen, maar hij
plaagde geen oude vrouwen, zooals Bruin bij voorkeur deed, hij deed
geen leelijke streken, waarvan anderen schade of verdriet
ondervonden, hij schold nooit, omdat hij dat beneden zijn waardigheid
vond, geen leelijk woord kwam ooit over zijn lippen, hij jokte niet,
omdat hij de waarheid liefhad, hij zou zelfs geen knikker gappen, al
had hij er geen een in zijn zak en hunkerde hij er naar om meê te
knikkeren, hij zou geen kip kwaad doen, laat staan dan een mensch.
Neen, zijn inborst was goed, al deed hij soms kattekwaad. Onrecht kon
hij niet dulden, en zelfs voor grootere jongens was hij niet bang,
als zij hem te na kwamen. Tegen een vechtpartijtje, als daar geldige
redenen voor bestonden, had hij geen gemoedsbezwaren, maar hij lokte
het nooit uit. Hij had een hart van goud. Verdriet en ellende bij
anderen konden hem tot tranen toe roeren en dan was hij steeds gereed
om metterdaad bij te springen. Vraag dat maar aan de heks van den
Achterweg, die het van hem heeft ondervonden, toen zij in nood
verkeerde. Die heks hield dolveel van Dik. Zij zou hem wel in haar
armen willen drukken en op zijn twee bolle wangen kussen, maar Dik
houdt niet van die aardigheden, hij moet er niets van hebben.
Bruin Boon en den veldwachter uitgezonderd, hielden dan ook alle
menschen op het dorp veel van Dik, de meester ook, en toch haalde Dik
op school nog al eens malle streken uit, die zijn kameraden niet
durfden doen, maar waarom zij soms geweldig moesten lachen, en die
Dik tot een beroemdheid onder hen maakten. De meester liet niet met
zich spotten en legde Dik menige zware straf op, maar toch hield hij
van hem, omdat hij wist; dat hij een goed hart had en tot geen
slechte daden in staat was.
De jongens waren dol op Dik, want Dik kon en durfde alles. Zij keken
hem met de grootste bewondering na, als hij 's avonds den ezel van
Bertels naar het land bracht, want niemand van hen was het ooit
gelukt op dat wilde beest te blijven zitten, omdat het niemand op
zijn rug duldde. Hij verhief zich dan zoo hoog op zijn achterpooten,
dat zijn berijder meestal van zijn rug afgleed, en als dat niet
gelukte, maakte hij zulke malle sprongen links en rechts, dat de
ruiter zijn evenwicht verloor en op den grond geworpen werd, -- en
als al die kuren niet hielpen, dan gooide langoor zijn achterlijf zoo
ver in de hoogte, dat het scheen, of hij ging kopje-buitelen, en dan
kon de beste ruiter zich niet op den rug van het dier handhaven en
vloog over zijn kop wel vier, vijf passen verder over den weg. Alleen
Dik kon hij er niet afkrijgen. Zoo dwaas kon hij niet springen en
steigeren, dat Dik er afviel. Zelfs als hij deed, of hij kopje ging
buitelen, bleef Dik doodbedaard zitten, maar hij zat er dan ook
achterste-voor op en hield den staart van Grauwtje met beide handen
omklemd. "Wie niet sterk is, moet slim wezen, en ik ben slimmer dan
de ezel," zei hij altijd. 't Was een kunststuk, dat de andere jongens
hem wel probeerden na te doen, maar wat hun nooit gelukte.
Ja, de meester hield veel van Dik, want Dik was een ijverige
leerling. Hij maakte wel grappen, maar nooit, als hij zijn werk nog
niet af had. Alleen als hij niets te doen had, was hij niet te
vertrouwen, en dat wist de meester zeer goed. Hij zorgde er dan ook
gewoonlijk goed voor, dat Dik steeds werk in overvloed had, soms wel
meer dan hij afkon. En Dik hield van den meester, omdat hij wist, dat
deze veel van zijn leerlingen hield en veel voor hen over had. Nu
weer had de meester eenige maanden geleden bedacht, om met de
kinderen een heelen dag in den zomer, dicht voor de groote vacantie,
uit te gaan. Er zou dan een stoomboot gehuurd worden en dan zouden
zij naar een of andere badplaats varen, om den dag aan het strand en
in de duinen door te brengen. Elk kind, dat van de partij wilde zijn,
moest 2 1/2 cent per week medebrengen, en die het missen konden,
moesten iets meer geven, om een paar arme kinderen, die niets konden
bijdragen, in de gelegenheid te stellen, aan het feest deel te nemen.
Dik gaf elke week vijf centen, zoodat op zijn kosten een arm kind
mede mocht. Dat vond Dik een prettig idée.
Dat sparen had nu al eenige maanden geduurd en over een week of vier
zou het feest plaats hebben. Alle kinderen verheugden er zich
bijzonder in, en Dik niet het minst, want alle pretjes waren hem
welkom. Trouwens, op het dorp, waar Dik woonde, hadden niet veel
feestelijkheden plaats. Kermis was er nooit; alleen werd er één dag
in het jaar een harddraverij gehouden, en dat was het grootste feest,
dat Dik tot nog toe in zijn leven had medegemaakt. Maar zoo'n
boottocht vond Dik toch nog veel mooier. Hij had nog nooit in een
boot gezeten want er kwamen nooit stoombooten door Dik's woonplaats.
't Zou dus wel een bijzonder geval worden als de kinderen nu met
zoo'n vervoermiddel een heelen dag uit varen zouden gaan.
"Waar gaan we heen, m'ster?" vroeg Dik op een morgen even voordat de
kerkklok twaalf uur zou slaan. De meester praatte dan wel eens een
oogenblik met de kinderen over het groote feest, waarvan zij geheel
vervuld waren.
"We gaan naar Wijk aan Zee, Dik," zei de meester.
"Maar daar kunnen we toch niet met een stoomboot komen?" zei Dik.
"Waarom niet?" vroeg de meester met een goedkeurend knikje omdat hij
de opmerking van Dik zoo bijzonder juist vond.
"Wijk aan Zee ligt niet aan een water," zei Dik.
"En de zee dan, Dik?"
"O, maar die varen we niet over," zei Dik.
"Neen, dat doen we ook niet, en je hebt gelijk, dat we er per
stoomboot niet kunnen komen. We varen naar IJmuiden en wandelen dan
langs het strand naar Wijk aan Zee, of we varen naar Beverwijk, en
gaan dan per tram verder."
"Dat zal geld kosten!" riep Piet van Dril.
"Ja, ja, jongens, veel geld, maar ik zal alles wel zoo berekenen, dat
we niet te kort komen. Hoor, daar luidt de klok. We gaan naar huis."
Een oogenblik later krioelde het op de speelplaats van kinderen, die
joelende en stoeiende naar den dorpsweg gingen, om zich daar in
verschillende richtingen te verspreiden. "Ga je zoover meê, Anneke?"
vroeg Dik aan een meisje, dat een paar passen achter hem aankwam.
"Ja, ik ga meê", was het antwoord.
Anneke woonde drie huizen verder dan Dik, en zij waren samen al
vriendjes geweest, zoolang hun heugen kon. Dik wist nog best, hoe hij
den eersten keer Anneke op visite was geweest. Anneke werd op dien
dag vier jaar, en zij had, om dat feest met haar te vieren, van haar
moeder verlof gekregen, Dik op de poffertjes te noodigen. Dik was er
verrukt over geweest, want hij hield veel van eten en inzonderheid
poffertjes lustte hij heel graag. Hij kon er dan ook een reusachtige
hoeveelheid van verslinden.
Hij hunkerde naar den dag, dat Anneke eindelijk jarig zou worden,
want Anneke had hem in de vreugde haars harten wel veertien dagen van
te voren voor het groote feest uitgenoodigd.
Op een keer mocht Dik met zijn moeder mede naar den bakker, om brood
te halen. Bakker Herstraten was tevens banketbakker, en Dik keek zijn
oogen uit naar al het lekkers, dat er in den winkel te koop lag.
Opeens ontdekte hij een varken van marsepein, en dadelijk kwam de
gedachte bij hem op, dat het een prachtig verjaarcadeau voor Anneke
zou zijn. Volgens zijn meening was er geen prachtiger en lekkerder
geschenk op de heele wereld te bedenken.
"O, o, Moeder, kijk eens, wat een mooi varken, met pooten en een
staart en oogen, wat prachtig! Toe Moe -- koop dat voor Anneke, als
ze jarig is, Moeder, -- wat zal dat lekker zijn!"
Maar Moeder Trom had er niet veel ooren naar, want het varken was nog
al groot en zou dus wel veel geld kosten, meer, dan zij missen kon.
Maar man was maar een eenvoudige timmermansknecht, en verdiende dus
niet genoeg om zulke lekkernijen te kunnen bekostigen.
"Dat is te duur, Dik," zei ze. "Niet waar, bakker, het kost stellig
wel een kwartje?"
"Een schelling, vrouw Trom," zei de bakker. "Die dingen zijn duur."
"Toe Moeder," hield Dik vol. "Ik mag er zooveel poffertjes eten, als
ik maar lust, zegt Anneke. Toe Moeder, een schelling is niet veel."
"Daar heb jij nog geen verstand van, Dik. Jij bent nog maar vier
jaar. Maar enfin, pak het maar voor me in, bakker. 't Moet voor
verjaarcadeautje dienen, dus zal ik maar over 't geld heenstappen.
Kom Dik, we gaan naar huis. Dag bakker."
"Dag vrouw Trom, dag Dik. Zeg Dik, lust jij wel een flikje van me?"
De bakker hield Dik de glazen stolp voor, waar Dik zijn beide handen
in stak en gevuld weer terug trok, wat de bedoeling van den bakker nu
juist niet was.
"Ho, ho, Dik, -- zoo bedoel ik het niet..." riep de bakker.
