De Rifstammen vechten nog maar door, zoo luiden de berichten uit de
allerlaatste dagen van October en ook in de eerste dagen van November
klinken er nog geen vredelievender tonen. Als de Spanjaarden hebben
gedacht, dat ze met een eenvoudige tuchtigingsexpeditie zouden kunnen
volstaan als antwoord op de aanvallen van Juli, hebben ze zich vergist,
zooals in de geschiedenis zoovelen zich vergisten ten opzichte van
de marokkaansche zeeroovers. Spanje heeft een volledigen oorlog te
voeren in Noord-Afrika, en naar Melilla moeten steeds maar weer nieuwe
troepen worden gezonden, die onder generaal Marina's bevel er groote
moeilijkheden hebben te overwinnen.
Wat is eigenlijk het Rif? Het woord, dat Arabisch is, beteekent
»rand«. Het wijst den omtrek van een kamp aan bij voorbeeld of een
strook grond langs een dal, een vlakte of de zee. Het nu bedoelde Rif
is de streek aan de Middellandsche Zee tusschen Melilla en Tetoean. Het
is een massief bergland, dat zich van de Moeloeya uitstrekt naar
de zee en bestaat uit een reeks aan de kust evenwijdige ketenen,
doorsneden door passen en gescheiden door lengtedalen. Die ketenen,
die ongeveer een hoogte van 2000 meters bereiken, maken een indruk
van woeste verlatenheid. Het heerlijke klimaat van de landen om de
Middellandsche Zee zoekt men er te vergeefs en de westenwinden uit
de straat van Gibraltar kunnen er zeer koud wezen.
Toch zijn de hellingen der bergen bedekt met goede weiden en later
vertoont zich op de niet volkomen rotsachtige gedeelten een dichte
plantengroei van eiken en dennen, ceders en thuya's, notenboomen en
wilde olijven; in de dalen, door tal van beken besproeid, groeien
oranjes en vijgen, wijn en granaatappelen en allerlei graansoorten.
Maar de kust is al bijzonder ongastvrij; het is een groote halve kring
van rotsen, wel 300 kilometer lang, waarvan de steile hellingen enkel
hier en daar nauwe doorgangen laten naar het binnenland. Buitendien
is die kust, door de natuur reeds zoo weinig toegankelijk gemaakt en
waar een heftige noordenwind blaast, altijd nog uiterst gevaarlijk
voor de schepen door de vijandelijkheid der bewoners. De instructies
voor de zeevaart waarschuwen steeds voor de gevaren, want als een uit
den koers geraakte stoomboot of een zeilschip, dat door windstilte
tot stilliggen is gedwongen, binnen het bereik der Rifpiraten komt,
aarzelen ze geen oogenblik, maar zenden hun gewapende booten uit,
om het ongelukkige vaartuig te plunderen.
De bewoners van deze ongastvrije kust zijn Berbers, verdeeld in
een dertigtal stammen; stoutmoedige bergbewoners, die geen andere
oppermacht kennen dan die van hun eigen stamhoofden, zoodat de sultans
van hun eigen ras geen gezag in hun gebied uitoefenen. De stammen zijn
onafhankelijk van elkander, en hun politieke eenheid blijkt uit niets
anders dan uit hun strijd tegen het Maghzen, dat is de regeering van
Marokko en tegen de Christenen. Elke stam is verdeeld in een zeker
aantal afdeelingen of clans, waarin alle mannelijke meerderjarigen
toegelaten worden tot het bespreken van de aangelegenheden van de
afdeeling en het bestuur der clan zelf kiezen.
Die clanhoofden, tot een raad vereenigd, benoemen den kaïd, den
eersten magistraatspersoon en het militaire hoofd van den stam,
die echter geen enkel besluit kan nemen zonder de toestemming van
den Raad der Ouden. Die Raad beslist alle vraagstukken van oorlog,
belastingen, etcetera, en zijn besluiten hebben kracht van wet. De
algemeene vergadering van alle mannen van den stam wordt opgeroepen
tot het kennis nemen van de benoeming van den kaïd en van de andere
besluiten, genomen door de Ouden.
De leden van den stam bewonen de ksoer of dorpen, enkelvoud ksar,
gewoonlijk op moeilijk toegankelijke hoogten gelegen, samengesteld
uit steenen hutten en omringd door cactus- en agavehagen, die er echte
vestingen van maken. De kaïd bewoont een kasba, een soort van kasteel,
dat tegelijk tot arsenaal dient, tot schatkamer en tot gevangenis, en
waarvan het garnizoen bij beurten wordt gekozen uit de verschillende
afdeelingen van den stam.
De meeste Rifbewoners zijn gewapend met een geweer van modern maaksel,
en wie zich dat niet heeft weten te verschaffen, gebruikt geweren
van inlandsch maaksel, waarvoor het nooit aan munitie ontbreekt,
die de Rifioten zelf vervaardigen. De bewapening omvat ook nog
een rechten dolk, die zeer spits toeloopt, of wel een krommen dolk,
zooals algemeen is in de atlantische kuststreken van Marokko. In zake
artillerie hebben ze niet anders dan eenige oude stukken, die van
voren worden geladen, kanonnen, die nog gediend hebben om Alhacemas
en Penon de Velez te beschieten.
Meesters zijn de Rifioten in den guerilla-oorlog. Ze zijn groot
en sterk, listig en onverschrokken en van een matigheid en een
uithoudingsvermogen, die merkwaardig zijn. Gekleed in een korte,
bruinwollen tunica, met om het geschoren hoofd alleen een touwtje
van geitehaar of het roode lakensche zakje van hun geweer bij wijze
van tulband, weten ze van de gesteldheid van het terrein uitstekend
te profiteeren om zich te verbergen en hun vijanden te verrassen. En
de landstreek om Melilla, de kloven van de Goeroegoe en de diepe,
nauwe dalen, die van daar naar zee loopen, leenen zich uitstekend
voor hun tactiek.
Voor den aanval kiezen ze bij voorkeur het uur vóór zonsopgang, het
oogenblik, waarop ze vermoeden, dat de tegenstanders gerustgesteld
zijn door een ongestoorden nacht en vermoeid van het langdurige
waken. Zonder eenig geraas te maken, sluipen zij achter de
terreinoneffenheden en rotsen en hagen langs naar hun doel. Dan,
als ze op den gewenschten afstand zijn gekomen, staan ze plotseling
op, ontladen hun geweren, om schrik te verspreiden in de gelederen
van den vijand en gaan tot den aanval over met geschreeuw en
woeste verwenschingen. De vrouwen achter de gevechtslinie brengen
krijgsvoorraad aan en emmers vol water, om de strijdenden te
verkwikken; ze moedigen de mannen aan door scherpe kreten en smalen
op wie zich laf toont.
Voorwaar, geen vijanden, om licht over te denken, noch voor Spanje,
noch voor hun altijddurenden vijand, den sultan van Marokko!