CAOUTCHOUCCRISIS IN FRANSCH WEST-AFRIKA.

Als in zooveel streken van Afrika is ook voor Fransch West-Afrika de

caoutchouc een der voornaamste producten. Er wordt nog niet langer

dan twintig jaar daar caoutchouc gewonnen, en reeds is een derde

van de uitvoercijfers op rekening te stellen van dat product. Maar

sedert 1907 is er vermindering in den uitvoer te bespeuren. Zou het

mogelijk wezen, dat er reeds een eind moest komen aan de winning

van caoutchouc? Die vraag heeft ook de regeering zich gesteld en

nevens andere onderzoekingen heeft ze aan de expeditie Chevalier,

die dit voorjaar de woudstreken van West-Afrika onderzocht en nog ter

plaatse is, opgedragen te onderzoeken, aan welke oorzaken de crisis

moet worden toegeschreven. De jonge geleerde heeft nu een eerste

rapport omtrent de quaestie ingediend en de "Temps" geeft er in een

brief uit Dakar een résumé van.

Zeer algemeen verspreid is de meening, dat de negers caoutchoucplanten

op ruwe wijze exploiteeren en dat de opbrengst daardoor vermindert, en

men neemt dan aan, dat de wilde caoutchouc onfeilbaar moet verdwijnen,

om later te worden vervangen door de gekweekte planten. Het is

mogelijk, zegt de briefschrijver, dat dit juist is voor de landen,

waar de caoutchoucplanten boomen zijn, omdat het lang duurt, eer

een boom zich heeft hersteld van te ruw aftappen, maar het geldt

niet voor Soedan, waar de caoutchouc geleverd wordt door planten,

die slingerplanten zijn, of struiken. De negers hebben twee manieren

om er de stof uit op te zamelen; in het woud kappen ze de lianen en

in het struikgewas maken ze insnijdingen in de stammen. Geen dezer

handelwijzen vernietigt de planten. Uit de wortels van de afgehouwen

lianen komen spoedig weer loten, die zelf al gauw exploiteerbaar zijn

en de ingesneden struiken laten ook steeds weer gauw nieuwe takken

opschieten. Nergens in de ontginningsgebieden, die hij bezocht, heeft

de heer Chevalier opgemerkt, dat de caoutchoucplanten neiging zouden

hebben te verdwijnen ten gevolge van de bewerking door de negers. Het

is een dwaling, dat te denken.

Toch hoe geruststellend het moge klinken, blijft het feit bestaan, dat

er tegenwoordig een toenemende vermindering valt te constateeren van

de lianen, die caoutchouc leveren, maar door een oorzaak, die geheel

vreemd is aan de wijze van inzameling, namelijk door de toeneming

der boschbranden.

Het zijn eigenlijk de branden, die de inboorlingen aansteken na hun

oogst, om het onkruid te vernietigen. Die manier van doen is niet

zoo erg te veroordeelen. In Europa ploegt men veel onkruiden onder

en gebruikt die en ook andere planten als groene mest; in Afrika,

waar men niet zoo goed is ingespannen met landbouwgereedschappen,

kan men zulk een mest alleen gebruiken in den vorm van asch. Bovendien

vernietigen die groote branden veel kruipend gedierte en veel insecten,

die in de afrikaansche zon maar al te goed gedijen. Maar als men het

te veel doet, ontstaan er nadeelen.

Voordat de Franschen het land hadden bezet, hoopte de bevolking zich

op over kleine uitgestrektheden, om zich gemakkelijker te kunnen

verdedigen. Thans is de veiligheid algemeen, en bij gevolg verspreidt

de bevolking zich overal en brengt ook overal heen de gewoonte van de

branden. Geen boom of struik biedt weerstand aan die elk jaar herhaalde

vuren, zoodat als men het laat begaan, men gerust kan voorspellen,

dat er in West-Soedan geen boom en geen liaan zal overblijven.

Bij die hoofdoorzaak kwam voor 1907 zich de daling der prijzen

voegen, die toevallig was, maar zoo hevig, dat plotseling het kilo

meer dan een derde in waarde achteruitging. De negers, die niets

weten van de wet van vraag en aanbod, hebben gedacht aan een list

van de europeesche handelaars; ze zijn boos geworden en weigerden

te leveren; ze staakten. Ook moet men wel bedenken, dat naarmate

welvaart en ontwikkeling onder de negers worden verspreid, de ijver

voor het inzamelen er wel wat afgaat. Uit je dorp gaan en in het

woud de ontberingen van de inzamelaars deelen, te zoeken naar de

caoutchoucplanten bij slechte voeding laat zich doen, als er een

goede winst tegenover staat, maar als de winst vermindert, gaan ze

naar andere bestaansmiddelen zoeken.

De regeering is vrijwel machteloos tegen de schommelingen in de

prijzen. De heer Chevalier meent echter, dat er wel iets te doen

ware tegen de boschbranden en dat men de caoutchoucleverende planten

zou kunnen beschermen. Er moeten woudcomplexen volgens hem worden

gereserveerd, zoodat het land verdeeld werd in twee soorten van

gebieden; complexen van bouwland, die kaal zijn en waar de branden

geoorloofd zouden wezen, en met bosch bezette terreinen, waar branden

volstrekt verboden zouden zijn. Die gereserveerde terreinen zouden

onder de bescherming moeten worden gesteld van de rivierdorpen tegen

enkele voordeelen, zooals bij voorbeeld het recht, er caoutchouc in te

zamelen en andere boschproducten. Later als de kolonie het kon lijden,

zou men een afzonderlijken dienst van het boschwezen kunnen instellen.

Wat in dit plan vooral aantrekt, is, dat het zonder veel kosten

zou zijn uit te voeren. En de zaak is noodig, vooral omdat de heer

Chevalier meedeelt, dat alle pogingen, om in West-Afrika caoutchouc

aan te planten, tot nu toe schipbreuk hebben geleden. Men zal zich

nog lang met de wilde planten moeten behelpen. Er is een tijd van

opgewektheid geweest, waarin men bijna bij ieder dorpshoofd erop

aandrong, caoutchouc te laten planten bij de woningen, en op veel

plaatsen is daar gevolg aan gegeven. Maar daarvan is op het oogenblik

letterlijk niets meer over.

Het is een illusie gebleken, dat de lianen, als ze eenmaal geworteld

waren, zich verder wel zelf zouden redden. Ze zijn overal door het

onkruid verstikt. Alleen enkele aanplantingen van Europeanen, die

goed werden onderhouden en verzorgd, hebben het uitgehouden, en de

resultaten, daar verkregen, zijn niet ontmoedigend. Men kan in den

tuin van Cancayenne bij Konakry lianen zien, die twaalf jaren oud zijn,

maar die leveren toch nog maar een zeer kleine hoeveelheid caoutchouc.

De heer Chevalier komt ten slotte er toe, op te merken, dat de

Landolphia's, die de meeste wilde caoutchouc in Soedan leveren, niet

voor de cultuur zijn aan te bevelen. De Hevea's, die moet men hebben,

maar of men ze daar zal kunnen inburgeren en werkelijk acclimatiseeren,

blijft voor den schrijver twijfelachtig, zoodat hij in ieder geval

bescherming pleit voor de natuurlijke, wilde caoutchoucleverende

planten door een beperking der boschbranden.

Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken · 第 254 / 353 题