Maar 't was te laat. Dik was al buiten en deed zich naar hartelust
aan de flikjes te goed.
"Zoo'n kleine schrok!" mopperde de bakker, terwijl hij de stolp weer
op de plank zette.
De flikjes waren spoedig verdwenen, en toen wilde Dik zelf het
marsepein-varken dragen.
"Neen, Dik, dan laat je 't maar vallen, en dan is het stuk," zei
Moeder.
"Ik laat het niet vallen," beweerde Dik. "Laat mij het dragen,
Moeder."
Zooals gewoonlijk kreeg Dik nu ook zijn zin, en met het prachtige
varken in zijn knuistje stapte hij parmantig naast zijn moeder voort.
Wonder boven wonder bracht hij het heelshuids thuis.
Dadelijk haalde hij het uit het zakje te voorschijn. Hij zette het op
zijn vier pooten op de tafel, en ging er in stille bewondering op een
stoel naar zitten kijken.
[Illustratie]
"Hè, wat mooi! Wat mooi!" mompelde hij zacht voor zich heen.
Moeder moest in het achterhuis eten koken.
"Zet het varkentje nu in de kast, Dik, anders zal het heusch nog
breken," zei ze. "En dat zou zonde wezen van het mooie cadeau."
"Ja, straks," zei Dik. "Eerst moet ik er nog naar kijken."
Moeder verliet de kamer, en Dik bleef het prachtige beest bewonderen.
Hij streek het over zijn breeden rug, voelde aan het staartje, liet
het over de tafel loopen, terwijl Dik "knor, knor!" riep, en besloot
eindelijk eens heel eventjes te proeven, of het lekker was. Zijn
verwachtingen daaromtrent waren hoog gespannen, maar het resultaat
overtrof ze nog verre. Hij bracht het varken aan zijn mond en likte
met zijn tong heel voorzichtig aan een oor.
Dik vond het heerlijk, en tot zijn vreugde zag hij, dat het oor nog
even groot gebleven was. Hij kon er althans niet het minste verschil
in ontdekken, toen hij het met het andere vergeleek.
Daarom likte hij met animo verder, en 't was zóó lekker, dat hij er
niet mede ophouden kon.
Toen hij even later weer eens keek, ontdekte hij tot zijn groote
voldoening, dat het nog maar een klein beetje kleiner en dunner
geworden was.
"Hmmm!" bromde Dik. "Wat is dat lekker!"
Maar ten slotte kwam hij toch tot de ontdekking, dat het oortje
verdwenen was en dat zelfs de kop al een kleine inholling gekregen
had. Dik schrok ervan. Hij deed het varken in het zakje en zette het
in de kast.
"Zie zoo, de rest is voor Anneke. Dat ééne oortje hindert niet,"
dacht hij. En toen liep hij met zijn handen in zijn zakken door de
kamer te stappen en wilde zich wijsmaken, dat hij het heele varken
vergeten was.
Doch lang hield hij het niet uit, want het was geen minuut uit zijn
gedachten. Hij haalde het weer te voorschijn, echter alleen maar om
er mede te spelen. Hij liet het weer over de tafel loopen, soms hard,
soms langzaam, en dan knorde Dik weer uit den treure, tot hij het
opeens uit zijn vingers liet glippen en het op tafel viel. 't Arme
beest brak zijn mooie, gekrulde staartje.
Dik vond het meer dan jammer, maar nu het er eenmaal af was, wist hij
niet beter te doen, dan het maar op te eten. Hè, 't smaakte net zoo
lekker als het oortje en weldra was het door zijn keelgat verdwenen.
En omdat er geen varkens waren, die maar één oor hadden, Dik had
er althans nog nooit een gezien, besloot hij het andere oor ook maar
op te eten. Dat stond veel mooier, en Anneke zou het niet eens zien.
"Maar nu niets meer!" besloot Dik. Hij borg het weer in de kast en
ging spelen. Hij keek er den heelen dag niet meer naar om, maar den
volgenden dag begon het spelletje opnieuw. Hij vermaakte er zich
zoolang mede, tot het een voor- en een achterpoot kwijt was, en dat
vond Dik een dag later zoo'n ongelukkig gezicht, dat hij er de twee
andere pooten ook maar afknabbelde. Toen was er nog maar alleen de
romp met den kop van over. De kop verdween een dag later ook als een
offer aan Dik's snoeplust en toen merkte Moeder pas, welk droevig
feit zich gedurende eenige dagen had afgespeeld.
"Maar Dik!" riep ze uit, terwijl ze hem het verminkte varkensrompje
voorhield, waar Dik trouwens al eenige malen met innig welbehagen aan
had gelikt, "maar Dik, wat heb je nu gedaan? Dat varken is al half
op! Waarom heb je dat gedaan?"
"'t Was lekker!" zei Dik. "Maar 't is nog groot genoeg. Anneke lust
het toch niet graag, denk ik."
"Zoo, denk jij dat!" mopperde Moeder. "Nu, we zullen maken, dat je er
niet meer bij kunt, want anders schiet er van het heele verjaarcadeau
niets over."
En Moeder legde het op de bovenste plank in de kast.
Toen Anneke eindelijk jarig was, deed Moeder, het invalide beest in
een schoon papiertje en ging Dik op visite.
"Daar," zei hij, "dat is voor jou."
"O, lekker," zei Anneke, "een stuk suikergoed!"
En zij zette er gretig haar tandjes in. Men kon het haar aanzien, dat
zij smulde.
"'t Is een varken geweest," beweerde Dik trotsch.
"Neen, 't is een stuk suikergoed," zei Anneke. "'t Heeft geen pooten
en geen kop."
"'t Is toch een varken geweest," hield Dik vol. "Maar ik heb het
geslacht. Toe, geef mij ook een stukje."
Anneke beet er een stuk af en gaf het aan Dik. Zoo doende was het
beest spoedig verdwenen, en om twaalf uur kwamen de poffertjes aan de
beurt, waaraan Dik de noodige eer bewees.
Maar dat alles was nu al lang geleden, want Dik en Anneke waren nu al
twaalf jaar. Doch altijd waren zij de beste vriendjes geweest. Samen
gingen zij dus, toen de school uitging, naar huis.
"'k Wou, dat we den dag van het schoolfeest al hadden, Dik," zei
Anneke.
"Ik niet minder," zei Dik. "'k Heb er zin in. Zeg, weet je, dat
we...."
"Kijk, kijk!" riep er een stem achter hen: "Dik en Anneke! Dik
meisjesgek! Dik meisjesgek! Ha, ha, daar gaan ze samen...!"
Dik keek om.
"O, dacht ik het niet? 't Is Bruin Boon natuurlijk. Die moet altijd
schelden."
"Dik meisjesgek! Dik meisjesgek!" schreeuwde Bruin Boon.
Dik werd nijdig. Hij balde zijn vuisten en riep terug:
"Kom hier, als je durft, dan zal ik je op je gezicht meisjesgekken!"
Maar Bruin kwam niet. Hij bleef op eerbiedigen afstand.
"Dik meisjesgek! Dik meisjesgek! Dik gaat met Anneke trouwen!" jouwde
Bruin.
"Kom hier, als je durft!" schreeuwde Dik terug. "Maar dat durf je
niet, hè?"
"Leelijke meisjesgek!" sarde Bruin, wien het plezier deed, dat Dik er
kwaad om werd.
Dik wilde terugkeeren, om Bruin zijn portie te geven.
[Illustratie]
Maar Anneke zei:
"Kom Dik, laten we maar gaan. Wat kan jou die vervelende Bruin
schelen Hij gaat toch op den loop, als je naar hem toe gaat."
"Ja, maar wat doet hij te sarren," zei Dik. "Wacht maar, ik zal het
hem wel betaald zetten."
"Zeg Dik, wat wou je straks zeggen?" vroeg Anneke.
"Ik -- Wat zegge? -- Dat weet ik niet meer," zei Dik, die
herhaaldelijk nog naar Bruin omkeek.
"Leelijke meisjesgek!" klonk het uit de verte.
"Zoo'n mispunt!" zei Dik.
"Kom, kijk niet weer naar dien jongen," zei Anneke. "Laten we
voortmaken, anders komen we te laat voor het eten. Ja, je wou me
straks toch heusch wat vertellen, net toen Bruin Boon begon te
schelden."
"O ja, nu weet ik het al. Ik wou je zeggen, dat vandaag onze nieuwe
buren komen. Je weet wel, die nieuwe knecht van Van Dril, den smid.
Ze komen uit Amsterdam."
"Komen die vandaag?" vroeg Anneke. "Ja, ---- ze zijn er al, kijk
maar."
[Illustratie]
"Er staat een wagen met meubelen voor het huis. Zie-je wel? Laten we
gaan kijken."
Dik en Anneke gingen op een drafje verder en hadden het huis spoedig
bereikt. De voordeur stond open, en de wagen was al gedeeltelijk
gelost. 't Was een armoedig boedeltje, wat er nog opstond, dat zagen
Dik en Anneke alle twee.
"De mooie meubeltjes zijn zeker al binnengedragen," zei Anneke. "En
de nieuwe menschen zie ik niet. -- Dag Ik ga gauw naar huis, want het
eten zal wel al op tafel staan."
"Dag!" zei Dik, en hij ging ook naar binnen.
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Tweede Hoofdstuk.
Dik krijgt nieuwe buren.
Tot zijn verbazing zag hij, dat er bezoek was. Zijn vader was al van
het werk thuisgekomen, en moeder was druk bezig de tafel te dekken.
De gasten waren een man, een vrouw en een meisje. Deze laatste was
ongeveer van Dik's leeftijd. De man en de vrouw keken naar hem, toen
hij binnenkwam, en zij knikten hem toe, maar het meisje keek niet om.
"Goeden dag!" zei Dik.
