De haïtiaansche regeeringsingenieur Gentil Tippenhauer geeft in
Petermann's Mittheilungen een bijdrage tot de kennis van Haïti. Hij
heeft er herhaaldelijk gereisd, het laatst in 1908. De streek ten
noordoosten van Port au Prince tot in het tot nu toe zoo goed als
onbekende middelgedeelte van het eiland aan de grens van San Domingo
was het doel van zijn reizen. Uit de topographisch-geologische kaart,
die de ingenieur geeft, blijkt, hoe gebrekkig de tegenwoordige kaarten
van Haïti zijn.
Voor eenige jaren bereisde een negerattaché uit Washington de
republiek, om voor de amerikaansche regeering een kaart op te
nemen. Maar daar hij, om bij de bevolking geen ergernis te wekken,
zonder theodoliet, barometer, meetband en kompas reisde, kwam er
niets bruikbaars voor den dag. Tegenwoordig werkt een amerikaansche
opmetingsstoomboot aan een opneming van de kusten.
In September 1898 ontdekte Tippenhauer op de savanne Madame Michel,
ongeveer 25 kilometer van de hoofdstad, een ouden vulkaan, die het
eerste onmiskenbare bewijs leverde, dat op de Groote Antillen nog tot
in den jongsten tijd vulkanische werkzaamheid viel te constateeren. De
laatste reis van 1908 deed de onderzoeker in gezelschap van veel
Noord-Amerikanen, die de savannen van het binnenland van Haïti wilden
bekijken uit het oogpunt van hun geschiktheid voor veeteelt. Naar hun
oordeel is het eiland uitnemend voor dat bedrijf geschikt, vooral voor
de teelt van schapen, muilezels, paarden en rundvee. Het land is nog
weinig bevolkt, en enkel een paar alluviale dalen verbouwen suikerriet
en zijn dicht bevolkt, terwijl de negers daar vlijtig werken.
Er is in het land wel een intellectueele en maatschappelijke
vooruitgang te merken, maar het gaat zoo langzaam, dat men niet in den
pas kan blijven met de naburige landen, die snel vooruitgaan, zoodat
het experiment met de negerrepubliek een mislukking dreigt te worden,
tenzij er een groot burger mocht opstaan, die als een Porfirio Diaz
in Mexico het land zou kunnen opheffen en tot welvaart brengen.