Op 9 Juli zal men het honderdjarig bestaan van de Dedemsvaart
herdenken, of ten minste den hondersten verjaardag van het oogenblik,
dat de eerste spade in den grond werd gestoken. Dat was toen een groote
triomf voor Mr. Willem Jan, baron van Dedem, naar wien het kanaal
zijn naam draagt, en die eigenlijk zijn gansche leven en zijn fortuin
aan de verwezenlijking heeft gewijd van het grootsche plan, door zijn
schoonvader, Gerrit Willem van Marle, ontworpen en op touw gezet.
Van Marle had groote bezittingen in de Avereester venen, waar de
woeste, ongerepte veengronden zich uren ver ook buiten zijn eigendom
uitstrekten en waar de uiterst armoedige streek tot welvaart en
ontwikkeling zou kunnen komen, als men de schatten van den bodem
maar zou kunnen ontginnen. Maar daartoe was het volstrekt noodig,
dat er een afvoerkanaal kwam, waarlangs men de turf kon verschepen,
een kanaal, dat in verbinding stond met een bevaarbaar water. Van
Marle nu hield zich in de tweede helft der 18de eeuw ernstig met dat
vraagstuk bezig. Hem zweefde als ideaal voor een vaarwater, dat ten
oosten van Hasselt de uitgestrekte venen in zou gaan en tot aan de
Vecht zou worden voortgezet.
In 1791 had hij een plan gereed, maar het vond geen genade bij de
autoriteiten in de provinciale hoofdstad, die voor den transitohandel
van hun stad nadeel vreesden van het geprojecteerde kanaal en die,
inziende wat er goeds was in het idee, om aldus een groot deel van
Overijsel uit zijn isolement op te heffen, met een ander ontwerp
kwamen, dat van Zwolle uit met een groote bocht naar Hardenberg
liep. Kampen en Deventer steunden zusterlijk dit veel kostbaarder
plan. In 1799 stierf Van Marle, zonder dat men iets verder was gekomen.
Zijn oudste dochter trouwde in 1802 met Mr. Willem Jan, baron van
Dedem, die toen hij met de plannen van zijn overleden schoonvader
kennis had gemaakt en zich erin had gewerkt, vol ambitie er propaganda
voor ging maken en met de door Van Marle verzamelde bouwstoffen de
verwezenlijking zich ten taak stelde. Daarvoor ontzag hij geen moeite;
hij bezocht de reeds bestaande veenkoloniën in Groningen, Friesland
en Drente, liet zich te Annerveen voorlichten door den kundigen
Grevelink, studeerde de landmeet- en waterpaskunde, onderhandelde
met de eigenaren over afstand van grond en had eindelijk een ontwerp
klaar van een breed scheepvaartkanaal, dat van Hasselt uit in vrijwel
vlak oostelijke richting naar Ane aan de Vecht zou loopen.
De tegenstand van de Overijselsche steden werd nu ondervangen door
een beslissing, die aan koning Lodewijk Napoleon was ontlokt ter
gelegenheid van een bezoek, dat de koning in het voorjaar van 1809 aan
de noordelijke provincies bracht. Het Zwolsche plan kwam den koning
te omslachtig voor, de rechte lijn naar Ane aan de Vecht trok hem
aan, en Van Dedem, handelende voor de erven Van Marle, verkreeg bij
Koninklijk besluit van 22 Maart 1809 concessie tot kanalisatie. Den
9den Juli daaraanvolgende werd de eerste spade in den grond gestoken.
Het begin was er toen wel, maar daarmee was men nog niet over de
moeilijkheden heen. Integendeel. Eerst ging alles goed, want reeds
in 1811 was het eerste gedeelte van Hasselt tot Oosterhuizerveld
onder Avereest voltooid, waar men met de eigenlijke vervening kon
aanvangen. Men legde ook zijkanalen en wijken of wieken aan en zelfs
was de hoofdvaart in 1825 al tot de marke Lutten doorgetrokken; maar
intusschen waren de financiëele moeilijkheden voortdurend grooter
geworden en na verscheiden leeningen, die de onderneming op de been
hielden, was men genoodzaakt de vaart aan het Rijk over te doen voor
een som van bijna viermaal honderdduizend gulden. Dat was in 1826.
Twee jaar later kocht Van Dedem, weer met vreemd kapitaal gesteund, de
vaart met al haar objecten terug, om door den aanleg van nieuwe werken
en de voortzetting van het hoofdkanaal in oostelijke richting opnieuw
de geldelijke moeilijkheden op zich te zien aanstormen en eindelijk
in 1845 de geheele Dedemsvaart met zijkanalen en aanhoorigheden voor
bijna 4½ ton over te dragen aan de provincie Overijsel. Die is nog
eigenares; zij heeft de vaart tot aan de Vecht doorgetrokken, voltooide
de doortrekking van het zijkanaal naar Ommen, van de Lutterhoofdwijk
naar Coevorden en van het Lichtmiskanaal, dat de Dedemsvaart met den
benedenloop van de Vecht verbindt. In 1867 was alles klaar.
In 1859 heeft men op het marktplein te Avereest een eenvoudig monument
voor Van Dedem onthuld. Het dorp Dedemsvaart met zijn ongeveer
vijf duizend inwoners aan de vaart van denzelfden naam en aan de
spoorlijn Meppel-Zwolle is ook zelf reeds een monument voor ontwerper
en uitvoerder van het ontginningsplan, voor Van Marle en Van Dedem!