"Dit is Dik en dat is-ie," zei vader Trom. "En hier zijn de nieuwe
buren, Elswater en vrouw Elswater en Nelly, en dat zijn ze."
Dik kwam nader en gaf den man en de vrouw een hand. Toen hij het
meisje ook zijn hand toestak, bleef zij recht voor zich uit staren,
tot Dik's groote verbazing.
"Hier is Dik Trom, Nelly, geef hem een hand," zei de moeder, "je
nieuwe buurjongetje."
Zij nam Nelly's hand en legde die in de hand van Dik.
"Onze Nelly kan niet zien," zei ze zacht. "Ze is blind."
Dik schrikte er geweldig van, toen hij dat hoorde, en hij kreeg een
diep medelijden met het arme meisje.
Hij nam aan de tafel plaats en keek haar aan, en toen zag hij, dat
haar oogen er precies eender uitzagen als van alle andere menschen.
Ja, ze konden zelfs mooi genoemd worden. Dik's wangen waren een
beetje bleek geworden. 't Was voor het eerst van zijn leven, dat hij
van zoo nabij iemand ontmoette, die geheel blind was.
En hoe mager en zwak zag zij er uit. Zou ze misschien ziek geweest
zijn? Of zouden die menschen het misschien erg arm gehad hebben? Ook
de man en de vrouw zagen er vermagerd en zwak uit en zij hadden,
evenals Nelly, erg armoedige kleeren aan het lijf. Ongetwijfeld
hadden zij een slechten tijd doorgemaakt.
"Zie zoo," zei vrouw Trom, terwijl zij een paar dampende schotels op
de tafel zette, "nu zijn we gereed. Willen we bidden?"
En toen dat gedaan was, vervolgde zij, terwijl zij op elk bord een
heerlijk stuk worst legde:
"Eet nu maar lekker, buurtjes. 't Is je van harte gegund."
Ze veegde met haar boezelaar over haar wangen, die hoogrood zagen van
het koken en van de drukte. Blijkbaar had zij het erg warm.
"Dank u wel, buurvrouw, eet smakelijk!" zei vrouw Elswater, "'t Is
erg vriendelijk van u, om ons te eten te vragen..."
"Niet meer dan burenplicht," zei vrouw Trom.
"En dat is het," voegde Trom er aan toe.
Dik zag, hoe de nieuwe buurvrouw voor Nelly opschepte, en hoe deze
zelf handig de worst in schijven sneed en met smaak begon te eten.
"Hè, lekker, Moeder," zei ze.
"Dat is het, kind," zei vrouw Elswater. "Zoo'n lekker maal hebben we
in lang niet gehad, hè?"
"Neen," zei Elswater, die met zijn smal, bleek gezicht en zijn
vermagerde handen lang niet den indruk maakte van een sterken smid,
zooals Van Dril bij voorbeeld. "Neen, we hebben de laatste maanden
niet anders doorleefd dan armoê en ellende."
"Ja," zei de vrouw met een zucht. "'t Was een groot verschil met de
eerste jaren van ons trouwen. Toen hadden wij het ook goed. We hadden
nooit naar Amsterdam moeten gaan."
"Hè, hoe lekker," zei het blinde meisje weer, terwijl zij met haar
vork over het bord voelde, of er nog een stukje worst lag.
Dik zag het met innig medelijden, en handig schoof hij, hoewel hij
het zelf zoo schrikkelijk graag lustte, een groot deel van zijn worst
op haar bord. Maar hij had het toch niet zoo handig gedaan, of de
nieuwe buurvrouw had het gezien. Ze zei er echter niets over.
"Neen," zei Elswater, "we hadden nooit naar Amsterdam moeten gaan, je
hebt gelijk, vrouw."
"Maar de loonen voor een handwerksman zijn daar toch veel hooger,"
merkte vrouw Trom op.
"En dat zijn ze," zei Vader Trom.
"Juist," hernam Elswater. "Die hooge loonen hebben mij ook verlokt
ons dorp te verlaten en naar Amsterdam te gaan. Maar met hoogere
lonen is alles nog niet gewonnen. We woonden er nog geen maand, of er
brak een groote staking onder de smids uit, die wekenlang aanhield en
ons kleine spaarpotje opslokte. We raakten zelfs hier en daar al in
de schuld en hadden ons al spoedig genoodzaakt gezien een kleiner
huisje te betrekken, een krot in een van de nauwste sloppen van
Amsterdam..."
"Waar geen zonnestraaltje in kon doordringen en ons lieve kind bij
den dag afnam en vermagerde. In dat ellendige slop zijn haar blozende
wangetjes gebleven," viel vrouw Elswater in. En zij streelde het
blinde kind over de vervallen wangetjes en de mooie donkere haren.
"En toen de werkstaking eindelijk opgeheven werd, kreeg ik een
hevigen typhus, die mij aan den rand van het graf bracht. Toen kwam
onze grootste ellende. Niemand wilde ons borgen, zoodat mijn vrouw
genoodzaakt was, onze mooie meubeltjes een voor een naar den lommerd
te brengen of te verkoopen. We hielden ten slotte niet anders over
dan wat rommel. Had zij nu nog maar uit werken kunnen gaan, om wat te
verdienen, dan zouden we niet zoo diep in de armoede geraakt zijn,
maar zij kon niet besluiten, om mij naar het gasthuis te laten
brengen, en wilde mij zelf verplegen. Ja, ja, 't was een bange,
treurige tijd. En mijn ziekte werd zoo hevig, dat zelfs de dokter
begon te vreezen, dat ik er meê heen zou gaan. Doch ik ben er
Goddank bovenop gekomen, en toen ik weer mocht opstaan, stond ons
besluit vast, om Amsterdam zoo spoedig mogelijk te verlaten en weer
werk ergens op een dorp te zoeken. Mijn vrouw was doodop van de
doorgestane ellende en zorgen, en ons kind was vervallen als sneeuw
voor de zon. En we hebben geluk gehad. Ik las in een courant een
advertentie van baas Van Dril, die een knecht vroeg, en toen ben ik
er dadelijk op afgegaan met het gelukkige gevolg, dat ik aangenomen
werd, ik geloof uit medelijden..."
"Best mogelijk," zei vrouw Trom. "Van Dril is een beste, brave man,
en je zult een goeden baas aan hem hebben."
"En zoo zijn we dan hier gekomen," besloot de smid, "sterk ben ik nog
wel niet, maar 't zal wel weer gaan. Als we eerst onze schuld in
Amsterdam maar hebben afgedaan...."
"Is gelukkig niet zoo'n groote som," zei vrouw Elswater. "Als we elke
week een paar gulden kunnen overhouden, zullen we den achterstal
spoedig ingehaald hebben. Intusschen zijn we blij, dat we hier zulke
vriendelijke buren hebben mogen vinden. We zijn u van harte dankbaar.
En Nelly heeft al dadelijk een aardig buurjongetje getroffen. Ja, ja,
Dik, ik heb het straks wel gezien, hoe je jouw stuk worst op haar
bord hebt geschoven."
"O," riep Nelly uit, met een kleur tot achter haar ooren, "als ik dat
geweten had, zou ik het niet opgegeten hebben."
Dik kreeg ook een kleur, want hij had gedacht, dat niemand het gezien
had.
"Een heel verschil, als je die twee vergelijkt," zei Elswater. "Dik
zoo rond als een tonnetje en met een paar wangen als luchtballons, en
Nelly zoo bleek en magertjes. Maar dat zal hier wel beter worden,
willen we hopen. Hier hebben we volop zonneschijn en frissche lucht,
en zullen we wel weer wat in onze maag krijgen ook. Ik begin weer met
nieuwen moed, en ik heb een gevoel in me, of ik weer een nieuw leven
begin. Komaan, vrouwtje, we hebben het nog druk vandaag, want we
moeten ons huisje nog inrichten en gezellig maken, al zijn we dan ook
onze mooiste zaakjes kwijt. Ook dat zal wel weer in orde komen, als
we tijd van leven hebben. Nogmaals hartelijk dank voor uw goedheid,
buurtjes."
Zij stonden op en verlieten de kamer, maar Dik nam Nelly bij de hand,
en zei:
"Ga je mee, dan zal ik je mijn duiven laten zi...."
Maar opeens bedacht hij, dat het meisje blind was, en hij slikte het
laatste woord haastig in. En opnieuw werd hij met innig medelijden
vervuld.
"Ik wil ze graag zien, Dik," zei het meisje eenvoudig. "Dat woord mag
je gerust zeggen; ik zeg het zelf ook. Maar dan bedoel ik, dat ik hun
klapwieken en hun kirren hoor, en dan neem ik ze in mijn handen, als
ik kan, en dan voel ik hun kleine kopjes, en hun vleugels, en hun
staart en hun warme lijfje, en dan zeg ik, dat ik ze gezien heb."
"Goed, ga dan meê," zei Dik. "Ik heb mooie duiven, en ook konijnen."
"Hier in de kamer en in het achterhuis hoef je mijn hand niet vast te
houden, want als ik ergens maar eenmaal geweest ben, weet ik er den
weg wel. Dáár is de deur, hè?"
"Ja," zei Dik verbaasd. "Dat is knap, Nelly."
Het meisje strekte de handen een weinig naar voren en vond op den
tast de deur. Dik volgde haar in het achterhuis.
"Dáár is het vuur, hè?" zei ze. "Ik voel de warmte. Rechtsom kom
ik aan de buitendeur, -- maar daar is een drempel, die een beetje
hoog is. Zijn je duiven en konijnen buiten?"
"Ja," zei Dik, die haar vol verwondering volgde. Zij liep haast met
een zekerheid, of zij een paar goede oogen had. "Jij bent handig,
hoor."
"O, in Amsterdam ging ik wel alleen de straat op, om boodschappen te
doen. Niet ver van huis natuurlijk, maar bij ons in het slop en om de
hoeken wist ik de winkels wel te vinden. Geef me nu een hand, Dik,
maar wacht eens even."
