De Dolomieten in Zuid-Tirol hebben ten gevolge van de sterke
verweering van hun gesteente allerlei uitersten aan te wijzen; de
grilligste vormen, rotstorens met loodrechte wanden, met ijs gevulde
kloven, het eldorado voor de bestormers der gevaarlijkste toppen,
en tusschen de afzonderlijke groepen gemakkelijk begaanbare, met
gras begroeide overgangen met gelegenheden om te rusten, zooals de
niet oversterke en voorzichtige toerist ze wenscht. Maar in deze zoo
rijke bergwereld kunnen ook die bergstijgers behagen vinden, die niet
graag in de nauwe holten schoorsteenvegerskunsten vertoonen of tegen
steilten opkrabbelen, waar de mensch met de gemzen moet wedijveren;
maar die zich aan den anderen kant stevig en flink genoeg voelen,
om in de verheven eenzaamheid van het hooggebergte door te dringen
en ook te strijden voor het winnen van een mooi uitzicht.
Aan dezulken kan een bestijging warm worden aanbevolen, die ze zonder
gids en zonder speciale uitrusting naar de hoogste tinnen van een
grootsche Dolomietgroep brengt. In het Oosten van het veelbezochte
Grödnerdal verheft zich een geweldige rotsburcht van meer dan zestig
kilometer in omtrek, de Sella, die op mooie avonden prachtig door
het zonlicht wordt bestraald en na regendagen met versche sneeuw
besuikerd is. Hoe dichter men erbij komt, des te ontoegankelijker
lijkt dit hooge plateau met de steile hellingen en de reusachtige
rotszuilen. En toch is juist de hoogste top van die natuurlijke
vesting, de Boë-top, 3152 meter, de gemakkelijkste top in de geheele
groep, sedert ongeveer vijftien jaren geleden de sectie Bamberg van
de Duitsche en Oostenrijksche Alpenvereeniging er haar arbeidsveld
heeft opgeslagen en voor de ontsluiting is bezig geweest.
Van de hoofdpaden, die op het met sneeuw bedekte plateau voeren,
is het gemakkelijkste ook het meest voldoening gevend, namelijk dat
door het Mittagsdal, Val de Mesdi. Van Colfosco uit kan men den weg
best zonder gids vinden, want daartegenover opent zich de ingang naar
de spleet, die de grens is tusschen de oostelijke en de westelijke
helft van den Sella. Over de door dauw vochtige mooie weiden en een
licht woud van lariksen gaat men langs de Sorabeek en volgt dan den
trappenaanleg, die matig stijgend, meest over sneeuw van lawinenresten,
die den heelen zomer nu en dan over den weg en het beekje vallen, voert
door een der indrukwekkendste kloven, dreigender dan de Langkofelkar,
de Grasleitenkessel in de Rosengartengroep.
Geen spoor van dier- en plantenleven brengt afwisseling in de
rotswildernis. Een blik achterwaarts vertoont als een laatste groet
uit een verlaten wereld, de door de zon beschenen weiden van Colfosco,
maar spoedig verdwijnen ze en alleen de roode rotswanden blijven.
Na een uur ongeveer splitst zich de weg, en een blauwe markeering
wijst door een rotsspleet op het Pisciadu-plateau, waar de sectie
Bamberg een nieuwe hut als tusschenstation tusschen het dal en
het bovenste terras heeft gebouwd. Dan plotseling staat men op het
Sella-plateau met de wapperende vlag in de beiersche kleuren. Een
grootsch natuurtooneel hebben we dan voor oogen; uren ver weidt de
blik over schitterende sneeuwvelden ver naar het Zuiden en Westen,
en alleen de reuzentoppen aan weerszijden van het Mittagsdal zijn
hooger dan ons standpunt. En links staat de Boë, waarvan men te voren
nog niets heeft gezien. Die hoogste verheffing van het gebergte is als
een reuzendriehoek van louter duidelijk begrensde horizontale lagen,
herinnerend aan de oud-egyptische architectuur.
Sinds 1902 is de toerist er vrij van, zelf voor koken en ander
huishoudelijk werk te zorgen, want het drukke bezoek heeft
de aanstelling van een verzorger mogelijk gemaakt. Het hoogste
onderscheid tusschen de hut en den top bedraagt nog geen 300 meter. De
top is hoefijzervormig als de heele Sella, waarin als in de geheele
Dolomietengroep de geologen groote koraalriffen willen zien uit een
vroegere periode van het bestaan der wereld. De hoogste verheffing
ligt niet aan de schilderachtige westzijde, de Cresta Strenta, maar aan
den zuidoostkant, en is gemakkelijk te bereiken. Zelfs als de stijging
nog door sneeuw is bedekt, doen zich geen moeilijkheden voor. Nergens
behoeft men de handen bij het klimmen te hulp te roepen, en weldra
is het beschermende dak zichtbaar, dat het hoogste punt aanduidt.
Van hieruit doet zich een panorama voor, dat haast de geheele
bergwereld van Tirol omvat. De meest nabijzijnde groepen zijn de
Marmolata, de Fassolanergroep, de Enneberger, Grödener en Ampezzaner
Dolomieten. En zonder vreemde hulp heeft men een hoogte van 3000
meter bereikt, wat ook geen geringe voldoening is!