MOOI PLEKJE AAN DEN VELUWEZOOM.

De elementen hebben het bezoek van den keizer van Duitschland aan

ons land niet begunstigd. In de weinige uren van zijn verblijf op

nederlandschen bodem zijn bliksem en donder, hagelslag en hevige regens

aan het woord geweest, en onder dreigend zwarte en geelgrijze luchten

werden de wegen van het mooie landgoed en zijn omgeving onbegaanbaar,

terwijl het hemelvuur links en rechts neersloeg, niet zonder doel te

treffen, boerderijen in de asch leggend en zich zelfs vergrijpend

aan dingen van zoo erkend symbolische beteekenis als vlaggen, die

als welkomstgroet moesten dienen.

En het wil wat zeggen, wanneer daar aan den Veluwezoom tusschen

Brummen en Arnhem de buien losbarsten en het hemelwater in massa

wordt uitgegoten! Dan wordt het een onhollandsche manier van regenen,

waaraan men in berglanden gewend moge zijn, maar die bij ons tot de

zeldzaamheden behoort. Want van de hoogten ten westen van den straatweg

gudst dan het water neer, sleurt het zand van de talrijke boschwegen

mee naar beneden, rukt het onderhout uit en voert zegevierend takken

en bladeren van boven naar de diepte, waar het zijn vernielingswerk

nog vaak voortzet.

Er zijn daar in de buurt onweersbuien bekend, die een historische

beteekenis hebben gekregen om de groote schade, die ze aanrichtten. Zoo

heeft Dieren nu bijna een eeuw geleden, in 1818 kunnen ervaren,

hoe verwoestend het water op den golvenden bodem werkte, toen na

een zwaar onweer de watervloed de landerijen met zand overdekte,

zware steenen wegsleurde, met gevelde eiken woest omging, als waren

ze stukken kinderspeelgoed en huizen en schuren deed instorten. In de

gemeente Rheden tusschen Dieren en De Steeg waren de wegen wekenlang

onbruikbaar.

En nog vroeger hebben de elementen er vaak woest huisgehouden met het

menschenwerk. Wat nu het Hof te Dieren heet, het kasteel in eigendom

toebehoorend aan en bewoond door Dr. R. F. baron van Heeckeren van

Wassenaer, dat men van Dieren komend en de heerlijke Ellecomsche laan

in wandelend, aan zijn linkerhand heeft, was midden in de zeventiende

eeuw een jachtslot van onzen stadhouder prins Willem II. De jeugdige

prins had namelijk in 1647 voor de som van 147.000 gulden de goederen

gekocht van de kommanderij van Dieren met aangrenzende goederen van

bijzondere personen.

Hij liet er het volgend jaar een wildbaan aanleggen, een groot

boschcomplex, dat hij liet insluiten door een palissadeering, hooger

dan manslengte van meer dan vier uren in omtrek. De weg van Arnhem

naar Zutfen liep door de wildbaan heen en was aan beide zijden

door een poort afgesloten, terwijl binnen de mijlenlange schutting

de gebouwen lagen van het Hof, het jachthuis, de kaatsbaan en al

de bosschen, waar het wild binnen en de stroopers buiten moesten

worden gehouden. Edoch de door het landvolk als soort van chineesche

muur beschouwde hooge schutting kon het niet uithouden tegen de

ondermijnende werking van het water, dat na iedere stortbui van de

omliggende heuvels afstroomde, de kostbare omheining vernielde en de

wildbaan open liet liggen. Twaalf jaren bleef de omheining in wezen,

hield ten minste, zoo goed en zoo kwaad, als het ging, stand, maar

moest toen voor afbraak worden verkocht.

Het Huis te Dieren met de mooie boschomgeving bleef voor vier

geslachten van onze stadhouders uit het Huis van Oranje een geliefd

geldersch lustoord. Willem II had de bezitting gekocht van de Orde

der Duitsche Ridders, die haar in 1219 ontvangen hadden van graaf

Adolf van den Berg, wiens vader, graaf Engelbert van 's-Heerenberg

het goed in 1168 van keizer Frederik Barbarossa had gekregen. De orde

bleef er gevestigd tot 1647, het jaar, waarin de koop met Willem

II werd gesloten, ressorteerde eerst onder de Balije van Coblentz,

later onder die van Utrecht en deed, door vrome schenkingen uitgebreid,

zoodat allengs de heele omtrek haar behoorde, veel voor de verbetering

der wegen.

Willem II besteedde vrijwat kosten aan zijn nieuwe bezitting; hij

liet o.a. wilde zwijnen naar zijn nieuwe wildbaan overbrengen met het

gevolg, dat de evers er wel eens zoo talrijk waren, dat de geldersche

boeren er schade van hadden, doordat het wroetende en smullende goed

de knollenvelden als voor hen aangerechte tafel beschouwde en de

boekweitakkers bij hun nachtelijke bezoeken vertrapte en omwoelde.