En met de woorden: "Mag ik?" betastte zij zijn hoofd, zijn wangen, en
zijn lichaam. Toen begon zij te lachen.
"Zoo, nu weet ik, hoe je er uitziet. Maar je bent een dikkerd, hoor.
Heb jij je pet altijd achterste-voor op? De klep zit in je hals. Dat
is grappig, zeg. Ga je nog op school?"
"Ja, straks moet ik er weer naar toe. Laten we nu gaan."
Hij bracht het meisje achter het huis, waar de duiven al dadelijk
klapwiekend om zijn hoofd gingen vliegen Ze wisten wel, dat zij nu
voer kregen. Eén ging hem zelfs op zijn pet zitten en een paar namen
op zijn schouders plaats.
"Zoo mak zijn ze," zei Dik trotsch. "Ze pikken het voer uit mijn
hand. Wil jij dat ook graag hebben?"
"Ja, ja, o dolgraag," zei Nelly.
"Hier is de voerbak. Als jij ze een paar maal gevoerd hebt, zijn ze
al aan je gewend, en dan zijn ze heelemaal niet bang meer. Toe, voer
ze nu met kleine handjesvol."
Nelly deed het, en ze voelde al spoedig een paar duiven op den
voerbak komen. Zij strekte haar hand met wat voer uit, en pik-pik
deden een paar brutaaltjes. Nelly's vreugde kende geen grenzen.
"Zou ik er eentje beet kunnen pakken?" vroeg ze.
"Probeer het maar," zei Dik, die met vreugde zag, hoe het blinde
meisje genoot. "Ze zijn erg mak."
Na een paar vruchtelooze pogingen gelukte het Nelly inderdaad een
duifje te grijpen. Zij streelde het zacht over zijn kopje en
vleugels, gleed met haar vingers langs zijn staartje en hield het
zachte rompje in haar beide handen vast, zoodat zij het hartje van
het beest voelde kloppen.
"O, hoe schattig," zei ze. "Hoe ziet deze er uit, Dik?"
"Wit. Ken jij de kleuren? Je hebt ze toch nooit gezien?"
"Neen, maar ik stel me ze voor. O, hoe lief!"
Zij streelde haar wangen met het gevangen duifje en kuste zijn kleine
kopje. "O, wat lief! Wat schattig!"
Dik kreeg hoe langer hoe meer medelijden met het blinde meisje, dat
nog nooit haar ouders had gezien, en nog nooit de wereld in al haar
pracht had kunnen bewonderen. O, hij vond het indroevig. Hij had wel
zijn armen om haar heen willen slaan en haar zacht tegen zich
aandrukken, om haar te doen voelen, dat hij haar vriendje was.
"Wil jij er een paar van mij hebben?" vroeg hij. "Ik zal aan Moeder
vragen, of ik ze je geven mag."
Nelly kreeg een kleur op haar wangen. Ze liet het duifje weer vliegen
en zei:
"Zou jij ze me willen geven, Dik? O, wat goed van je..."
Maar opeens betrok haar gelaat, en ze liet er haastig op volgen:
"Later, Dik, nu nog niet..."
"Waarom niet?" vroeg Dik. "Waarom nu niet en later wel?"
[Illustratie]
"Vader en Moeder kunnen nu nog geen geld missen, om voer te koopen,"
zei ze op eenvoudigen toon. "We moeten zuinig wezen."
"O," zei Dik. "Kijk, -- voel je dat? Er zit een pauwstaartje op je
schouder. Aardig, hè? Vind-je ze niet doodmak?"
"Is deze ook wit?"
"Ja, maar ik heb ook blauwe postduiven, en mooie bruintjes...."
"En groene? En géle?"
Dik lachte.
"Neen, groene en gele duiven heb ik nog nooit gezien. Die zijn er
niet. Zie zoo, het voer is op. Ga je meê naar mijn konijnen?"
"Ja, graag."
Dik bracht er haar, en hij haalde een konijn uit het hok en gaf het
haar in haar armen, waar het stil bleef zitten.
"O, hoe zacht," zei Nelly, het dier streelende. "Je Vader heeft die
hokken zeker gemaakt?"
"Ja, -- maar hoe weet jij dat?"
"Och, ik dacht wel, dat je vader timmerman was."
"Waarom?" vroeg Dik verbaasd.
Nelly lachte hardop.
"Waarom?" herhaalde ze. "Als ik het zeg, geloof je 't toch niet. Ik
heb het geroken!"
"Geroken?" vroeg Dik vol bewondering over zooveel schranderheid en
opmerkingsgave.
"O, wij blinden weten veel meer, dan jullie gelooven en weten. Ik
rook duidelijk een houtlucht aan je vader, toen hij bij me stond. En
daarom dacht ik, dat hij wel timmerman zou zijn."
"Je bent slim," zei Dik.
"Neen, ik ben maar een dom meisje," zei Nelly, terwijl haar gezichtje
betrok.
"Dom?" zei Dik. "Neen, hoor, -- dom lang niet."
"Maar ik kan niets," zei Nelly. "Alleen allerlei handwerken, die
Moeder mij geleerd heeft."
"Heb je nooit school gegaan?" vroeg Dik, terwijl hij het konijn weer
in het hok zette.
"Neen, toen we nog op ons dorp woonden, ging ik niet school, omdat ik
toch niets zien kon. De meester zei, dat het niet ging en dat het
lastig was. In Amsterdam is er wel een school voor blinden, en het
plan was ook wel, dat ik daar naar toe zou gaan. Maar er is niets van
gekomen. We hebben er maar enkele maanden gewoond en er niets dan
narigheid beleefd."
"Jammer," zei Dik. "Zeg Nelly, voel eens, hier heb ik nog meer
konijnen. Een heeft er zes jongen. Als je een hokje hadt, zou je er
wel eentje mogen hebben. Konijnenvoer kost niet veel. Je snijdt het
maar aan den kant van den weg. Maar neen, dat gaat niet. Je zoudt
misschien in het water vallen en verdrinken."
"Och, ik heb toch geen hokje. Voer je ze alleen maar gras en klaver?"
"Meestal wel. Maar deze voedster krijgt ook wel wat gerst van me.
Wacht, ik zal wat halen. Dadelijk ben ik weer terug."
[Illustratie]
Dik ging naar den voerbak in het schuurtje. Hij deed het deksel van
de kist open, -- en zag op het voer een groote muis, die zich lekker
aan de gerstkorreltjes te goed deed.
"Ha, jou kleine dief!" riep Dik, en dadelijk probeerde hij de muis te
grijpen. Maar het ding liet zich niet gemakkelijk vangen. Het holde
door de kist heen en weer, klom tegen de wanden op, viel weer naar
beneden, en was overal, behalve op de plaats, waar Dik het meende te
grijpen. Een paar maal gelukte het haar bijna zelfs, om uit de
voerkist te ontsnappen, wat Dik alleen beletten kon, door vlug het
deksel te laten vallen.
"Wacht, baasje!" zei hij. "Je zit hier goed opgesloten. Ik zal eerst
een doos halen, om er je in op te bergen, en een langen draad garen,
om aan je poot te binden. Zoo gemakkelijk kom je niet van me af."
Hij haastte zich naar de woonkamer, waar zijn vader zijn dutje deed
in zijn leuningstoel. Dat deed hij elken middag na het eten, dat was
zoo zijn gewoonte geworden. Hij moest ook elken morgen zoo vroeg op.
Dik haalde een groote poederdoos uit de kast en voorzag zich van een
langen draad zwart garen. Daarmede gewapend begaf hij zich naar de
voerkist en begon zijn jacht op den kleinen, vluggen snoeper opnieuw.
Telkens meende hij haar te hebben, maar even dikwijls glipte zij hem
tusschen zijn vingers door.
"Toch mòèt ik je hebben," zei Dik. En hij greep links en rechts,
tot hij eindelijk den staart van het muisje tusschen zijn vingers
geklemd hield.
"Piep! Piep!" schreeuwde het kleine ding.
"Ja, -- piep -- piep!" deed Dik haar na. "Au, leelijkerd, niet
bijten!"
Het muisje beet hem in haar angst in zijn vinger.
Maar Dik liet zich daardoor niet van streek brengen. Hij greep de
muis in zijn volle hand, en bond haar behendig den draad aan haar
poot. Toen sloot hij haar in de doos op. De draad hing er buiten, en
Dik wond dien om de doos. Aan het einde maakte hij een lus waar hij
zijn vingers door kon steken, en het deksel voorzag hij van een gat,
wel zoo groot, dat de spitse snoet van het muisje er doorheen kon,
maar waardoor het toch niet kon ontsnappen.
"Zie zoo," zei Dik lachend. "Daar zit je goed, en je zult er niet
gemakkelijk uitkomen."
Hij stak het heele gevalletje in den zak van zijn wijde broek, nam
een paar handen met gerst, en keerde naar Nelly en de konijnen terug.
"Zoo, ben je daar eindelijk?" vroeg Nelly met een lachje. "Ik was al
bang, dat je niet meer terug zoudt komen."
"En jou hier in den steek laten?" vroeg Dik, terwijl hij het voer in
het hok deed. "Dat zou ik nooit doen, hoor."
"Maar je bleef toch erg lang weg..."
"Ja, ik heb een muis gevangen. Hier heb ik hem. 'k Heb hem een
draadje aan z'n poot gebonden en in een doos gedaan."
"Een muis? Hè, hoe griezelig! Haal hem er niet uit, hoor Dik!"
"Wil ik hem in je hals laten loopen?" vroeg Dik plagend.
"Neen, neen, o neen!" gilde Nelly, met uitgestrekte handen. "Ik vind
muizen zoo eng! Niet doen, Dik..."
"Wees maar niet bang," zei Dik. "'k Zal het heusch niet doen. Ik zei
het maar om te plagen."
