Gedurende de eerste vier jaren van de twintigste eeuw hebben de
tijgers in Voor-Indië niet minder dan vier duizend menschelijke
wezens verslonden. Men vraagt zich af, hoe Engeland, dat er zich op
verhoovaardigt, aan de andere volken het voorbeeld te geven in zake
den vooruitgang, dat elk jaar weer nieuwe verbeteringen invoert in
de wapens, waarvan de jagers op groot wild gebruik maken, dat bij
uitnemendheid het land is van de sportmenschen, hoe Engeland er niet
in is geslaagd, om zijn onderdanen in Voor-Indië te bevrijden van een
verscheurend dier, dat Hindostan ieder jaar een schatting oplegt van
duizend menschenlevens en van twintig duizend stuks vee.
De »Modern Review« van Calcutta zegt, dat het tijd wordt, om voor
geen middel terug te deinzen, ten einde een roofdier uit te roeien,
dat zooveel schade aanricht. Nooit was een oorlog op leven en dood
tegen een diersoort gewettigder dan deze, als de tijger maar niet zoo
sterk was en zoo slim, zoodat hij in den levensstrijd goed gewapend is.
In het Zuiden van Indië zijn tijgers van vier meter lengte geen
zeldzaamheid en geloofwaardige getuigen verhalen, dat zoo'n dier met
een vrij zware prooi in den bek met gemak over een twee meter hooge
haag springt. En als zijn kracht en vlugheid hem nog niet genoeg
beschermden, zou het dier in de jungles, het dichte struikgewas van
Bengalen, overal een schuilplaats vinden. Ook in de provinciën van
het midden zijn gedeelten, waar de stoutmoedigste jager niet kan
doordringen. Op meer dan één plek van het schiereiland, zou men,
wilde men de wilde dieren uitroeien, eerst het land moeten zuiveren
van allen plantengroei. Maar het ontginnen van die reuzenterreinen,
waarvan de verscheurende dieren bezit hebben genomen, zou nog niet
voldoende wezen, om den tijger het lot te doen ondergaan, dat de wolf
heeft ondergaan bij voorbeeld in Engeland.
Een uitroeiingsarbeid, die met een goeden uitslag is verricht in een
matig uitgestrekt land, waar alle inwoners eenstemmig waren in den
wensch het gevaarlijke dier te vervolgen, ontmoet bijna onoverkomelijke
bezwaren over een onmetelijk terrein, waar de veroordeelde ook nog hier
en daar kan rekenen op de onuitgesproken sympathie der bevolking. En
dat is het geval met de tijgers uit Indië. De bengaalsche boer is
er niet rouwig om, dat het groote roofdier een onweersprekelijken
dienst bewijst aan den landbouw door het uitroeien van wilde zwijnen en
herten. Het is waar, dat de helper zich soms verschrikkelijk duur voor
zijn goede diensten laat betalen, want vroeg of spa komt er een tijd,
dat de tijger in plaats van zich uitsluitend met groot wild te voeden,
dat den oogst vernielt, jacht gaat maken op den mensch. Als hij eenmaal
menschenvleesch heeft geproefd, schijnt hij er zeer verlekkerd op
te wezen. Het calcutta'sche blad weet te vertellen van een tijger,
die in Zuid-Indië tweehonderd menschen had verslonden en van een
anderen in den Himalaya, die het er driehonderd had gedaan.
Hoe die smaak in menschenvleesch ontstaat, wordt door sommigen
verklaard uit de omstandigheid, dat het dier, als het ouder wordt,
minder vlug is en de herten niet meer kan snappen, terwijl anderen
beweren, dat in tijden van buitengewone droogte de tijger, genoodzaakt,
om al meer de vlakte te naderen, waar de menschen wonen, om er water
te zoeken, gevaarlijker wordt, ook doordat hij uitgehongerd is. Maar
hoe het ook zij, tegenover de vaststaande feiten, dat het aantal
menschen, hetwelk hem ten offer valt, toenemende is, mag zeker de
engelsche regeering wel al het mogelijke doen, om de bevolking in
haar strijd tegen het gevaarlijke roofdier te helpen.