In Augustus 1850 was de stadhouder weer naar zijn bezitting te Dieren

ter jacht gegaan, om tevens in zijn hoedanigheid van stadhouder van

Gelderland de statenvergadering te Zutfen bij te wonen, en in het

begin van October was hij er reeds weer en hield zich een drietal

weken met het geliefde jachtvermaak bezig, toen hij den 27sten October

de koorts kreeg als voorbode van de kinderpokken. Het eenvoudige

jachthuis was geen geschikt verblijf voor een ernstig zieke, en in

zijn vorstelijk jacht werd de stadhouder over IJsel, Rijn, Lek en

Maas naar Rotterdam vervoerd en van daar naar Den Haag. Ofschoon

nog geen 25 jaar, overleed de prins, die reeds herstellende was, den

6den November na een onverwachte instorting, zonder dat zijn jonge

vrouw, die de geboorte van haar eerste kind verwachtte, bij hem was

toegelaten, om alle gevaar voor besmetting te ontgaan.

De na den dood des vaders geboren prins, onze latere stadhouder-koning

Willem III, was een Nimrod's vriend van belang. De jacht was een

hartstocht bij hem en zoowel Dieren als Het Loo met de gansche Veluwe

stelden hem in staat, eraan te voldoen. Hij liet het huis te Dieren

vergrooten en verfraaien. Het had veel geleden door het vandalenwerk,

dat de soldaten van Lodewijk XIV er in 1672 hadden bedreven, maar na

de verbouwing en opknapping kon het een talrijken jachtstoet bergen,

en de inwendige inrichting was zelfs zoo goed, dat het huis waard was,

er kunstschatten heen over te brengen, waaraan Willem en zijn gemalin

Maria van Engeland zoo groote waarde hechtten.

Ook de omgeving werd verfraaid; de prins liet in het omringend park

bloemtuinen aanleggen en naar de mode dier dagen, die bezig is te

herleven, ook loofgangen of berceaux, fonteinen, grotten en natuurlijk

koepels en vijvers. Ook nieuwe wegen werden aangelegd; de Koningsweg

dagteekent uit dien tijd, die mooie landweg, die nog tegenwoordig

aan de wandelaars genot verschaft, als ze zich over de hoogten van de

Dierensche en Onzalige bosschen bewegen. Toen Willem in 1688 koning

van Engeland was geworden, vergat hij de lievelingsplekjes niet uit

den vroegeren tijd; het huis te Dieren zag hem herhaaldelijk binnen

zijn muren. En koningin Maria hield ook van de landelijke afzondering

in de heerlijke boschrijke streek; in het huisarchief van het geslacht

van Heeckeren van Wassenaer, waarvan een afstammeling thans het hof te

Dieren bewoont, zijn nog brieven en gedenkschriften van haar bewaard

gebleven, waaruit die voorliefde duidelijk blijkt.

Met Willem II en Willem III had het huis te Dieren zijn besten

tijd gehad, al vertoefde Willem IV er menigmaal en al deed hij het

zijne tot verfraaiing van den omtrek. Naar zijn zoon is de bekende

Prins-Willemsberg genoemd, die begroeide hoogte, op welker top acht

lanen komen, en de wat dichter bij Dieren gelegen Carolinenberg,

doel van een wandeling voor ieder, die er in de buurt logeert,

heet zoo naar de dochter van den stadhouder, Caroline, die met een

lutherschen prins van Nassau Weilburg trouwde, wel een weinig tot

ergernis van familieleden en landgenooten van echt gereformeerde

religie. Vroeger heette de veelbezochte berg de Steenenberg en nu

wordt hij vaak aangeduid als de Veertien Wegen. Op de bank rondom

een linde laat het dichte gebladerte niet veel uitzicht meer toe,

maar gelukkig kan men zich overtuigen, hoe goed de oorspronkelijke

keuze van dit punt is geweest, als men een der wegen volgt niet verder

dan een vijftigtal schreden, waar hij begint te dalen. Daar is het

vergezicht wondermooi; de hoogten en laagten met de bosschen bedekt,

maken er den indruk van een statig bergland.

Bij den dood van Willem IV kwam de heerlijkheid aan zijn minderjarigen

zoon, en de latere Willem V was de laatste prins van Oranje, die zich

op het huis te Dieren vertoonde. Hij was geen liefhebber van de jacht,

kwam er zelden en toen zijn zon in de republiek was onder gegaan

werd in den winter van 1794 op 1795 het huis door de Franschen bezet;

magazijn, kazerne, gelagkamer, dat waren de rollen, aan de vertrekken

toebedeeld en ten slotte maakte een brand korte metten met de woning

en wat er nog aan schilderijen en kunstschatten was overgebleven.

Toen na de omwenteling de bezittingen van het Oranjehuis tot

nationaal eigendom waren verklaard en als zoodanig verkocht werden,

kwam een groot gedeelte aan gravin M. C. van Wassenaer Twickel,

die zich in 1824, zoo goed als op de plek, waar het jachthuis der

Oranjes had gestaan, maar iets verder naar den dierenschen kant,

een buitenverblijf liet bouwen, het tegenwoordige Hof te Dieren. Na

haar huwelijk met baron van Heeckeren van Twickel en hun verhuizing

naar Twickel bij Delden kwam het goed aan den tegenwoordigen bezitter.

Het oude is er sedert het midden der vorige eeuw voorbijgegaan, en wat

de moderne kweekkunst aan heerlijk plantenmateriaal te voorschijn weet

te tooveren, dat kan men in de tuinen en het park er vinden. Een deel

van het terrein achter het huis is in den oudfranschen stijl aangelegd,

herinnering aan het belangwekkend verleden, maar tevens nieuwerwetsch,

nu de mode weer aan strenge lijnen in den aanleg de voorkeur schijnt

te gaan geven.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 257 / 353 题