"Ik geloof, dat jij ondeugend bent, Dik," zei Nelly. "Moet je nog
niet naar school?"
"Ja, 't zal zoetjes-aan tijd worden. Ik geloof, dat Vader al naar
zijn werk is. Gaat jouw Vader morgen naar Van Dril?"
"Ja. -- Vader is erg knap," zei Nelly met rechtmatigen trots. "Hij is
erg knap in machinerie en zoo, en in allerlei ander werk ook. Zeg,
Dik, wat ga je met die muis doen? Waarom laat je hem niet loopen?"
"Wat ik er meê ga doen? Wel, pret maken, -- er Anneke meê nazitten
en de andere meisjes. Dan gillen ze moord en brand, want ze zijn er
bang van. En daarom laat ik hem niet loopen, zie je, -- nu nog niet
ten minste, en niet zoo dicht bij mijn kist met gerst. Dan snoept hij
maar."
"Dag Dik!" klonk op dit oogenblik een eigenaardige volle stem.
"Wie is dat?" vroeg Nelly zacht.
"Dat is mijn kauw," zei Dik.
"Een kauw? Wat is een kauw?"
"Hier is Gerrit!" klonk het weer, en op hetzelfde oogenblik vloog er
een kleine roek op Dik's schouder.
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" zei het beest.
"Een klein soort van kraai," zei Dik, terwijl hij den vogel greep.
"Hier heb je hem. Hij kan wel aardig praten, hè?"
Nelly nam hem in haar handen en juichte van pleizier.
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw, terwijl hij zijn kopje
ophief en Nelly eigenwijs met zijn kleine kraaloogjes aankeek. Maar
dat kon Nelly natuurlijk niet zien.
"Wat een leuk beest," zei ze. "En wat praat hij aardig. Heb jij hem
dat geleerd?"
"Ja," zei Dik. "Een kauw praat niet zoo gemakkelijk als een papegaai,
maar deze is verbazend leerzaam. -- Dag Gerrit!"
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" riep de kauw.
"Nelly! Nelly! Nelly!" riep Dik.
"Hier is Gerrit!" snaterde het beest.
"Neen, baasje," zei Dik. "Je moet 'Nelly' zeggen. Nelly! Nelly!
Nelly!"
"Dag Dik! Ga je meê?" riep de vogel.
[Illustratie: "Ziezoo," zei vrouw Trom, "nu zijn wij gereed." (Bladz.
20)]
"Nelly! Nelly! Nelly!" riep Dik.
En Nelly, die graag wilde, dat de vogel haar naam ook napraatte, riep
onophoudelijk:
"Nelly! Nelly! Nelly!"
"Gerrit! Hier is Gerrit!" riep het beest.
"Nelly! Nelly! Nelly!" riepen Dik en Nelly om het hardst.
"Helly! Helly! Helly!" riep de kauw.
"Goed gedaan!" zei Dik. "Houd hem maar een poosje bij je, Nelly, want
ik moet weg. 't Wordt mijn tijd voor school. Zal ik je thuisbrengen?"
Hij nam Nelly bij de hand en liep met haar naar het huisje, waar alle
meubeltjes nu reeds binnengedragen waren. Dik merkte op, dat alles er
tamelijk armoedig uitzag.
"Kijk eens, Moeder, een kauw!" riep Nelly haar moeder toe. "En o,
hij kan zoo leuk praten. Nelly! Nelly! Nelly!"
"Helly! Dag Dik! Hier is Gerrit. Dag Helly! Dag Helly!"
"Dag!" riep Dik zijn buurmeisje toe. En innig verheugd, dat hij het
ongelukkige, blinde kind zooveel genoegen had bereid, begaf hij zich
op weg naar school. In de verte hoorde hij Nelly nog roepen:
"Nelly! Dag Nelly! Dag Nelly!"
En hij onderscheidde de malle stem van Gerrit, die haar antwoordde:
"Dag Helly! Hier is Gerrit! Dag Helly!"
Op de speelplaats bleef Bruin hem een geducht eind uit de voeten.
Bruintje wist wel, dat Dik op dit oogenblik in het geheel geen
vriendschappelijke gevoelens jegens hem koesterde, en de ondervinding
had hem herhaaldelijk geleerd, dat Dik harde handen had, vooral als
hij boos was.
Maar Dik dacht op dit oogenblik niet aan Bruin. Hij was te zeer
vervuld met de gedachte aan het ongelukkige, blinde kind, dat zijn
buurmeisje geworden was, en hij nam zich voor, altijd vriendelijk en
behulpzaam jegens haar te zijn.
Hij vertelde van haar aan Jan Vos en Piet van Dril, en die vonden het
heel belangwekkend.
"Ik wist wel, dat we een nieuwen knecht kregen," zei Piet, "maar dat
zij een blind meisje hadden, wist ik niet. Wat zielig, hè?"
"Vreeselijk," zei Dik. "Ik moet er aldoor aan denken. Maar ze is bij
de hand, hoor, dat kan ik je verzekeren."
Op dit oogenblik sloeg de meester met zijn knokkels een marsch op een
van de ruiten ten teeken, dat de school aanging.
Allen gingen naar binnen.
[Illustratie: hoofdstuk staartstuk]
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Derde Hoofdstuk.
"Dag Dik, -- hier is Gerrit!"
De meester had de kaart van Nederland voor de klasse gehangen. De
kinderen zouden dus een les in aardrijkskunde krijgen. Gewoonlijk
vond Dik dat wel prettig, maar ditmaal was zijn aandacht er niet
heelemaal bij. Telkens speelde zijn nieuwe buurmeisje hem door het
hoofd, en dan bedacht hij, hoeveel vreugde dit arme kind wel moest
ontberen in haar leven. Altijd was het duisternis rondom haar, er was
voor haar om zoo te zeggen geen verschil tusschen den dag en den
nacht. Neen, voor haar was het altijd nacht. Nooit had zij haar
ouders gezien, nooit het gouden zonnelicht, dat de wereld zoo mooi
maakt, nooit de bloemen met haar schitterende kleuren, nooit de
prachtige vlinders, die bloemen onder de dieren. Zij moest aan de
hand geleid worden en kon niet gaan, waarheen zij wilde. Ach, zij had
wel een ongelukkig lot.
Dik was zoozeer in zijn gedachten verdiept, dat hij niet eens hoorde,
dat hem wat gevraagd werd.
"Hoor je me niet, Dik Trom?" klonk tamelijk streng de stem van den
onderwijzer.
Dik richtte zich met een schok op, toen Piet van Dril, die naast hem
zat, hem met een elleboogstoot waarschuwde. Dik zag, dat Bruin, op de
bank vlak vóór hem, met een lachend gezicht spottend omkeek.
"Waar zit jij met je gedachten, Dik?" vroeg de meester. "Je hoort
niet eens, dat ik je wat vraag. Ik zal het nog eens zeggen:
"Welke waters komen bij Utrecht te zamen?"
Bruin zat nog spottend achterom te kijken.
"Kijk voor je, Bruine Boon," bromde Dik hem toe. "De Vaartsche Rijn,
de Kromme Rijn, de Vecht, de Eem...."
"Ho, ho, Dik, de Eem niet, die loopt langs Amersfoort. Welke nog?"
Dik wist niet meer.
"De Oude Rijn," fluisterde Piet van Dril.
"De Oude Rijn!" galmde Dik.
"Goed, -- nu ben je er weer bij. En hoe heet de hoofdstad?"
"Dag Dik! Hier is Gerrit!" klonk het plotseling door het openstaande
tuimelraam. De heele klasse schoot in een lach.
"Wat is dat?" vroeg de meester. "Wat is dat voor malligheid?"
"Dag Helly! Dag Dik! Dag Helly! Dag Dik! Hier is Gerrit!"
"De kauw van Dik Trom!" riep Anneke lachend uit, "Daar zit hij op het
tuimelraam!"
't Werd een geweldig gelach in de klasse, en iedereen keek naar Dik's
kauwtje, dat dood op zijn gemak bleef zitten rondkijken. Dik maakte
van de gelegenheid gebruik, om Bruin Boon een paar gevoelige
opstoppers te geven.
[Illustratie]
Bruin stak zijn vinger op.
"Au!" riep hij. "M'st'r, M'st'r, Dik Trom slaat me!"
"Dag Dik! Hier is Gerrit! Ga je meê, Dik! Dag Helly!"
't Werd een verbazend tumult in de klasse.
"Stilte!" gebood de meester op strengen toon. Allen bedaarden,
behalve Bruin Boon, die nog half in zijn bank stond ent zijn vinger
in de hoogte hield.
"M'st'r, Dik Trom stompt me! Dik Trom...."
"Wil je zwijgen, jongen!" riep de meester. "Oogenblikkelijk, als je
geen straf wilt oploopen!"
Bruin ging met een pijnlijk gezicht zitten.
"Dag Dik! Dag Nelly!" riep de kauw.
De meester ging met den kaartenstok, die tamelijk lang was, naar het
raam, en zwaaide er mede langs den vogel, om hem weg te jagen.
"Ksssst! Ksssst!" riep hij.
De vogel vloog van het tuimelraam het lokaal binnen, tot groote
vreugde van de jongens en meisjes, die uitgelaten werden van de pret.
Zij zwaaiden niet hun armen en riepen: "Kssst! Kssst!"
De kauw werd bang door al die drukte en vloog angstig heen en weer.
De kinderen stonden overeind in de banken, en sommigen waren er zelfs
bovenop geklommen.
Eindelijk zette het kauwtje zich op den bovenrand van het bord, en de
meester ging er dadelijk met zijn stok op af, om de achtervolging
voort te zetten.
't Werd een gejoel, dat hooren en zien den meester bijna verging. En
de vogel wist van angst niet, waar hij zich bergen moest.
