EEN HALVE EEUW NA KARL RITTER'S DOOD.

In Mei 1859 was Alexander von Humboldt gestorven, en er was nog geen

half jaar na zijn dood verstreken, of het duitsche volk betreurde weer

een zijner zonen, werkend in von Humboldt's richting; het stond aan de

baar van Karl Ritter. Op den 28sten September was de geniale stichter

van de wetenschappelijke aardrijkskunde na een lijden van vele weken

in zijn tachtigste jaar gestorven. Bij zijn dood was Ritter al een

wereldberoemd man; maar ook nog thans, na een halve eeuw, wordt hij

algemeen gewaardeerd en wat hij voor de wetenschap der aardrijkskunde

heeft gedaan, is waarlijk niet vergeten.

Met hem begint een nieuwe aera van beoefening der wetenschappelijke

aardrijkskunde. Toen hij in 1804 uitgaf zijn groot werk »Europa«

bleek reeds duidelijk, dat hij gebroken had met de meening, dat

er geen andere aardrijkskunde bestond dan de staatkundige, en in de

voorrede tot het veelgelezen werk zegt hij, dat het zijn doel was, den

lezer een voorstelling te geven van het gansche land, van de natuur-

en de kunstproducten en van het leven, dat de menschen er leiden en

bij ieder land dat zoo te doen, dat er een samenhangend geheel voor

den lezer verrijst.

Hij wou geschiedenis en aardrijkskunde tot onafscheidelijke gezellinnen

maken, en aantoonen, hoe de aarde en haar bewoners tot elkander in het

nauwste verband staan. Het kwam hem voor, dat men tot dien tijd den

gewichtigen invloed van de natuurlijke gesteldheid van een land had

onderschat. Zooals de chronologie de grondslag der geschiedenis is,

zonder welke alle feiten verward zijn, zoo was voor hem de physische

gesteldheid de basis der geografie, het skelet, door al het andere

als door vet en spieren omgeven.

Natuurlijk vond de door hem ingevoerde nieuwigheid aanvankelijk veel

tegenstand, vooral van de zijde der erkende geografen in Weimar, die

leden waren van het Geografisches Institut. Maar Ritter bleef zijn

richting propageeren, en in 1817 verscheen zijn standaardwerk »Die

Erdkunde im Verhältniss zur Natur und zur Geschichte des Menschen, oder

allgemeine vergleichende Geographie als sichere Grundlage des Studiums

und Unterrichts in physikalischen und historischen Wissenschaften«. In

dat boek heeft Ritter zijn hervormingswerk tot volle ontplooiing

gebracht. De geweldige stof heeft hij vermeesterd en tot een levend

geheel gemaakt, dat zich zijn plaats waardig toonde onder de andere

wetenschappen en meer dan de meeste andere van beteekenis was voor

het practische leven.

Er zijn in het geheel negentien deelen van het werk verschenen,

maar het is toch onvoltooid gebleven, zoo als bij den grootschen

opzet wel te verwachten was. De kleinere geschriften van Ritter, van

groote scherpzinnigheid en geleerdheid getuigend, en de na zijn dood

uitgegeven redevoeringen hebben zijn roem niet weinig vergroot. Het

was geen veelbewogen leven, dat hij in 1859 afsloot. Geboren in 1779

als zoon van een dokter in Quedlinburg, werd hij al op zesjarigen

leeftijd geplaatst op de opvoedingsinrichting Schnepfenthal, de

beroemde instelling, die in dit jaar haar 125 jarig bestaan heeft

gevierd. Een natuurlijke levenswijze en verruiming van den geest in de

richting, als door Rousseau in zijn »Emile« was gepredikt, lagen ten

grondslag aan het in Schnepfenthal gegeven onderwijs en de opvoeding,

die men er voorstond.

In de school was aardrijkskunde al gauw zijn lievelingsvak, en toen

hij later naar de academie te Halle ging, interesseerden hem naast

paedagogische onderwerpen en de statistiek niets zoozeer dan wat met

aardrijkskunde in verband stond. Hij nam zich toen reeds voor, van dat

vak zijn levensdoel te maken. Van Halle ging hij naar Frankfort aan

de Main, waar hij een reeks van jaren gouverneur was in een voornaam

gezin, en daarna werkte hij in Göttingen, waar hij de schatten der

daar aanwezige bibliotheek voor zijn aardrijkskundig werk exploreerde.

In 1819 kreeg hij een betrekking als buitengewoon hoogleeraar

in geschiedenis en aardrijkskunde aan het gymnasium in Weimar,

om vrij spoedig de promotie te maken tot een professoraat aan de

Berlijnsche universiteit. Daar heeft hij bijna veertig jaren gewerkt,

en in zijn voordrachten gaf hij nieuwe vormen aan de geografische

wetenschap. Duizenden hebben als toehoorders en leerlingen hem gevolgd

en kwamen onder den indruk, welk een uitstekend redenaar en leeraar

hij was.

Op het kerkhof bij de Mariakerk aan de Prenzlauer Allee te Berlijn werd

hij naast zijn hem voorafgegane vrouw begraven. Zijn aandenken is hoog

in eere gehouden. De Aardrijkskundige Genootschappen in Berlijn en

Leipzig stichtten Karl-Ritterbeurzen met het doel, de aardrijkskunde

te bevorderen door ondersteuning van reizen en van wetenschappelijk

werk. Buitendien richtte zijn geboortestad Quedlinburg voor haar

grooten zoon een gedenkteeken op in 1865; maar het beste gedenkteeken

heeft hij zichzelven gesticht in zijn richting, die vooruitstuwend

heeft gewerkt op een wetenschap, waarvan de evolutie nog in lange

jaren niet zal zijn voltooid.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 302 / 353 题