Hij werd weer opgejaagd, en vloog angstig door het lokaal rond.
"Ksssst! Ksssst!" siste het door de klasse.
Het kauwtje wilde wel weer graag naar bulten, maar kon in zijn
verbouwereerdheid het reddende tuimelraam niet meer vinden.
De meester werd boos om de stoornis die de vogel veroorzaakte en door
het tumult in de klasse. Nijdig sloeg hij naar Gerrit, telkens als
deze dicht in zijn nabijheid kwam.
[Illustratie]
"Dat is valsch!" bromde Dik. "Het beest weet toch niet, dat hij hier
niet komen mag. Hij heeft geen menschenverstand."
Maar even later lachte hij weer met de anderen mede, want hij hield
wel van zoo'n intervalletje in school. Hoe meer lawaai daar, hoe
liever. Tot zijn genoegen zag hij, dat de meester herhaaldelijk
missloeg.
Eindelijk ging de vogel in de nok van het dak op een steunijzer
zitten. Toen herstelde de meester de orde.
"Daar zit hij goed, jongens. Stilte nu asjeblief!"
Dit laatste klonk op zoo'n gebiedenden toon, dat het lawaai als met
een tooverslag verstomde. De kinderen begrepen, dat oppassen thans de
boodschap was, want de meester liet niet met zich spotten.
"Aanstonds begint de pret weer," fluisterde Dik Zijn vriend Piet van
Dril toe. "Hij blijft daar toch niet zitten."
"Ik hoop het," ademde Piet haast onhoorbaar.
"Laten we voortgaan met de les," zei de meester, terwijl hij plaats
nam op zijn stoel naast het lessenaartje op vier hooge pooten, dat
tegen de voorste bank geschoven was.
"Bij wien was ik ook weer gebleven?" vervolgde de meester. "O ja, bij
Dik Trom. Die zou me de waters noemen, die bij Utrecht samen komen.
Ga je gang, Dik."
"De Kromme Rijn, de Oude Rijn, de Vaartsche Rijn en de Vecht," galmde
Dik wel wat hard voor het mooi, maar hij was door het gebeurde met
zijn kauwtje in een vroolijke stemming geraakt en zijn blinde
buurmeisje thans geheel vergeten.
"'t Is goed, Dik, maar je hoeft niet zoo te schreeuwen, ik ben niet
doof. Noem nu nog de voornaamste plaatsen uit de provincie Utrecht."
"Amersfoort, Zeist, Driebergen, Doorn, Amerongen, Wijk bij Duurstede,
De Bilt, Harmelen, Driebergen, Zuilen, Maarsen, Breukelen, Loenen, en
-- enne -- enne ----"
"'t Gaat nog al, Dik, al haspel je ze wat raar door mekaar...."
"Dat rijmt!" bromde Dik tegen Piet, en Piet schoot er om in een lach.
"Maar je hebt de hoofdstad vergeten, Dik, en daar begin je gewoonlijk
meê, is 't niet."
"Utrecht!" schreeuwde Dik.
"'k Bèn niet doof, heb ik je al gezegd. Waardoor is Utrecht bekend?"
"Door zijn paardenmarkt," zei Dik, die een liefhebber van paarden was
en ze dus het voornaamste vond.
"Waardoor nog meer?"
"Door de munt, m'st'r."
"Heel goed. En dan nog?"
"Utrecht heeft een hoogeschool," zei Dik.
"Heel goed. Je hebt een 8, Dik. Ik ben tevreden over je."
"Ik ook," bromde Dik tegen Piet.
"Zeg jij eens, Piet van Dril, wie geven les aan een hoogeschool?"
"Dominé's, m'st'r," beweerde Piet, tot groote pret van de anderen.
De meester schoot ook weer in een lach.
"Neen, Pietje, je kunt er voor dominé studeeren, en waarvoor nog
meer? Ik heb je dat toch de vorige week verteld."
"Voor advocaat en voor dokter en voor pastoor...."
"Mis Piet, alweer mis. Roomsch-Katholieken hebben hun aparte scholen,
om tot geestelijke te worden opgeleid, o. a. te Voorhout en te
Warmond. Waar liggen die beide plaatsten?"
"In Friesland," beweerde Piet, tot groote pret alweer van de anderen.
"In Zuid-Holland," fluisterde Dik hem in.
"In Zuid-Holland bedoel ik, m'st'r," schreeuwde Piet, zoo hard hij
kon.
Bruin verhief zich in zijn bank, stak zijn vinger op, en klikte:
"M'st'r, -- Dik Trom zegt hem voor!"
"Dan is Dik een flauwe jongen en jij bent een laffe klikspaan,"
bestrafte de meester. "Je houdt je mond hoor Dik, jij hebt je beurt
al gehad. Goed, Piet, in Zuid-Holland. En wie geven nu les aan de
hoogescholen?"
"Meesters!" beweerde Piet.
"Natuurlijk, meesters, dat spreekt van zelf. En heel knappe meesters
ook. In Utrecht heb je er b. v. een, die wereldberoemd is. Maar hoe
heeten ze? Zeg jij dat eens, Jan Vos."
"Professoren," zei Jan.
"Goed! En weet je ook, hoe die wereldberoemde professor uit Utrecht
heet, of heb ik jullie dat nog niet verteld?"
"Neen, m'st'r," klonk het uit vele monden. "'t Is professor Donders,
een beroemd oogheelkundige. Hij is door geheel Europa beroemd, en
zelfs komen er wel menschen uit Amerika over, om zich door hem te
laten behandelen."
Dik luisterde met open mond.
Hij stak zijn vinger op.
"Wel, Dik?"
"M'st'r, kan hij blinde menschen weer ziende maken?"
"Dat zal hij dikwijls genoeg gedaan hebben, Dik. Door niets krijgt
men geen wereldberoemdheid."
"Ook, als ze blind geboren zijn m'st'r?" vroeg Dik.
"Misschien wel. Dat kan ik niet beoordeelen. 't Zal er van afhangen,
wat de oorzaak van de blindheid is, niet waar? Sommige gevallen zijn
ongeneeslijk, en andere kunnen heter worden. Nu is het jouw beurt,
Anneke. Welke plaatsen ken je aan de Vecht?"
"Renen, Wijk bij Duurstede...."
"Glad mis, Anneke. Ik zeg niet aan den Rijn, maar aan de Vecht. Je
moet beter nadenken, meisje."
[Illustratie]
"Dag Dik, ga je meê?" riep de kauw, die weer heelemaal gekalmeerd
was en eigenwijs naar beneden zat te kijken.
"Daar begint dat vervelende gezeur weer met dien vogel," zei de
meester knorrig. "Van wien is dat beest toch?"
"Van Dik Trom," riepen verschillende stemmen.
"Vang hem dan en breng hem naar buiten, Dik," gebood de meester. "Hij
stuurt de heele les in de war."
Dik keek met een onnoozel gezicht naar boven, naar den vogel, die in
de nok van het gebouw zat. Het was een lokaal zonder zolder, dus
waren de gebinten en steunijzers zichtbaar.
"Ik kan er niet bij, m'st'r," zei Dik droog.
Iedereen schoot in een lach, de meester zelf ook.
"Neen, dat begrijp ik. Maar....."
"Dag Helly, hier is Gerrit. Ga je meê, Dik?"
"Maar je weet misschien wel een middel, om ons van hem te verlossen.
Met mijn stok kan ik niet bij hem komen."
"Dat zou niet helpen ook," zei Dik. "Daar wordt hij maar schuw van.
Mag ik hem lokken, m'st'r?"
"'t Kan me niet schelen, wat je doet, als wij hem maar kwijt raken."
Dik liep uit zijn bank tot onder het steunijzer en riep: "Gerrit!
Waar is Gerrit!"
"Hier is Gerrit!" riep de kauw, tot groote pret van de kinderen.
"Stilte!" gebood de meester, "anders krijgen we dezelfde vliegpartij
weer van zooeven, en dit is niet noodig. Wie lawaai maakt, krijgt
strafwerk na schooltijd. Dus houdt je kalm!"
't Lawaai, dat weer begon te ontstaan, verstomde oogenblikkelijk.
"Waar is Gerrit?" herhaalde Dik, "Waar is Gerrit?"
"Hier is Gerrit! Dag Dik, ga je meê? Dag Helly! Dag Helly!"
"Kom Gerrit!" riep Dik, en hij stak zijn arm naar den vogel uit.
"Kom hier, Gerrit!...."
Aller oogen waren op den vogel gericht. Zou hij komen? Zie, hij
richtte zich op en sloeg de vleugels uit.
"Gerrit! Kom hier, Gerrit!" hield Dik vol.
Opeens sprong het kauwtje op en vloog naar Dik. Tot groote pret van
de heele klasse ging hij op Dik's hoofd zitten.
Toen greep Dik hem.
"Gelukkig! Eindelijk zullen wij dan van dien plaaggeest verlost
worden. Breng hem buiten, Dik..."
"Ja m'st'r, maar als U de ramen niet dichtdoet, komt hij weer naar
binnen....."
"'t Is wat lekkers met die warmte," zei de meester. "Maar enfin, wat
het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Dirk Langereis, doe jij de
ramen dicht."
Dirk gehoorzaamde, en Dik bracht zijn kauwtje naar buiten. Hij wierp
hem hoog in de lucht en zag hem wegvliegen in de richting van zijn
huis. Hij keek hem na, zoolang hij kon, en keerde toen in de school
terug. "Meester, hij is naar huis gevlogen, de ramen kunnen wel weer
opengezet worden."
"Goed, -- zet ze dan open," zei de meester, die bezig was de kaart
van voor het bord weg te nemen en haar aan den muur te hangen, op
haar gewone plaats. De aardrijkskundige les was dus wel een beetje
overhaast geëindigd, wat de schuld was van het kauwtje. De meester
vond het beter, de kinderen stil werk te laten doen.
"Kijk eens," zei hij, naar het bord wijzende, "daar staan vijf mooie
sommetjes voor de liefhebbers. Ik ben benieuwd wie van jullie ze alle
vijf goed krijgt. Dan zit er een mooie 10 aan, zooals je weet. No. 1
is een vormsom no. 2 een inhouds-, en no. 3 een
oppervlakte-berekening, no. 4 een aardig rentesommetje en no. 5 van
twee treinen, die elkander tegemoet rijden. Gemakkelijk zijn ze nu
direct niet, maar wie goed nadenkt, kan ze alle vijf maken. Begin dus
maar met moed."
De rekenschriften werden te voorschijn gehaald, en weldra zaten allen
met de hoofden over hun werk gebogen. De heele klasse hield van
rekenen, zelfs de meisjes, en dat zij er allen zoo van hielden, was
het geheim van den meester, die den kinderen lust tot ingespannen
arbeid wist in te boezemen. Hij was een uitstekend onderwijzer.
Zelf nam hij ook een stukje papier, om te berekenen, welke uitkomsten
de sommen hadden. Dat vergemakkelijkte hem de correctie heel wat.
't Werd nu doodstil in de klasse. Men kon, om zoo te zeggen, een
speld hooren vallen.
Dik werkte ook met ijver. Hij rekende graag, en hij rustte nooit,
voor hij ze alle vijf gevonden had. Als hem dat een enkelen keer
mislukte, was hij lang niet tevreden.
"Wat een groote breuken in die vormsom," fluisterde hij Piet toe.
"Bar!" zei Piet. "Stil nou!"
Zij werkten voort.
Na enkele minuten zei Dik:
"'k Heb hem!"
"Ik ook!" zei Piet. "Er komt een mooi getal uit."
"2 1/2," zei Dik.
"Ja, dat heb ik ook. Nu no. 2."
Piet van Dril was ook een goed rekenaar. Hij en Dik wedijverden
altijd, wie de meeste goed zou hebben. Maar zij keken nooit bij
elkander af. Voor afkijken hadden zij niets dan afkeer. Mekaar
voorzeggen deden zij dikwijls genoeg, maar dat vonden zij niet erg.
Maar afkijken, neen, dat zouden zij nooit doen. Na eenigen tijd zei
piet:
"Ik heb no. 2 ook."
"Wacht even..., ja, nu heb ik hem: 3 d. M. onder den rand.
"Juist," zei Piet. "Die twee zullen wij alvast wel goed hebben."
Met moed begonnen zij aan de derde som. "O jé, wat gemakkelijk," zei
Dik na een poosje. "'k Heb hem haast al af."
"Ik ook," zei Piet. "Zes gulden den meter, hè?"
"Ja. -- Zeg Piet, ik heb een muis."
"Een muis?" vroeg Piet. "Waar? Bij je thuis?"
"Neen hoor, eerst mijn sommen afmaken...."
Plotseling klonk de stem van den meester:
"Dik Trom en Piet van Dril zitten te babbelen! Jullie werkt toch niet
Samen? Of kijken jullie af?"
"Neen, m'st'r!" klonk het verontwaardigd uit twee monden.
"Neen, neen, ik geloof het ook wel niet, maar jullie moeten ook den
schijn vermijden, -- en niet met elkander praten."
De jongens begonnen aan een rente-sommetje, en dat bleek moeilijker
te zijn, dan het er uitzag. Zij konden den knoop van de som eerst
geen van beiden vinden. Daarom besloot Dik eerst no. 5 te gaan maken.
Ha, die viel hem meê en stond weldra kant en klaar op het papier.
"Ik heb hem," zei Piet van Dril even later, no. 4 bedoelende.
"Ik heb de vijfde eerst gemaakt," zei Dik. "Die is niet moeilijk."
"No. 4 vind je ook wel," zei Piet.
"Piet van Dril en Dik zitten daar weer te praten!" klonk de stem van
den meester. "Ik geloof toch inderdaad, dat jullie de sommen samen
maakt."
"Neen m'st'r, echt niet!" zei Dik, en Piet ontkende ook uit alle
macht.
De meester kwam naar hun bank, en nam de beide schriften in de
handen, om de sommen, die zij reeds ingeschreven hadden, met elkander
te vergelijken.
Al dadelijk merkte hij op, dat de antwoorden wel gelijk waren, en dat
zij ze goed hadden, maar dat de wijze van oplossen toch hier en daar
verschilde. Ook zag hij, dat Dik de vijfde som gemaakt had, en Piet
de vierde.
Hij gaf hun de schriften terug, en zei:
"'t Is in orde, jongens. Ik heb je ten onrechte van afkijken
verdacht. Maar je moet niet met elkander praten. Dan is het je eigen
schuld, als ik wat ergs van je denk."
De jongens zetten zich weer aan den arbeid, en Dik was nu ook zoo
gelukkig de vierde te vinden, terwijl Piet de vijfde maakte.
"Zie zoo, ik heb ze af," zei Piet.
"Ik ook," zei Dik. "Maar zeg, laten we nu net doen, of we nog niet
klaar zijn, want anders schrijft de meester nog een groote vormsom
op, om ons aan het werk te houden."
"Bah, geen zin meer," zei Piet.
"Ik ook niet," fluisterde Dik.
[Illustratie: hoofdstuk kopstuk]
Vierde Hoofdstuk.
Het gestoorde rekenuurtje.
Beiden Zaten ze een poosje doodstil over hun kladschrift gebogen, en
teekenden er leelijke kereltjes in met groote neuzen, kromme beenen
en steile haren.
Eindelijk zei Piet zacht:
"Zeg Dik, waar is je muis? Leeft hij nog?"
"In mijn zak," zei Dik. "Waarom wou hij doodgegaan zijn?"
"Laat hem eens zien," vroeg Piet.
Dik dolf de gevangenis met de gekerkerde uit zijn broekzak op.
"Kijk, hier in de doos," zei hij. Hij hield de doos onder de tafel.
"Hè -- hè -- hè, ik zie zijn snoet door het gaatje!" grinnikte
Piet zacht. "Waarvoor dient die draad?"
"Zit aan zijn poot," zei Dik, met een schuinen blik naar den meester.
Deze stond echter in zijn lessenaar naar iets te zoeken. Hij had geen
erg in de jongens.
"Laat hem eens eventjes loopen, hier, -- tusschen ons in," zei Piet.
"Als je 't draadje vasthoudt kan hij toch niet weg."
Dik had er wel zin in. Hij keek nog eens schuin naar den meester, en
toen hij zag, dat deze niet op hem lette, stak hij zijn vinger door
het lusje van den draad, en deed het deksel van de doos. Deze zette
hij in zijn lessenaar.
Zoodra het deksel er af was, wipte de muis er uit en zette het op een
loopen, regelrecht op Piet af.
Wat had Piet een pret. Hij lachte bijna hardop.
De muis liep over Piet's been, en telkens, als hij te ver afdwaalde,
trok Dik haar langzaam achteruit. De twee jongens keken herhaaldelijk
schichtig naar den meester, maar bleven voorovergebogen zitten, om
den schijn te geven, dat zij nog hard aan het werk waren. Wat hadden
zij een pret. De muis trippelde tusschen de beide jongens op de bank
heen en weer, en kroop eindelijk, wel een beetje tot diens schrik in
de mouwen van Piet.
"Hu, -- trek hem achteruit! Hij zit in mijn mouw..." Piet kreeg een
rilling over zijn rug.
Maar Dik trok niet. Hij vond het veel te leuk, dat Piet er zoo akelig
van werd, en liet het muisje stil begaan.
"Trek dan toch!" riep Piet, wel wat hard voor het mooi, en hij streek
met een driftige beweging over zijn mouw. "Hij zit me al haast bij
m'n elleboog! -- Trek dan toch!"
"Wat hebben jullie daar onder de tafel?" fluisterde Bruin Boon, die
zijn sommen niet kon vinden en zich van verveling uitrekte en
achterom keek.
"'t Gaat je niet aan!" bromde Dik. "Kijk maar voor je......"
"Trek -- trek dan toch!" zei Piet angstig en driftig. "Hij zit nu al
boven in mijn mouw!"
Hij strekte zijn arm onder de tafel uit en schudde zoo hard hij kon.
Dik grinnikte van pleizier.
"Wat is dat daar?" klonk de stem van den meester.
Dik trok de muis uit Piet's mouw en greep haar vast.
"Piep! Piep!" schreeuwde het kleine ding.
"Hè, -- wie piept daar?" vroeg de meester. "Wie maakt dat geluidje
daar? Jij, Piet van Dril?"
Piet, die alweer diep over zijn kladschrift gebogen zat, keek met een
verbaasd gezicht op, en zei:
"Ik? -- Piepen? -- Neen m'st'r, ik niet!"
"Jij dan, Dik Trom?"
Dood-onschuldig keek Dik den meester aan.
"Neen m'st'r, ik ook niet."
De muis zat alweer veilig en wel in zijn zak, opgesloten in de
poederdoos.
"Geen malligheid, asjeblief, jongens," zei de meester, terwijl hij
naar hun bank kwam. "Ik wil weten, wie daar piepte."
"Ik niet, m'st'r," zei Dik.
"Ik deed het ook niet," zei Piet.
"Kom eens uit je bank! Ik wil weten, wat er aan de hand is."
Dik en Piet gingen naast de bank staan, en de meester inspecteerde
hun lessenaars, maar hij vond niets bijzonders.
Hij keek hun nog eens scherp in de oogen, maar Piet en Dik blikten
hem met een onschuldig gezicht aan, of zij van den prins geen kwaad
wisten.
"Gaat maar zitten. Is je werk af?"
"Bijna," zei Dik. "Ik moet de laatste som nog inschrijven."
Dat was waar. Hij en Dik wachtten met het inschrijven van de laatste
som altijd het uiterste nippertje af, om te kunnen zeggen, dat zij
nog niet klaar waren. Zij wisten wel, dat de meester anders, om hen
bezig te houden, nog een groote vormsom op het bord schreef, en dat
hadden zij liever niet. Zij konden het toch niet helpen, dat zij hun
sommen altijd het eerst afhadden? De anderen zaten allen ook nu nog
ingespannen te werken. Alleen hadden zij even lachend omgekeken naar
Piet en Dik, toen het gepiep van de muis door het lokaal klonk. Zij
begrepen wel, dat er iets aan de hand was, maar wàt het was, wisten
zij natuurlijk niet. Dat wisten alleen Dik en Piet maar.
De meester begaf zich naar zijn lessenaar, waarin hij blijkbaar iets
zocht, dat hij niet vinden kon, en de twee jongens bogen zich weer
diep over hun kladschrift.
Dik teekende er een menschelijke figuur in, waarvan de ribben te zien
waren, en hij maakte er een doodshoofd op met holle oogen en
opengesperde kaken, waarvan de ijselijk groote tanden en kiezen bloot
lagen.
Hij stootte Piet met zijn knie aan, en fluisterde:
"Kijk eens, de witte dood van Pierlala!"
En beiden grinnikten van pret.
"Dat scheelde zooeven een beetje, hè?" zei Piet zacht.
"En òf!" fluisterde Dik.
"Zit hij weer in je zak?"
"Ja. De meester kon hem lekker niet vinden."
"Laat hem nog eens loopen loopen!" zei Piet.
"In je mouw?" vroeg Dik, terwijl zijn hand in zijn diepen zak
verdween. De doos kwam weer te voorschijn. Piet werkte schijnbaar met
den grootsten ijver, maar hij fluisterde:
"Laat hem op de tafel loopen, Dik, niet meer op de bank. Anders
worden we weer gesnapt."
De muis kwam op de tafel, doch Dik gaf haar maar weinig vrijheid van
beweging. Hij durfde niet al te best, want de meester was streng, en
Dik had niet veel zin om school te blijven met dit mooie weer.
De muis voelde wel, dat zij kort gehouden werd.
Maar zoo was er voor de jongens niet veel aardigheid aan. "Geef hem
de ruimte, Dik," zei Piet.
Dik deed het, en het muisje kuierde over het schuine tafelvlak heen
en weer. Eindelijk kwam zij op het horizontale gedeelte, waarin de
inktpotten stonden. Zij trippelde van het eene einde naar het andere,
tot zijn staart in den inktpot terecht kwam.
"Kijk eens," zei Dik, wiens oogen straalden van genot. "Zijn staart
zit in den inktpot."
Hij gaf een rukje aan den draad, en de muis liep op een drafje weg,
over het schrift van Piet. Haar natte zwarte staartje slierde over
Piet's schrift, en teekende er van boven tot onder een groote
inktvlek op.
"Ben je gek!" zei Piet in zijn eersten schrik. "Kijk eens wat een
vlek. Die lamme muis!"
Dik proestte van het lachen en haalde de muis met bekwamen spoed naar
zich toe. "'t Is gelukkig mijn kladschrift maar; verbeeld je eens,
dat het mijn netschrift was," fluisterde Piet, die zich haastte, het
vuile blad er uit te scheuren. Hij stak het in zijn zak, en vestigde
toen zijn aandacht weer op het mutsje, dat op Dik's lessenaar liep.
[Illustratie]
Bruin Boon rekte zich achterover. Hij kon de sommen niet vinden, en
werd altijd vervelend van rekenen.
De muis klauterde hem tegen zijn rug op en kroop hem tusschen zijn
kraag. Het beestje had van een onbewaakt oogenblik gebruik gemaakt,
om zich dit kleine uitstapje te veroorloven.
Bruin voelde het beest tusschen zijn hals en zijn kraag loopen.
Hu! Een rilling voer hem over zijn rug. Wat was dat voor griezeligs?
Deed Dik Trom dat misschien?
Hij wilde omkijken, maar het voorwerp bewoog zich langs zijn hals in
dalende richting.
Hij streek haastig met zijn vinger tusschen zijn goed door en voelde,
dat daar iets leefde.
Dik trok zoo hard hij kon, om de muis naar zich toe te halen, want
hij vreesde thans het ergste. Maar tot zijn schrik brak de draad en
verkeerde hij in de onmogelijkheid om het beestje te bemachtigen.
"Ai! Ai!" schreeuwde Bruin Boon luidkeels, terwijl in zijn bank
overeind vloog en onder teekenen van den grootsten angst met zijn
vinger tusschen zijn kraag voelde. "Een beest! Een beest in mijn
hals!" gilde Bruin, die in zijn ontsteltenis uit zijn bank vloog en
op den vloer stond te trappelen van angst en schrik.
Dik en Piet bogen diep over hun werk en schreven haastig hun laatste
som in. Maar zij zaten te schudden van het lachen, en konden
eindelijk onmogelijk verder schijven.
Trouwens, niemand in de klasse werkte meer. Allen waren verbaasd over
het geschreeuw van Bruin en over zijn malle bewegingen, en zaten hem
lachend aan te kijken.
[Illustratie]
Dik stootte Piet met zijn knie aan en zat te proesten van 't lachen.
Piet ook, maar toch fluisterde hij Dik toe:
"Maar dat loopt mis, Dik."
"Ik vrees het ook," zei Dik.
De meester had haastig zijn lessenaar verlaten en was naar Bruin
gegaan. Zijn gezicht stond hoogst ernstig en er lagen rimpels in zijn
voorhoofd.
Bruin hield niet op met gillen, en hij trappelde van angst
voortdurend op den vloer.
"Ai! O! Een beest in mijn hals! Een groot beest!"
"Haal het er dan uit!" gebood de meester, die niet wist, welk beest
het was en niet veel lust scheen te heb ben, de behulpzame hand te
bieden.
"O, ik kan niet -- ai, -- o, -- het gaat op mijn rug!"
De kinderen gierden het thans uit van de pret.
"Haal het er uit, Bruin!" gebood de meester met verheffing van stem.
"Maak je kleeren los, als je er anders niet bij kunt!"
"O, -- o, -- o!" gilde Bruin, die in zijn ontsteltenis zijn boord
niet kon los krijgen. In zijn angst gaf hij er een hevigen ruk aan,
zoodat de knoop er afsprong.
De meester trok zijn kleeren wat weg, en hoewel met tegenzin, stak
hij zijn hand tusschen Bruin's goed.
Ha, daar voelde hij wat, maar hij trok een vies gezicht, want het
leek wel een worm.
Een oogenblik weifelde hij, of hij zijn onderzoek wel zou
voortzetten, maar hij kreeg medelijden met Bruin, die niet ophield
met schreeuwen en lamenteeren. De jongen stond geen oogenblik stil.
"Houd je kalm, Bruin," zei hij, "ik voel al wat."
Hij greep den worm aan en trok hem omhoog, maar wat hij voor een worm
had aangezien, was de staart van de muis, die nu boven de kraag van
Bruin te voorschijn kwam. 't Ging blijkbaar niet gemakkelijk, het
beest naar boven te halen.
De meester gaf een rukje, -- en daar klauterde hem plotseling de muis
tegen zijn vingers op.
"Hu!" riep de meester, die in het eerste ogenblik niet begreep, wat
er gebeurde, en de muis van zich afschudde.
"Een muis! Een muis!" schreeuwde Dik, die zich hield, of hij erg
verwonderd was.
"Een muis! Een muis!" riep ook Piet. "Daar loopt hij over de bank,
dáár, bij Anneke!"
Inderdaad wipte het muisje, dat zich plotseling geheel in vrijheid
voelde, met groote snelheid van de eene bank op de andere, en
verwekte overal, vooral onder de meisjes, de grootste ontsteltenis.
Anneke sprong onder het slaken van een gil op de bank en hield
krampachtig haar rokken om haar beenen geklemd.
"Daar loopt hij! Daar loopt hij, -- dáár, bij Mina!"
Mina gilde nog harder dan Anneke, en stond in minder dan geen tijd op
de bank.
"Hier is hij!" riep Jan Vos.
"Dáár, nu is hij dáár hij Jansje van Vooren!"
Jansje gilde en schreeuwde van angst, en liep zoo hard het lokaal
door, als zij kon.
Er zat eindelijk geen meisje meer op haar plaats. Bijna allen waren
op de banken gevlucht, maar daar waren zij evenmin veilig, want de
muis bleek heel gemakkelijk tegen de harde planken te kunnen
opklauteren.
't Was een gegil en lawaai van belang in de school.
De jongens liepen, wat zij konden, de muis achterna, om haar te
grijpen, maar zij grepen herhaaldelijk mis, want het muisje was
vlugger, dan alle jongens bij elkaar.
Dik en Piet hielpen ijverig mede.
"Daar loopt hij!" schreeuwde Dik. "Hij heeft een draadje aan zijn
poot!" liet hij er op volgen, alsof hij een spiksplinternieuwe
ontdekking deed.
De meester trachtte de orde te herstellen.
"Kinderen, stilte!" gebood hij. "Gaat zitten, meisjes en weest maar
niet bang. Hij zal je heusch niet opeten; 't is maar een muisje. De
jongens zullen hem wel vangen."
Maar 't was voor doovemansooren gepraat. De meisjes zouden voor al
het geld ter wereld hun vluchtheuvels niet hebben durven verlaten, en
zij hoorden eigenlijk niet eens, wat de meester zei.
De jongens renden als dollen achter het muisje, dat zich nu hier, dan
daar liet zien.
"Stilte!" gebood de meester nogmaals.
Maar 't hielp niet.
Opeens was het muisje verdwenen.
Hoe de jongens ook keken en zochten, zij zagen het nergens meer.
"Hij is weg!" riep Dik.